Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 1.1.2(1). Geluid.
 Auteur: Kapteijn
 Revisie: 2007

Inhoud:

1.1.2.1(1). De betekenis van geluid in het dagelijks leven

1.1.2.2(1). Geluid, ontstaan en eigenschappen

1.1.2.3(1). Geluid en muziek

1.1.2.4(1). Geluid van de stem

1.1.2.5(1). Stemgeluid als basis voor de spraak en taal en voor het leren praten

1.1.2.6(1). Geluid en slechthorendheid

1.1.2.7(1). Verschillende soorten slechthorendheid

1.1.2.8(1). Vroegtijdige onderkenning van slechthorendheid

 


1.1.2.1(1). De betekenis van geluid in het dagelijks leven

In onze directe omgeving worden doorlopend bewegingen gemaakt b.v. door personen en dieren. Ook voorwerpen kunnen bewegen of bewogen worden. Alles wat in de lucht beweegt verplaatst luchtdeeltjes. Grote bewegingen van luchtdeeltjes, zoals wind en tocht, kun je waarnemen met gevoelige cellen in de huid. Kleine luchtbewegingen zoals die door een trillende snaar worden veroorzaakt, voel je niet op die manier maar je kunt ze wel opmerken door het gehoor in de vorm van geluid. Het kunnen horen van geluiden uit de directe omgeving is heel belangrijk om te weten wat er om je heen gebeurt. Voor dieren is het van levensbelang om een roofdier dat buiten het gezichtsveld komt aansluipen tijdig op te merken. Voor de mens is dat in bepaalde verkeerssituaties niet veel anders. Dankzij onze zintuigen krijgen we heel veel informatie over onze omgeving. Slechts een klein gedeelte daarvan dringt tot ons door als bewuste informatie. Het zogenaamde intuïtief reageren wordt veroorzaakt door het waarnemen van informatie uit de omgeving die men zich niet bewust is. Veel bewegingen zijn reflexen die uitgevoerd worden zonder dat ze bewust bedacht zijn maar wel in reactie op informatie uit de omgeving.


In het dagelijks leven zijn het vooral de ogen en de oren die de belangrijkste informatie aanleveren en die we dan bewust of onbewust gebruiken. De ogen zijn daarbij beperkt tot het zogenaamde gezichtsveld maar de oren luisteren naar alle kanten. Doordat we twee oren hebben die voldoende ver uit elkaar staan kunnen we bepalen uit welke richting een geluid komt. Door in de goede richting te kijken wordt nog duidelijker wat er gebeurt.


De oren zijn heel gevoelig voor zachte geluiden maar kunnen toch ook heel harde geluiden verdragen. Naast dit grote dynamisch bereik heeft het gehoor ook een zeer verfijnd onderscheidingsvermogen om geluiden op klank te onderscheiden. Dit is belangrijk om meteen te weten wat de oorzaak van het geluid kan zijn en hoe er op gereageerd moet worden. Daarnaast kunnen we ook door het horen van kleine klankveranderingen gewaarschuwd worden dat er iets mis gaat of juist heel goed gaat. Door de klank waarop iemand iets zegt kun je horen of het een compliment of een verwijt is. De klank onderscheiding en de waardering wordt optimaal toegepast bij het luisteren naar muziek.


De geweldige mogelijkheden van ons gehoor worden tenslotte voluit benut in het praten met anderen ook wel aangeduid als de spraakcommunicatie. Niet alleen de verschillen tussen woorden maar ook de intonatie en het tempo waarmee ze worden uitgesproken geeft informatie over de boodschap die de spreker overdraagt.


Het kunnen horen van geluiden is dus belangrijk om:


  • Te weten wat er om je heen gebeurt
  • Gewaarschuwd te zijn dat er iets gebeurt en te kunnen vermoeden waar het dan om gaat
  • Te kunnen praten met anderen, om van muziek te kunnen genieten
  • Van de rust van de stilte te genieten

Stilte kan alleen opgemerkt worden als men wel zachte geluiden kan waarnemen zodat de zekerheid bestaat dat een harder geluid zeker gehoord zal worden. Als dit niet het geval is wordt de stilte een bedreiging: 'Wat kan er plotseling om mij heen gebeuren zonder dat ik gewaarschuwd wordt?' In Par.6 van dit hoofdstuk wordt hier meer aandacht aan besteed.


 


1.1.2.2(1). Geluid, ontstaan en eigenschappen

Zoals boven al is aangegeven kan ons oor heel zachte geluiden waarnemen zoals het trillen van een snaar. Maar wat zijn de belangrijkste eigenschappen van geluid?


Een bewegend voorwerp, b.v. een trillende snaar, duwt de luchtdeeltjes voor zich weg en zuigt achter zich luchtdeeltjes aan. Deze beweging van luchtdeeltjes is heel klein en zwak maar vaak wel voldoende om door ons oor opgemerkt te worden. Via de oorschelp en de gehoorgang komen ze bij het heel gevoelige trommelvlies. Hoe vaker de snaar per seconde heen en weer trilt hoe vaker de luchtdeeltjes heen en weer bewegen. Ons trommelvlies gaat dan ook vaker heen en weer en we horen een hogere toon. Het aantal slingeringen per seconde noemen we de frequentie van de trilling. Een frequentie wordt uitgedrukt in Hertz (aantal trillingen per seconde). Hoe hoger het aantal trillingen per seconde hoe hoger de frequentie is en hoe hoger de toon klinkt. Als er krachtiger op de snaar wordt gespeeld krijgt die een grotere uitwijking en dus wordt er meer lucht door de snaar verplaatst. Het trommelvlies gaat dan ook sterker bewegen en de toon wordt harder gehoord. Een geluid heeft dus zowel een toonhoogte als een luidheid. De sterkte van een geluid wordt vaak de intensiteit genoemd en uitgedrukt in decibel (dB).


Als een snaar in beweging wordt gebracht kan die in verschillende vormen trillen. De eenvoudigste vorm is het trillen als één geheel in de volle lengte, zoals afgebeeld in Fig.1 (de rode golf). Aan de uiteinden zit de snaar vast en daar is uiteraard geen beweging mogelijk, in het midden is de verplaatsing het grootst. Deze vorm veroorzaakt de laagste toon die de snaar kan voortbrengen. We noemen dat de grondtoon of ook wel de eerste harmonische trilling. De snaar kan echter ook op een andere manier trillen b.v. in de vorm waarbij niet alleen de beide vaste uiteinden maar ook het midden van de snaar stil blijft staan. Het is dan als het ware een beweging van twee aan elkaar verbonden half zo lange snaren. Die half zo lange snaren trillen twee keer zo snel. Het geluid wordt dan ook twee keer zo hoog. We horen dan de tweede harmonische, ook wel de eerste boventoon genoemd. Dit is in Fig.1. afgebeeld als de groene golf.


Zo kan de snaar ook trillen als drie aan elkaar verbonden snaren van een derde deel van de lengte en de derde harmonische of de tweede boventoon voortbrengen (de blauwe golf in Fig.1). Omdat de snaar tegelijkertijd in deze vormen kan trillen horen we een aantal tonen tegelijkertijd die allemaal 1, 2, 3 of meer keren zo hoog zijn als de grondtoon. Daardoor wordt de klank van het geluid voller. We noemen dat de klankkleur of het timbre van de toon van de snaar.


Fig.1. Een trillende snaar in de grondvorm ( de eerste harmonische - rood), de tweede Harmonische (groen) en de derde harmonische (blauw).

De snaar trilt dus meestal niet in één enkelvoudige vorm maar in een aantal vormen. Bij een viool kan de ene violist uit een zelfde instrument een veel mooiere klank halen dan een andere vakgenoot. Het vakmanschap is hoorbaar door goede verhoudingen van de intensiteiten van de grondtoon en de diverse boventonen. De klankkleur of het timbre van de toon wordt gemaakt door op de juiste plaats met de goede druk de snaar met de strijkstok aan te strijken. Een geluid heeft dus behalve een sterkte (intensiteit) en een toonhoogte ook een klankkleur of timbre. De klank van een geluid kan gemeten worden door aan analyse met geluidfilters. Zo wordt de samenstelling van een geluid fysisch weergegeven als een geluidsspectrum waarin alle componenten met hun intensiteit zijn weergegeven..


 


1.1.2.3(1). Geluid en muziek

De grondtoon van een snaar wordt bepaald door de dikte, de lengte en de spanning. Wanneer de lengte wordt verkleind zonder dat de spanning veran­dert gaat de grondtoon hoger klinken. Alle harmonische trillingen, de boventonen, zullen naar verhouding mee verschuiven in toonhoogte. Op deze manier kan een melodie op één snaar gespeeld worden door de snaar telkens op een andere plaats tegen de klankkast te drukken dus door het trillende gedeelte in lengte te variëren. Als de lengte van een snaar gelijk blijft en de spanning wordt vergroot gaat eveneens de grondtoon met de boventonen verschuiven naar een hogere frequentie. Op deze manier wordt een snaarinstrument gestemd.


Wat besproken is voor een snaar geldt in een bepaald opzicht ook voor orgelpijpen en blaasin­strumenten. De trilling komt tot stand door opeenvolgende verdichtingen en verdunningen van de lucht in de pijp, zoals afgebeeld in Fig.2. Bij een blokfluit is de lengte van de luchtkolom tussen de opening waartegen geblazen wordt (bij een dwarsfluit heet dit de 'embouchure') en de eerste niet afgesloten opening (het 'gaatje' in de toonbuis) bepalend voor de laagste toon van het geblazen geluid, de grondtoon. In de luchtkolom passen meerdere trillingsvormen van de luchtdeeltjes. Zo ontstaan hier de boventonen. De verhouding van de grondtoon en de verschillende boventonen wordt in de eerste plaats bepaald door de constructie van het muziekinstrument.


Fig.2. Illustratie van de invloed van de lengte van de 'pijp' van een blaasinstrument op de toonhoogte. De twee pijpen bevatten evenveel verdichtingen (donker) en verdunningen (licht) van de luchtdeeltjes  ('knopen' en 'buiken'). In de langere pijp zijn de onderlinge afstanden van verdichtingen en verdunningen groter en dus is de golflengte groter. Dit betekent dat de voortgebrachte toon lager klink, net zoals bij een langere snaar. Figuur ontleend aan Stevens et al.,1970.

Eenzelfde toon zal anders klinken als die wordt geblazen op een fluit, een klarinet, een hobo of een fagot. Ook hier geldt dat de ene speler een mooiere klank uit het instrument kan halen dan de andere. De manier van aanblazen en speeltechniek zoals de druk van de lippen op het riet van de hobo is daarbij van essentiële invloed.


Wanneer in een orkest een aantal muziekinstrumenten tegelijkertijd trillin­gen in de lucht veroorzaken wordt het patroon van de bewegingen van de luchtdeeltjes nog veel ingewikkelder. Dit is zeker het geval als de verschillende instrumenten ook nog verschillende melodieën spelen. Kortom het luisteren naar muziek vereist een heel ingewikkelde analyse van de bewegin­gen van de luchtdeeltjes die door het trommelvlies worden overgenomen. De vraag is hoe het oor die analyse zo kan uitvoeren dat de tonen van de verschillende instrumenten door een luisteraar te herkennen zijn. Dit wordt besproken in Hfdst.1.1.3(1), Par.4.


 


1.1.2.4(1). Geluid van de stem

In het dagelijks leven is het praten met elkaar de belangrijkste vorm van communicatie. Praten is in feite het achter elkaar zingen van een aantal korte melodietjes, die we woorden noemen. Hiervoor moet wel eerst geluid gemaakt worden met de stem. Dit gebeurt in het strottenhoofd, de larynx. Bij het uitademen wordt de lucht uit de longen via de luchtpijp door het strottenhoofd naar buiten geduwd.


In het strottenhoofd liggen twee stembanden die als sluisdeuren de luchtpijp kunnen afsluiten. Als de weg is afgesloten, wordt vanuit de longen een luchtdruk onder de stembanden opgebouwd. Door deze druk schieten deze elasti­sche banden even open waardoor de overdruk wegvalt en de stembanden weer terugvallen en zich sluiten. Deze gang van zaken herhaalt zich dan weer. De stembanden voeren dus een trillende beweging uit, net zoals de snaar uit Par.2.


Fig.3. De luchtweg vanuit de longen naar buiten. Figuur ontleend aan Van Bergeyk et al., 1961 .

Trillende stembanden verdelen de luchtstroom uit de longen als het ware in een rij luchtstootjes. Het aantal plofjes per seconde wordt bepaald door de lengte en de sluitspanning van de stembanden. Het aantal trillingen van de stembanden per seconde (in Hertz) bepaalt de grondtoon van de stem. Deze geluidsproductie is wel te vergelijken met de in Par.2 besproken geluidsproductie door een trillende snaar. Ook bij de stem ontstaan boventonen. De luchtstootjes gaan vanaf de stembanden via de keelholte en de mond en/of de neusholte naar buiten. De keel, mond en neus zijn te beschouwen als orgelpijpjes, waarvan de luchtkolom in trilling kan worden gebracht. De werkzame lengte van die luchtkolom kan veranderd worden door de plaats en de vorm van de tong in de mond en ook door de vorm van de lippen. De klank of het timbre van het voortgebrachte geluid kan in de keel- mond- en neusholte gevarieerd worden door middel van b.v. de vorm van de tong, de opening van de mond en de afstand van de lippen.


Woorden worden onderverdeeld in deelklanken of fonemen. Éénlettergrepige woorden als VAAS, BIJT, MES. bestaan uit drie deelklanken of fonemen. De dragers van deze spraakgeluiden worden klinkers of (in vakkringen) vocalen (‘V’) genoemd. De mond­stand waarmee de klinker begint bepaalt de beginklank of de inzet van het spraakgeluid. Deze inzet wordt de beginmedeklinker of ook wel de beginconsonant (‘C’) genoemd. Tijdens het produceren van de klinker kan de stand van tong en lippen veranderd worden, zodat de klinker met een andere mondstand afgerond wordt. Dit levert de eindmedeklinker of eindconsonant (‘C’). De genoemde woorden heten daarom ook wel CVC woorden. Langere woorden, die uit meer lettergrepen bestaan, worden op de zelfde wijze ingedeeld naar C-V samenstelling.


 


1.1.2.5(1). Het stemgeluid als basis voor spraak en taal en het leren praten

Het gebruik van stemgeluid als middel om boodschappen of informatie over te brengen wordt in het dierenrijk breed toegepast. Uit het voorgaande is echter wel af te leiden dat het menselijke stemorgaan mogelijkheden biedt voor een subtielere informatie overdracht. Dit heeft ook inderdaad vorm gekregen in de communicatie door middel van spraak en taal. De basis van de spraakcommunicatie is dat binnen een groep mensen een bepaald klankpatroon wordt gebruikt om een voorwerp of een eigenschap van iets aan te duiden. Om deze mogelijkheden optimaal te benutten is echter wel meer nodig dan alleen het uiten van herkenbare klanken en het daaraan toekennen van betekenissen. Er zijn gewoontes ontstaan om de (spraak)klankpatronen in een bepaalde volgorde aan te bieden en ook om de patronen een klein beetje te variëren. Hiermee wordt essen­tiële aanvullende informatie verstrekt (meervouden, werkwoordsvor­men e.d.). Kortom een taal heeft (grammaticale) regels. De spreker moet, als hij zonder misverstanden goed begrepen wil worden, niet alleen de spraakmelodietjes goed produceren (articuleren) met voldoende energie (intensiteit) maar zich ook aan de geldende regels van de taal houden.


Omdat bij eentonige spraak de aandacht van de luisteraar al gauw verslapt gaat de spreker de grondtoon van de stem wat variëren. Dit kan gemakkelijk door de spanning in de stembanden iets te veranderen: meer spanning geeft een hoger stemgeluid. Ook de sterkte van de spraakklanken kan gevarieerd worden door de lucht met wat meer kracht uit de longen te persen. Een extra dimensie in de klankkleur is beschikbaar door de mogelijkheid de luchtplofjes al dan niet ook via de neus een uitweg te bieden. Deze extra klankkleur wordt waargenomen als meer of minder nasaal klinken van een spraakgeluid zoals het geval is bij de M, en N en NG klanken.



Leren praten is een indrukwekkende prestatie waarmee baby's beginnen vanaf hun brabbelperiode op een leeftijd van ongeveer zes maanden. Eigenlijk is dit een tweede stadium in het brabbelen dat volgt op het verkennen van de mogelijkheden van de geluidsproductie. Het betreft het gaan nabootsen van de klanken die de baby hoort in de directe omgeving. Na verloop van tijd wordt ontdekt dat klanken en melodietjes (woorden) zeer bepaalde betekenissen kunnen hebben b.v. mamma en pappa. Vervolgens ontdekt de baby dat door het produceren van dat klankpatroon een bepaalde situatie tot stand kan worden gebracht namelijk dat pappa of mamma boven het bedje of bij de box komen. Dit is een van de meest wezenlijke ontdekkingen die een mens in zijn leven doet. De volgende stap in het leren praten is de ontdekking dat de spraakklanken in een bepaalde volgorde worden geproduceerd. Ook de betekenis van het produceren van spraakklanken met wisselende toonhoogte krijgt zijn plaats (intonatie en nadruk in de zin). De subtiele verschillen in spraakklanken die worden gebruikt om meervouden of werkwoordsvormen uit te drukken zijn niet makkelijk op te merken en worden dan ook in een later stadium geleerd.


 


1.1.2.6(1). Geluid en slechthorendheid

Als het oor niet goed functioneert en het geluid niet goed wordt waargenomen ontstaat er een probleem. Hoe ernstig dat is hangt af van de mate en van het soort gehoorverlies. In het voorgaande is besproken hoe belangrijk het waarnemen en onderscheiden van geluiden is voor de veiligheid en voor de spraak en taalcommunicatie. Door het niet goed horen worden met name de zachte geluiden gemist en daardoor de rust van de stilte. Immers de stilte is aangenaam doordat de hele zachte geluiden gehoord kunnen worden. Stilte zonder die geruststellende zachte geluiden is bedreigend en beangstigend: Wat kan er allemaal achter je gebeuren waarover geen waarschuwend geluid wordt gehoord? Het missen van de zachte alledaagse geluiden maakt onzeker en verstoort het contact houden met de omgeving, het blijkt te leiden tot vereenzaming en depressiviteit.


Bij communicatie door middel van gesproken taal wordt essentiële informatie geleverd door subtiele verschillen in de klank en de melodie van het (spraak)geluid. In geval van slechthorendheid zal een kleiner of groter deel daarvan niet worden waargenomen. Voor een slechthorende wordt het volgen van een gesprek dus een inspannende of soms zelfs onmogelijke opgave. Als iemand iets niet goed verstaat leidt dat tot misverstaan, misverstanden en irritaties of zelfs conflictsituaties. Het is voor een gesprekspartner hinderlijk steeds te moeten herhalen wat men net heeft gezegd. De beperking door het niet goed kunnen horen wordt dus nadrukkelijk ervaren, zowel door de luisteraar als de spreker. Waarschijnlijk is dit er de oorzaak van dat een gehoorstoornis door de omgeving als veel hinderlijker wordt ervaren dan een visuele of een motorische beperking. De gesprekspartner moet zich namelijk aanpassen om tot een goede communicatie te kunnen komen. Vanuit die irritatie wordt wel de vraag gesteld waarom de slechthorende geen hoortoestel draagt. Er wordt kennelijk gedacht dat een hoortoestel de slechthorendheid goed kan opheffen. De beperkte juistheid van deze gedachte wordt besproken in Hfdst.1.8(1).


 


1.1.2.7(1). Verschillende soorten slechthorendheid

Het gehoor kan op verschillende manieren niet goed functioneren. Anders gezegd, er zijn verschillende soorten slechthorendheid te onderscheiden. Elk daarvan kan in meer of minder ernstige mate voorkomen en ook in combinaties. De meetmethoden om vast te stellen op welke manier en in welke mate een oor niet goed functioneert worden in Hfdst.1.5(1) besproken. Op grond van de testresultaten kan bij benadering de beperking worden afgeleid die de slechthorende ondervindt in diverse luistersituaties. Tot op dit punt is er een objectieve argumentatie mogelijk.


In het dagelijks spraakgebruik worden ten aanzien van slechthorendheid verschillende gradaties onderscheiden: licht, matig, ernstig en zeer ernstig. De laatste categorie wordt in Nederland meestal aangemerkt als doofheid. In Engelstalige landen wordt het woord 'deafness' in veel ruimere zin gebruikt, ongeveer zoals slechthorendheid in het Nederlands. In Nederland staat doofheid voor een zeer ernstig gehoorverlies. Niet zozeer de mate van ongevoeligheid van het oor (90 dB of meer) is hier bepalend, maar vooral het gegeven dat via geluid en gehoor geen bevredigende communicatie meer mogelijk is. Dan dient men gebruik te maken van aanvullende methoden van communicatie, zoals liplezen, ondersteunende gebaren of gebarentaal. Voor een goede inpassing daarvan wordt wel oefening gevraagd, zowel van de ernstig slechthorende zelf als van de personen uit de directe leefomgeving.


De vraag in hoeverre iemand met een gehoorverlies dan gehandicapt is of zich gehandicapt voelt in een situatie is niet met algemene geldigheid te beantwoorden. Naast de stoornissen van het gehoor en de kwaliteit van de akoestische omstandigheden spelen persoonlijke factoren hier een belangrijke rol. Allereerst natuurlijk de begaafdheden van de slechthorende zelf om zijn auditieve beperking te compenseren of te ondervangen. Daarnaast is zeker zo belangrijk het begrip en de (welwillende) benadering van de mensen in de directe omgeving. Onbegrip van anderen is de grootste handicap voor de slechthorende.


 


1.1.2.8(1). Vroegtijdige onderkenning van slechthorendheid

Slechthorendheid is voor volwassenen een ernstige beperking. Voor kleine kinderen geldt dit in een nog sterkere mate. Zij zitten immers nog in het stadium van het leren van spraak en taal. Kleine klankvariaties in de geluidsproductie moeten goed worden opgemerkt, vooral om ze goed te kunnen imiteren en ze zelf te kunnen produceren. De (kleine) geluidmaker moet kunnen opmerken of de eigen geluiden goed overeenkomen met die van anderen in de omgeving. Het tijdig kunnen benutten van deze mogelijkheden is een vereiste voor een goede spraak- en taalontwikkeling. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de basis hiervoor al gelegd wordt vóór de zesde levensmaand. Dankzij de huidige onderzoekmethoden is een wezenlijke slechthorendheid al vóór die leeftijd vast te stellen.


Een niet goed verlopende spraak- en taalontwikkeling kan naast het niet goed verstaanbaar praten ook gedragsproblemen veroorzaken. Als een peutertje met geluid niet goed kan duidelijk maken wat het wil zal het heel gemakkelijk het gevoel gaan krijgen niet begrepen te worden. Dit kan leiden tot wanhopige woede uitbarstingen en oorzaak zijn van lastig gedrag. Een vroegtijdige onderkenning van een verminderd gehoor is van het grootste belang. Er kan dan zonder uitstel gewerkt gaan worden aan een optimaliseren van de geluidswaarneming en het zonodig gaan toepassen van ondersteunende en/of aanvullende methoden van communicatie.


De vroegtijdige opsporing van slechthorendheid wordt besproken in Hfdst.1.1.5(1). Het ondervangen van slechthorendheid wordt besproken in Hfdst.1.1.8(1) en Hfdst.1.1.9(1).



Literatuur

  1. Van Bergeyk WA, Pierce JR, David Jr EE. Het geluid en ons gehoor. Vertaling De Boer E. Elseviers Natuurwetenschappelijke Pockets, Elsevier Amsterdam etc., 1961.
  2. Rodenburg M. Geluid – Fysica, Productie en Geluidsmetingen. Uitgeverij Lemma BV, Utrecht,1995. ISBN 90-5189-327-2.
  3. Stevens SS, Warhofski F. Sound and hearing. Time-Life Inc, 1970. Nederlandse vertaling door Gerton van Wageningen: 'Geluid en gehoor'. Perscombinatie NV, Amsterdam, 1970.

© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie