Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 1.1.4(1). De belangrijkste klachten over niet goed horen
 Auteur: Kapteijn
 Revisie: mei 2008

Inhoud:

1.1.4.1(1). Verschillende gehoorfuncties

1.1.4.2(1). Het niet goed kunnen horen van geluiden: hardhorendheid

1.1.4.3(1). Het niet goed kunnen onderscheiden en herkennen van geluiden

1.1.4.4(1). Het niet goed kunnen verstaan van spraak in stilte

1.1.4.5(1). Het niet goed kunnen verstaan in lawaai

1.1.4.6(1). Het niet goed kunnen richtinghoren

1.1.4.7(1). Hinder van harde geluiden (recruitment)

1.1.4.8(1). Stoorgeluid in het oor (tinnitus of oorsuizen)

1.1.4.9(1). Verschil in toonhoogte in beide oren (diplacusis)

1.1.4.10(1). Trager herkennen van geluiden

1.1.4.11(1). Zich afsluiten voor geluid

1.1.4.12(1). Duizeligheid


 

1.1.4.1(1). Verschillende gehoorfuncties

Iemand die merkt dat allerlei geluiden door hem of haar niet goed gehoord en verstaan worden zal meestal wel een gehoorverlies hebben. Niet alle mensen die dat merken hebben echter een zelfde soort gehoorverlies.Er zijn belangrijke verschillen, niet alleen in de ernst van de slechthorendheid maar ook in de aard van het minder goed horen. Uit een onderzoek bij een paar honderd slechthorende personen is gebleken dat er zes verschillende soorten gehoorklachten zijn te onderscheiden. Het zijn als het ware zes kanten of aspecten van slechthorendheid. Deze zes aspecten noemen we de 'hoorfactoren'. Bijna alle vormen van slechthorendheid zijn te beschrijven als een combinatie van deze zes hoorfactoren.


Hieronder worden de hoorfactoren in het kort besproken. De volgorde is gekozen op grond van de aanwijzingen van ondervraagde slechthorenden. Hoe hoger het nummer, hoe meer het betreffende aspect van niet goed horen als hinderlijk en beperkend in het dagelijksleven werd ervaren.


  1. Gevoeligheid voor geluid. Als hiermee iets niet in orde is worden vooral zachtere geluiden niet gehoord en hardere geluiden klinken wat zachter. Eigenlijk is dit hardhorendheid. Deze hoorfactor is het meest bekend, maar zonder de andere defecten van het gehoor is ongevoeligheid voor geluid eigenlijk niet zo’n dramatische beperking. Hardhorendheid is door versterking van de geluiden goed te ondervangen.
  2. Het kunnen onderscheiden van de geluiden die worden gehoord. Als dit niet goed gaat wordt je onzeker. Wat is dat voor geluid dat ik hoor? Wat gebeurt er? Wat is er aan de hand? Wat betekent het gehoorde geluid en hoe moet er gereageerd worden?
  3. Het kunnen spraakverstaan in stilte. Deze factor onderscheidt zich van de vorige doordat het hier om spraakklanken (woorden) gaat. Woorden moeten goed herkend worden om de betekenis te verstaan. Twee woorden kunnen soms bijna het zelfde klinken maar toch een heel verschillende betekenis hebben. Misverstaan kan dan leiden tot misverstanden en foute reacties.
  4. Het spraakverstaan in lawaai. Deze factor is gericht op het kunnen verstaan van mensen in vergaderingen en op recepties. Het verstaan van wat gezegd wordt is dan extra moeilijk, omdat er ook storende geluiden zijn. In feite zijn dit de situaties waar iemand die wat minder goed gaat horen het eerst moeilijkheden ervaart.
  5. Het gericht of selectief horen. Hier gaat het niet alleen om het kunnen horen waar een geluid vandaan komt, het lokaliseren, maar ook om het vermogen gericht naar een bepaalde gesprekspartner of een bepaald instrument in een orkest te luisteren. Tijdens een receptie kun je als het ware gericht naar iemand luisteren en het andere geluid naar de achtergrond duwen. Voor dit gericht of selectief horen moet je wel twee gelijkwaardige goede oren hebben.
  6. Het kunnen verdragen van harde geluiden. Een normaal oor kan heel zachte geluiden waarnemen en ook heel harde geluiden verdragen. Dit gebied waarover het oor kan functioneren wordt het dynamisch bereik van het oor genoemd. Als dat dynamisch bereik afwijkend kleiner is geworden klinken hardere geluiden al heel snel onaangenaam luid. Deze overgevoeligheid van het oor voor hardere geluiden wordt wel aangeduid als 'recruitment'.



In dit hoofdstuk wordt uitgegaan van klachten over het waarnemen van geluid. Deze zullen meestal niet beperkt zijn tot het aspect van één hoorfactor.Voor een helder beeld moet dan een gehooronderzoek worden gedaan. Daarvoor is een aantal hoortests beschikbaar. In Hfdst 1.1.5(1) worden die besproken


Naast slechthorendheid zijn er ook klachten waar het gehoororgaan direct bij betrokken is. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld:


  • Het horen van stoorgeluid in het oor ('oorsuizen' of 'tinnitus')
  • Het horen van geluiden in beide oren maar op ongelijke toonhoogte ('diplacusis')
  • Het trager herkennen van geluiden
  • het zich afsluiten voor geluid
  • Duizeligheid

Het lijkt goed om in dit hoofdstuk, ná het bespreken van de gevolgen van slechthorendheid aan de hand van de hoorfactoren, ook aan deze onderwerpen aandacht te besteden.


 


1.1.4.2(1). Het niet goed kunnen horen van geluiden: hardhorendheid

Als men een willekeurige persoon vraagt wat slechthorendheid is zal het antwoord waarschijnlijk zijn dat het oor dan ongevoelig is voor geluid. Zachtere geluiden worden niet gehoord. Deze basisvorm is bij slechthorendheid inderdaad haast altijd wel aanwezig en dat aspect willen we aanduiden als hardhorendheid.


Het oor is een heel gevoelig waarnemingsinstrument voor de sterkte van geluiden. Dit geldt ook voor verschillen in sterkte zowel voor harde als zachte geluiden. Het is te vergelijken met een weegschaal waarmee een brief wordt gewogen met een nauwkeurigheid van 1 gram maar waar ook het gewicht van een auto mee bepaald kan worden. Een dergelijke weegschaal bestaat niet, maar het oor van jong goedhorend mens presteert dit wel. Dit enorm grote bereik tussen het zachte geluid dat nog nèt waargenomen kan worden en het hardste geluid dat nog nèt verdragen kan worden heet het dynamisch bereik van een oor of ook wel de 'hoorspan'. In geval van slechthorendheid is dat bereik vaak kleiner geworden (zie verder Par.7 van dit hoofdstuk). Als je dit enorme werkingsgebied van het oor voor de geest hebt is niet zo verwonderlijk dat een oor heel kwetsbaar is voor heel hard geluid en ook voor andere beschadigende invloeden zoals sommige medicijnen of functiestoornissen van ons lichaam zoals nierproblemen en bloedvatvernauwing. Door allerlei verschillende ongunstige invloeden gaan de oren in de loop van de jaren wat aan gevoeligheid inboeten. We kennen dit verschijnsel als 'ouderdomsslechthorendheid' of 'presbyacusis'.


De ongevoeligheid van het oor is te ondervangen door de geluiden om ons heen wat versterkt aan het oor aan te bieden. We kennen allemaal het geluidversterkende hoortoestel. Als het dus gaat om alleen ongevoeligheid voor de zachtere geluiden, dus hardhorendheid, behoeft dat niet een heel ernstig probleem te zijn.


Een belangrijke vraag is echter 'Wat is de oorzaak van die hardhorendheid?'. De ongevoeligheid kan veroorzaakt zijn door het niet goed functioneren van het uitwendige oor (oorprop in de gehoorgang, gaatje in het trommelvlies) of het middenoor (vocht in het middenoor, slecht beweeglijke gehoorbeentjesketen). Als hier de oorzaak ligt dan wordt het geluid van buiten niet goed overgebracht (of geleid) naar het binnenoor. We spreken dan van een 'geleidingsverlies'. Deze oorzaak kan vaak opgeheven worden door het schoonmaken van het oor of door een gehoorverbeterende ingreep. De huisarts en de oorarts kunnen dit beoordelen. Als die mogelijkheden niet aanwezig zijn kan hardhorendheid met een hoortoestel vaak goed ondervangen worden.


Het is echter ook mogelijk dat het overbrengen van het geluid naar het binnenoor wél goed verloopt, maar dat zachtere geluiden toch niet gehoord worden. De oorzaak moet dan in het binnenoor gezocht worden. Dit wordt een waarnemingsverlies of 'perceptief gehoorverlies' genoemd. In dat geval zijn er naast de ongevoeligheid vrijwel altijd ook andere hoorklachten zoals hinder van harde geluiden en het niet goed onderscheiden van geluiden. Ook hier kan men met een hoortoestel geluiden aanpassen aan het niet goed functionerende oor. Met een goed gekozen en zorgvuldig afgesteld hoortoestel is vaak wel een duidelijke verbetering te bereiken.


Bij slechthorendheid kan er tegelijkertijd een geleidingsverlies en een perceptief gehoorverlies bestaan, dit wordt dan een gemengd gehoorverlies' genoemd. Om de aard en de mate van een gehoorverlies vast te stellen worden de audiometrische tests gedaan zoals beschreven in Hfdst 1.1.5(1).


 


1.1.4.3(1). Het niet goed kunnen onderscheiden en herkennen van geluiden

Veel mensen merken dat zij wel allerlei geluiden horen, maar dat het onderscheiden van geluiden en met name het kunnen verstaan van wat gezegd wordt, moeite kost. Zoals het oor een heel groot dynamisch bereik heeft, zo heeft het ook een enorm bereik wat betreft het horen van lage en hoge tonen. Jonge mensen met goede oren kunnen geluidjes tussen 20 en 20.000 trillingen per seconde (Hertz) horen en in dat interval kleine verschillen in frequentie (van ongeveer 10 Hertz) waarnemen. De subtiliteit in het onderscheiden van toonhoogte neemt af bij een afname van de gevoeligheid van het gehoor bij een perceptief gehoorverlies. Dat betekent dat kleine klanknuances dan ook minder goed zijn waar te nemen. Dit geldt welhaast voor alle ouderen omdat met het ouder worden de waarnemingsgevoeligheid voor met name de hoge tonen afneemt. Dit wordt wel ouderdomsslechthorendheid of presbyacusis genoemd. Het zal dus een minder gemakkelijk onderscheiden en verstaan van gesproken woord kunnen inhouden.


Maar er spelen nog andere factoren een rol. Bij hardhorendheid is het verlies aan gevoeligheid voor verschillende frequenties meestal niet gelijk. Het oor is in het gebied van de hoge tonen kwetsbaarder dan in het gebied van de lage tonen. De verminderde gevoeligheid voor de hoge tonen leidt ertoe dat de lage tonen relatief een groter aandeel in de geluidswaarneming krijgen. Een tweede factor is dat in de meeste geluiden de lage tonen sterker vertegenwoordigd zijn dan de hoge tonen. Het gevolg van deze twee factoren is dat de lage tonen in een geluid gaan overheersen. Daardoor wordt het horen van de hoge tonen nog eens extra verstoord. De lage tonen zijn weliswaar de drager van de geluidssterkte maar het zijn juist de hoge tonen die bepalen hoe verschillend geluiden zijn. Doordat de hoge tonen niet goed gehoord worden ontstaat de situatie dat men wel hoort maar niet goed herkent. Het gevolg is bijvoorbeeld dat een verandering van het geluid van een machine niet wordt gehoord terwijl dit een eerste waarschuwing kan zijn dat er iets fout gaat. Ook kan een korte roep of uitgesproken waarschuwing niet worden opgepikt.


Het niet goed kunnen onderscheiden van geluiden die worden gehoord kan er de oorzaak van zijn dat men zich onzeker voelt. Geluiden worden wél gehoord, maar niet altijd goed herkend, begrepen of verstaan. Het onderscheidingsvermogen van een oor, meestal 'discriminatievermogen' genoemd, is met hoortests te meten en beschreven in Hfdst.1.1.5(1).


Het zonder meer versterkt aanbieden van geluiden aan het oor met een verminderd onderscheidingsvermogen zal vaak weinig verbetering opleveren. Mogelijk kan een selectieve versterking van de hoge tonen wel een gunstig effect hebben. Dit wordt besproken in Hfdst 1.1.8(1), Par.8.


 


1.1.4.4(1). Het niet goed kunnen verstaan van spraak in stilte

Het kunnen verstaan van spraak is meer dan het onderscheiden van geluiden of klankpatronen zoals besproken in de vorige paragraaf. Allereerst gaat het om klankpatronen (woorden) die soms heel weinig verschillen van andere soortgelijke klankpatronen maar wel een essentieel andere betekenis hebben. Het herkennen van klankpatronen is besproken in Hfdst.1.1.3(1), Par.6. Enerzijds zijn de verschillen met alternatieve woorden dus vaak heel subtiel, anderzijds is er uit het verband waarin een woord gebruikt wordt, de 'context', wel een hoeveelheid informatie beschikbaar die het herkennen gemakkelijker maakt. In een gesprek kun je vaak al een beetje vermoeden welk woord de spreker zal gaan zeggen.


Als een woord niet helemaal goed is gehoord kost het herkennen en verstaan van wat er gezegd is meer tijd en inspanning. Elke goedhorende kent een dergelijke situatie als hij een gesprek voert in een vreemde taal die hij niet helemaal goed beheerst. Voor slechthorenden met een slecht onderscheidingsvermogen van geluiden klinkt de eigen moedertaal als het ware als een vreemde taal. Zelfs in een rustige omgeving kost het verstaan van wat gezegd wordt dan extra inspanning. Door het tragere verloop van de woord herkenning lijkt het voor de slechthorende alsof de gesprekspartner te snel spreekt en wordt herhaling gevraagd om het tempo te kunnen bijhouden. Anderzijds kan de gesprekspartner door dat trage verstaan en het moeten herhalen zich gaan afvragen of de ander niet een beetje geestelijk aan het aftakelen is. Doordat er meer energie nodig is om te verstaan wordt het gesprek voor de slechthorende vermoeiend en kost het meer inspanning om geconcentreerd te blijven luisteren. Het probleem is dat een slechthorende door het verkeerd verstaan van één woord een geheel verkeerde gedachtegang kan gaan volgen. Een misverstaan leidt dan tot misverstand en mogelijk tot conflicten.


Het versterken van de aangeboden spraakklanken zal het niet kunnen horen van en gesprekspartner wel verbeteren. Echter het onderscheiden en herkennen van spraakklanken kan een hoortoestel niet overnemen (net zo min als het verstaan van een vreemde taal voor een goedhorende door het gaan gebruiken van een hoortoestel beter wordt). Bij wel horen, maar niet verstaan zal de afstelling van een hoortoestel op het aangedane oor nauwkeurig moeten gebeuren en dan nog krijgt men niet een normaal gehoor. Zie verder Hfdst.1.1.8(1).


 


1.1.4.5(1). Het niet goed kunnen verstaan in lawaai

Verstaan in rumoer of lawaai is extra moeilijk omdat de spraak als het ware uit het storende geluid gezeefd moet worden. Iemand die, wanneer het stil is, spraak wel goed verstaat kan tijdens een feestje, een receptie, een vergadering of in een situatie met (verkeers)lawaai ernstige problemen ondervinden. In feite is het gehoor dan niet goed in staat geluiden van verschillende geluidsbronnen te onderscheiden. Het niet goed kunnen verstaan in rumoerige situaties is vaak het eerste probleem dat ervaren wordt als het gehoor wat minder goed gaat functioneren.


Bij het herkennen en verstaan van spraak in een rumoerige situatie moet het gehoor allereerst onderscheiden welk geluid bij de spreker hoort (het ‘signaal’) en welk geluid daar niet bij hoort en dus stoorgeluid is (’ruis’ genoemd). Als het stoorgeluid heel anders klinkt dan de spraak, b.v. bij een gesprek in een auto, is de spraak dat relatief gemakkelijk te verstaan. Dit betekent dat de spraak niet zo heel veel sterker hoeft te zijn dan het stoorgeluid. Een relatief lage signaal-ruis verhouding is dan voldoende. Een steeds aanhoudend stoorgeluid zoals dat van een machine is hinderlijker. Het meest hinderlijk is het gepraat van anderen tijdens een receptie. In de laatste situatie is een relatief grote signaal-ruis verhouding vereist. Daar ontstaan de problemen het eerst. Als het stoorgeluid uit een andere richting komt dan het signaal is de scheiding wat gemakkelijker te maken.


Uit onderzoek blijkt dat vrijwel alle slechthorenden meer hinder van stoorlawaai hebben dan goedhorenden. Hier zijn echter grote individuele verschillen die niet direct samenhangen met de mate van ongevoeligheid van de oren. Met een speciale test voor het verstaan in lawaai kan dit aspect van het horen worden gemeten. Deze wordt besproken in Hfdst.1.1.5(1), Par.9 en Hfdst.1.1.5(1), Par.10.


Helaas is het slecht verstaan in rumoer ook met de nieuwste hoortoestellen niet goed te verhelpen. In feite blijft een hoortoestel een geluidsversterker die alle aanwezige geluiden versterkt. Er wordt wel heel veel aandacht besteed aan het verbeteren van de hoortoestellen op dit aandachtspunt. Er is ook wel goede voortgang gemaakt. Daarover is in Hfdst.1.1.8(1) meer te lezen.


 


1.1.4.6(1). Het niet goed kunnen richtinghoren

Bij richtinghoren gaat het niet alleen om het kunnen bepalen waar een geluid vandaan komt. Het betreft ook het vermogen om, in een situatie waar verschillende geluidsbronnen zijn, selectief te luisteren naar het geluid of de spreker die men wil horen. Het kunnen horen uit welke richting een geluid komt is ook belangrijk voor het onderscheiden en herkennen van geluiden. Een goedhorende zal vaak door het goed kunnen bepalen waar een geluid vandaan komt al weten om welk geluid het gaat en wat er mogelijk mis kan gaan. Veel slechthorenden kunnen niet goed bepalen waar een geluid vandaan komt. Daardoor zal men al gauw schrikken van een plotseling geluid en het minder snel herkennen. Dit kan iemand onzeker maken en zelfs onbewust wat angstig maken. Het goed kunnen lokaliseren van een geluidsbron is dus voor het welbevinden en voor de veiligheidsbeleving belangrijk.


Richtinghoren komt tot stand op basis van kleine verschillen in aankomsttijd, sterkte en klank van een geluid in de afzonderlijke oren, zoals besproken in Hfdst.1.1.3(1), Par.5. Om goed te kunnen richtinghoren is de aanwezigheid van twee gelijkwaardig functionerende oren nodig. Vervolgens moet er een snelle verwerking van de goed overgedragen klankpatronen uitgevoerd worden in de hogere hoorcentra in de hersenen. Bij slechthorendheid kan het aan beide voorwaarden schorten. Dit veroorzaakt een niet voldoende snel verlopende lokalisatie van de geluidsbron daarmee een situatie die te vergelijken is met een doorlopende alarmfase. Dit is een stressverhogende factor.


Uit het in Par.1 van dit hoofdstuk genoemde onderzoek is gebleken dat het niet goed kunnen bepalen waar een geluid vandaan komt door veel slechthorenden als een heel ernstige beperking ervaren wordt. Het wordt als even ernstig ervaren als het niet kunnen verstaan in lawaai. Beide hoorfactoren hebben wel een groot raakvlak. Als je tijdens een receptie iemand je naam hoort roepen is het lokaliseren van de roepende persoon een eerste vereiste. Je voelt je 'voor joker staan' als je de verkeerde kant opkijkt of zoekend rond kijkt.Om vervolgens te verstaan wat er dan verder geroepen wordt moet je gericht of selectief kunnen luisteren in het omgevingslawaai. Een goedhorende kan als het ware in een bepaalde richting luisteren. Meestal zal dit recht naar voren zijn omdat je dan de gesprekspartner ook kunt zien. Het is echter ook mogelijk om ogenschijnlijk met iemand een gesprek te voeren en tegelijkertijd extra goed te luisteren naar hetgeen van opzij wordt gezegd. Dit vereist wel twee goed functionerende en goed samenwerkende oren.


Met hoortests is het richtinghoren te meten zowel zonder als met hoortoestellen. Er zijn speciale richtinggevoelige hoortoestellen. Daarmee kan het selectief richting horen op korte afstand wel verbeterd worden. Het nadeel is echter dat daarmee de geluidswaarneming van rondom dus het opmerken van wat rondom gebeurt ongunstiger wordt. Dit laatste is belangrijk voor het gevoel van veiligheid en welbevinden. Het is daarom belangrijk dat, afhankelijk van de luistersituatie, de richtinggevoeligheid van een hoortoestel in- of uitgeschakeld kan worden.


 


1.1.4.7(1). Hinder van harde geluiden (recruitment)

Een oor kan tussen net waarneembare en onaangenaam luide geluid een zeer groot gebied bestrijken. Dit interval wordt het dynamisch bereik of ook wel de hoorspan genoemd, zoals besproken in Par.2. van dit hoofdstuk. Het is opmerkelijk dat er bij een ongevoeligheid voor zachte geluiden vaak tegelijkertijd een overgevoeligheid voor harde geluiden aanwezig is. De hoorspan is dan dus van twee kanten beperkt. De versnelde toename van de subjectieve geluidssterkte bij toenemende geluidsintensiteit wordt dan recruitment genoemd. Zachte geluiden worden niet waargenomen en geluiden die door normaal horenden als vrij hard worden aangemerkt klinken bij recruitment pijnlijk hard. Als er geen verminderde gevoeligheid is voor zacht geluid en bepaalde geluiden worden toch als hinderlijk ervaren spreken we niet over recruitment maar over 'hyperacusis' (overgevoeligheid voor geluid). Waarschijnlijk is de oorzaak gelegen in het binnenoor waar de haarcellen niet goed functioneren.


In het dagelijksleven is de hinder van hardere geluiden een erg belastende gehoorstoornis. Omdat de normaalhorende er geen hinder van ondervindt zal hij/zij vaak vergeten om b.v. zacht te praten of iets voorzichtig neer te zetten. Om de intensiteit van geluiden te reduceren kan gebruik gemaakt worden van oordoppen zoals toegepast voor lawaaibescherming. Bij recruitment liggen de zaken eenvoudiger dan bij hyperacusis want elk hoortoestel heeft wel een voorziening om de geluidssterkte die kan worden afgegeven te begrenzen zie Hfdst.1.1.8(1), Par.3.


 


1.1.4.8(1). Stoorgeluid in het oor (tinnitus of oorsuizen)

Een veel gehoorde klacht van slechthorenden is dat zij geluid horen dat anderen niet horen. Het waargenomen geluid komt dan niet van buitenaf in het oor maar ‘van binnenuit’. Men noemt dit 'tinnitus' of 'oorsuizen'. Het is als het ware een ruis in het oor. Men kan het vergelijken met de ruis die een slechte versterker van een geluidsinstallatie kan hebben. Tijdens zachte passages in muziek of in stille momenten in spraak hoor je dan een ruis. Deze vergelijking gaat echter mank op twee punten. In de eerste plaats is het tinnitus geluid vaak geen zachte ruis maar veel meer een fluittoon, een sirene of soms wel een gedreun, zoals in een bedrijfshal kan voorkomen. In de tweede plaats wordt het geluid veelal niet alleen waargenomen tijdens momenten van stilte in de omgeving, maar doorlopend. Het kan zelfs harder worden als er meer omgevingslawaai is.


De oorzaak van deze gehoorstoornis is niet bekend. Mogelijk zijn er verschillende oorzaken. Helaas is er geen algeheel geldige therapie bekend.Voor bepaalde vormen zijn er wel redelijk bevredigende behandelingsmethoden vooral als de oorzaak ligt in het middenoor. De klachten worden veelal ernstiger als men meer gespannen of moe is. Vaak hebben ontspanningsoefeningen dan een gunstig effect.


 


1.1.4.9(1). Verschil in toonhoogte in beide oren (diplacusis)

Als eenzelfde geluid met een verschillende toonhoogte in de twee oren wordt waargenomen spreken we van 'diplacusis'. Deze aandoening is meestal van tijdelijke aard. Hierbij valt te denken aan twee mechanismen: het aangedane oor kan zich herstellen, maar ook kan de geluidsverwerking in de hogere hoorcentra zich aanpassen. De oorzaak moet gezocht worden in een verstoring van het functioneren van één van beide binnenoren. Met name muziek liefhebbers kunnen ernstig gehinderd worden door dit verschijnsel.


 


1.1.4.10(1). Trager herkennen van geluiden

Het herkennen en verstaan van een geluid is besproken in Hfdst.1.1.3(1), Par.6. Dit ingewikkelde proces moet uitgevoerd worden in de tijd die de luisteraar daarvoor heeft. In een gesprek zal de spreker door de spreeksnelheid hiervoor grotendeels bepalend zijn. Voor omgevingsgeluiden is een snelle herkenning nodig om je veilig en prettig te voelen.


Het kan vóórkomen dat iemand geluid wel goed kan horen maar wat langer tijd nodig heeft om de klankpatronen goed te herkennen en te verstaan. Dit zal vooral optreden als de klankpatronen niet zo scherp overgedragen worden of ook als de klankpatronen in het woordgeheugen 'niet zo scherp omlijnd zijn opgeborgen en niet zo vooraan liggen'. Dit laatste speelt ook een rol bij het verstaan van een vreemde taal door een goedhorende. Ook dan is de articulatie, dus het netjes produceren van een woord zeer belangrijk voor het kunnen verstaan. Als de luisteraar de gesproken taal wel goed beheerst kan deze klacht heel goed veroorzaakt worden doordat het binnenoor niet goed functioneert. Een geluidspatroon of een woord wordt dan vervormd aan de hogere hoorcentra in de hersenen aangeleverd. In dat geval zal de geluidsherkenning als beschreven in Hfdst.1.1.3(1), Par.6 meer tijd vergen. Langzaam en duidelijk praten kan in dit soort situaties heel gunstig werken. Ook is het nuttig de informatie overdracht goed ingeleid en eventueel ondersteund met gebaren te verzorgen.


 


1.1.4.11(1). Zich afsluiten voor geluid

Wanneer iemand zich afsluit voor geluid lijkt dit op slechthorendheid. De oorzaak is dan echter niet een defect van het gehoor maar een slechte aandacht voor geluid. Het komt voor als iemand geconcentreerd ergens mee bezig is maar het kan ook voorkomen wanneer iemand als gevolg van emotionele ervaringen of gebeurtenissen in zichzelf gekeerd is. Een dergelijk, niet goed reageren op geluid, wordt 'psychogene slechthorendheid' genoemd. Soms wordt het aangemerkt met de wat ongelukkige naam 'functioneel gehoorverlies'. Daarmee wil men zeggen dat het geen organisch defect van het gehoor betreft. Het verschijnsel kan zich bijvoorbeeld voordoen bij kinderen die in een gezinssituatie verkeren met veel spanningen en ruzies.


Dit zich afsluiten kan iemand ook met opzet doen om een doel te bereiken, bijvoorbeeld om een uitkering te ontvangen na een ongeval. Men spreekt dan van simulatie. De afsluiting kan ook onbewust plaats hebben bijvoorbeeld om zich af te sluiten voor onaangename situaties. Om slechthorendheid te kunnen voorwenden moet men het verschijnsel wel kennen vanuit de directe omgeving of mogelijk uit eigen ervaring in het verleden. Als de ernst van een bestaand gehoorverlies, al of niet bewust, wordt overdreven noemt men dit 'aggravatie'.


Als het vermoeden bestaat dat niet reageren op geluid mogelijk niet alleen veroorzaakt wordt door een stoornis in het gehoor is het goed om een gehooronderzoek te doen. Bij een niet organische oorzaak van het niet reageren op geluid is een deskundige vorm van hulpverlening vereist.Vaak is het een serieus te nemen signaal waar op een juiste manier op moet worden ingespeeld. In Hfdst.1.1.6(1), Par.4 wordt dit nader besproken.


 


1.1.4.12(1). Duizeligheid

Bij het bespreken van duizeligheid is het nuttig om allereerst even stil te staan bij het houdingsevenwicht van de staande mens. Het is opmerkelijk dat een lichaam van 1,5 tot 2 meter hoog op een basis van twee voeten stabiel overeind gehouden kan worden. Zelfs een storende kracht als een windstoot kan worden opgevangen zonder dat het tot omvallen leidt. Het bewaren van het houdingsevenwicht is een heel belangrijke taak voor onze hersenen. Daarvoor is veel informatie nodig over de omgeving, de ruimtelijke oriëntatie, en ook van de positie van het lichaam daar in.


Duizeligheid is op te vatten als een paniekreactie van ons centraal zenuwstelsel wanneer de ruimtelijke oriëntatie niet duidelijk is. Onze hersenen krijgen enorm veel informatie van de zintuigen en van signaleringscentra overal in ons lichaam. Als deze informatie nu niet goed bij elkaar past en er gevaar ontstaat voor het niet goed kunnen handhaven van het lichaamsevenwicht, uit zich dat in de vorm van duizeligheid.


Duizeligheid kan verschillende oorzaken hebben. Het gehoor levert geen grote bijdrage aan het handhaven van het lichaamsevenwicht. Slechthorendheid op zichzelf is daarom zelden de oorzaak zijn van duizeligheid. In dit opzicht neemt het evenwichtsorgaan een veel belangrijker plaats in.


Het evenwichtsorgaan is, net als de cochlea, een onderdeel van het in het rotsbeen uitgespaarde en met vloeistof gevulde vestibulaire systeem. Eén deel daarvan het binnenoor is gericht op het waarnemen van geluiden zoals al besproken. Er zijn echter nog twee andere onderdelen van dit vestibulaire systeem n.l.:


  • De 'statolieten', te vergelijken met een waterpas om de positie van het hoofd ten opzichte van de richting van de zwaartekracht (de verticaal) te beoordelen
  • Het 'halfcirkelvormig kanalen systeem' om de draaiing van het hoofd te beoordelen.

Doordat de drie kanalen als wanden van een kubus loodrecht op elkaar staan kan ons centraal zenuwstelsel daarmee de richting bepalen van de as waar het hoofd om draait. Met de informatie van de nekreceptoren er bij ontstaat er duidelijkheid of alleen het hoofd dan wel het hele lichaam draait.


Voor het waarnemen van lichaamshouding en lichaamsbeweging en dus voor de ruimtelijke oriëntatie, zijn de twee genoemde onderdelen van het evenwichtsorgaan van grote betekenis. Zij worden samen wel het evenwichtsorgaan genoemd. Het menselijk lichaam heeft twee oren en ook twee evenwichts­organen die op uitermate subtiele wijze samenwerken.


De cochlea en het evenwichtsorgaan zijn dus onderdeel van het zelfde zintuigsysteem en zijn gevuld zijn met dezelfde vloeistof. De informatie wordt via zenuwen die vlak bij elkaar liggen naar de hersenen geleid. Kortom als het ene systeem klachten veroorzaakt is het nuttig ook het functioneren van het andere systeem te onderzoeken. Bij een vestibulair onderzoek in verband met duizeligheidsklachten zal dus veelal ook een gehooronderzoek worden verricht.


Het bewaren van het evenwicht is voor een mens van essentieel belang. Naast het evenwichtsorgaan wordt daarvoor ook gebruik gemaakt van én de visuele informatie én van het spiergevoel. Bij dit laatste gaat het dan met name om de spierspanningen in de benen tijdens het staan. De geluidsinformatie speelt in de meeste situaties slechts een kleine rol.


Duizeligheidsklachten worden lang niet altijd veroorzaakt door een niet goed functioneren van één of van beide even­wichtsorganen. Andere mogelijke oorzaken zijn een niet juist spiergevoel, een oogafwijking of een foute bewerking van de informatie in de hersenen. Ook een niet goede bloeddruk kan onevenwichtigheid en duizeligheidsklachten veroorzaken.


Er zijn bepaalde ziektebeelden waarbij gehoorverlies en aantasting van het evenwichtsorgaan tegelijkertijd voorkomen. Dat gaat dan vaak nog gepaard met oorsuizen en een afgesloten gevoel in het oor. Een voorbeeld daarvan is het syndroom van Menière. Men zoekt de oorzaak daarvan in een afwijkende druk van de vloeistof in het vestibulair systeem.



© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie