Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 10.1.1(2). Fonetiek, linguïstiek en audiologie – Basisbegrippen en verbindingen
 Auteur: Lamoré
 Revisie: december 2012

Inhoud:

10.1.1.1(2). Inleiding – Spraak, gehoor en taal

10.1.1.2(2). De verschillende (deel)vakgebieden

 

10.1.1.1(2). Inleiding – Spraak, gehoor en taal

Fonetiek, het onderwerp van Rubriek 10 van het Nederlands Leerboek Audiologie, vormt een onderdeel van de taalwetenschap (linguïstiek). Fonetiek bestudeert de waarneembare manifestatie van menselijke taal in relatie tot de verborgen structuur van het abstracte taalsysteem. Dit betekent dat in dit vakgebied een sterk accent gelegd wordt op het bestuderen van de spraak: de vorming van spraak, de eigenschappen van spraak en de functie van spraak in de overdracht van informatie (het gebruik van de taal). Fonetiek beweegt zich zowel op het elementaire niveau van de klinkers en de medeklinkers als op het complexe niveau van gesproken zinnen.


Een verbinding van de fonetiek met de audiologie is gemakkelijk aan te brengen. Spraak is voor de mens immers het belangrijkste signaal dat gehoord kan worden. Kenmerken van spraak kunnen niet losgemaakt worden van de wijze waarop zij door het auditieve systeem verwerkt worden. Verder is er een gemeenschappelijke ondergrond, de fysica. Veel meettechnieken zijn hetzelfde en beide vakgebieden maken gebruik van modellen om de processen te beschrijven.


In deze Rubriek 10 van het Nederlands Leerboek Audiologie bevinden wij ons in een gebied met veel interacties tussen de onderwerpen ‘Spraak’, ‘Gehoor’ en ‘Taal’. Verschillende (deel)vakgebieden spelen daarbij een rol en overlappen elkaar soms. Lezers uit de hoek van de audiologie kunnen hier echter snel het spoor bijster raken. Om deze lezers enige oriëntatie te geven wordt in dit hoofdstuk een overzicht en een karakterisering van deze deelgebieden gegeven. In enkele gevallen worden onderlinge verbindingen aangegeven. Het doel van deze karakteriseringen is de lezers in de volgende hoofdstukken een oriëntatie te bieden. Dit hoofdstuk heeft dus een kompasfunctie. Als zodanig heeft het een opzet die afwijkt van die van de andere hoofdstukken in dit leerboek. Achtereenvolgens komen aan de orde de (deel)vakgebieden:


  • Experimentele fonetiek
  • Akoestische fonetiek
  • Articulatorische fonetiek
  • Foniatrie
  • Fonologie
  • Morfologie en Morfonologie
  • Taalwetenschap (linguïstiek)
  • Psycholinguïstiek en taalontwikkeling

 


10.1.1.2(2). De verschillende (deel)vakgebieden

1. Experimentele fonetiek
Experimentele fonetiek richt zich op de productie van spraak en op de beschrijving van zowel eenvoudige als complexe spraakelementen met het oog op hun talige, dus informatie-overdragende functie. Het gaat om de aspecten die ertoe leiden dat de spraak verstaan wordt en de inhoud overkomt. Men kan ook spreken van de voorwaarden die gelden voor het verstaan van spraak. De inhoud, de ‘semantiek’ van de boodschap speelt hier niet direct een rol.


Het toevoegsel ‘experimenteel’ geeft aan dat in dit vakgebied experimenten worden gedaan en spraak wordt gemanipuleerd teneinde vast te stellen welke parameters voor de herkenning van belang zijn. In dat kader passen ook experimenten waarmee onderzocht wordt hoe goed bepaalde spraaksignalen van elkaar onderscheiden kunnen worden.


Onderwerpen binnen dit vakgebied zijn bijvoorbeeld de vorming van spraak, te behandelen in Hfdst.10.1.2, de indeling van de spraakklanken volgens kenmerken (‘Articulatorische Fonetiek’, Hfdst.10.2.2) en de functie van prosodie in de overdracht van informatie (Hfdst.10.2.1). Omdat de herkenning van spraakelementen niet zonder kennis van het auditieve systeem te begrijpen is wordt binnen de experimentele fonetiek vaak gebruik gemaakt van audiologische kennis. Experimentele fonetiek is ook van belang voor de ontwikkeling van de automatische spraakherkenning. Voor de vraag wat bepalend is voor het feit dat spraak als spraak herkend wordt, wordt verwezen naar de algemene literatuur.


2. Akoestische fonetiek
Akoestische fonetiek kan beschouwd worden als een opscherping van de experimentele fonetiek naar de fysica, in het bijzonder de akoestiek. Dit betekent dat theorie- en modelvorming een belangrijke plaats innemen. De grens tussen experimentele en akoestische fonetiek is niet scherp. Akoestische fonetiek richt zich op het vinden van wetmatigheden in spraak die een rol spelen bij de productie van klinkers, medeklinkers, woorden en zinnen, maar ook op de functie van deze wetmatigheden voor de herkenning van de verschillende spraakeenheden. Dit leidt ertoe dat in de akoestische fonetiek productie en perceptie van spraak sterk gekoppeld zijn. Verder komen de eigenschappen van het oor, zoals het waarnemen van toonhoogteveranderingen, luidheids- en timbreverschillen, verschillen tussen kortdurende en langerdurende geluiden in de akoestische fonetiek bij de herkenning van spraakgeluiden in een specifieke context terug. Wat dit betreft zou akoestische fonetiek te typeren zijn als ‘’spraakaudiologie’. Akoestische fonetiek bevat een breed scala van onderwerpen zoals:


  • Fysica van de stemgeving en van de vorming van de formanten
  • Akoestische beschrijving van spraakklanken, zowel in het frequentie- als tijddomein
  • Indeling van spraakklanken volgens akoestische eigenschappen
  • Ordening van akoestische eigenschappen van spraakklanken in termen van functie voor de herkenning
  • Ontwikkeling van methoden om de herkenning van afzonderlijke spraakklanken en combinaties daarvan te beschrijven; men spreekt hier wel van ‘herkenningsmodellen’.

3. Articulatorische fonetiek
Articulatorische fonetiek beschrijft de bewegingen en standen van de mond die noodzakelijk zijn voor de vorming van de klinkers en de medeklinkers. De motoriek van het aanzetstuk staat hier centraal. De beschrijving is in eerste instantie sterk gericht geweest op een indeling van deze klanken in categorieën (kenmerken). Dit heeft een classificatie opgeleverd die behoort tot de basale kennis van de fonetiek. In de loop van de tijd is men ook op zoek gegaan naar de wijze van neurale aansturing van die articulatorische bewegingen. Men moet daarbij denken aan de motorische commando’s die de betreffende klanken doen ontstaan en uiteindelijk leiden tot de herkenning van die akoestische signalen. De relatie tussen de beschrijving van de spraakklanken op akoestisch en die op articulatorisch niveau komt – in een theoretisch kader - aan de orde in Hfdst.10.1.2.


4. Foniatrie
Foniatrie richt zich op de diagnostiek van afwijkingen aan het stemapparaat en de stem en op de behandeling van die afwijkingen en stoornissen. Foniatrie is een specialisme in de geneeskunde.


5. Fonologie
Fonologie heeft als doel het bestuderen van de klanken en klankcombinaties die voorkomen in woorden, de klemtoonpatronen van woorden en de intonatiepatronen van zinnen. Het gaat daarbij om het vinden van de eigenschappen en regels van de taal op klankniveau. De eerste fonologische kennis verwerft men gedurende de vroege kinderjaren op basis van onderscheid in betekenis van elementaire klanken. Een kind zal op een gegeven moment ontdekken dat een /k/ verschilt van een /l/ omdat een ‘kip’ iets anders is als een ‘lip’ en dat een klankcombinatie als /rk/ wél finaal in een woord voorkomt, maar niet initiaal. Bij de beschrijving van de klankvorm van woorden wordt elk woord opgebouwd gedacht uit een opeenvolging van discrete klanken. Klanken met een verschil in betekenis worden in de fonologie ‘segmenten’ genoemd. Elk klanksegment binnen een woord wordt gekarakteriseerd door drie contrastieve kenmerken, één wat betreft ‘plaats van articulatie’ (bijvoorbeeld ‘labiaal’), één wat betreft ‘manier van articulatie’ (bijvoorbeeld ‘nasaal’) en één wat betreft ‘stem’ (stemhebbend of stemloos). De fonologische kennis over de functie van een klank in een woord is bepalend voor een correcte articulatie.


Voor de kenmerken waarmee de klanken gekarakteriseerd worden geldt een hiërarchie. Deze wordt bepaald door de exclusiviteit van de klank. De /p/ bijvoorbeeld is alléén door het plaatskenmerk [labiaal] en het manierkenmerk [consonantisch] gekarakteriseerd, in tegenstelling tot de /f/ waarop drie contrastieve kenmerken van toepassing zijn, [labiaal], [consonantisch] en [continuant]. Deze hiërarchie vindt men terug in de verwerving van deze klanken bij kinderen, éérst de /p/ en daarna de /f/.


Binnen de kenmerken waarmee de klanken gekarakteriseerd worden geldt een hiërarchie. Deze wordt bepaald door het aantal kenmerken waardoor een klank is gekarakteriseerd, dus door de exclusiviteit van de klank. De /p/ bijvoorbeeld is alléén door het manierkenmerk [consonantisch] en het plaatskenmerk [labiaal] gespecificeerd, in tegenstelling tot de /f/ die door drie kenmerken gespecificeerd is, [consonantisch], [labiaal] en [continuant]. Deze hiërarchie vindt men terug in de verwerving van deze klanken bij kinderen, dus éérst de /p/ en dan de /f/.


De fonologische structuren van de taal zijn ‘oppervlaktestructuren’. De vraag wat de psychologische (mentale) realiteit (dieptestructuur) ervan is speelt geen rol. De kennis van de fonologische ontwikkeling van jonge horende kinderen maakt het mogelijk achterstanden en stoornissen in de spraak- en taalontwikkeling vast te stellen. Wanneer er sprake is van uitspraakfouten waarbij systematisch vervangingen optreden van het ene segment door het andere (een ‘fonologische substitutie’), kan dit een gevolg zijn van een incorrect contrastsysteem. Wanneer de uitgesproken klank binnen het segment blijft (geen verschil in betekenis dus) kan dit wijzen op een articulatorisch probleem. Voor literatuur zie niveau 3.


6. Morfologie
De kleinste taaleenheden met een zelfstandige betekenis noemt men de ‘morfemen’. Morfemen kunnen verschillende vormen hebben. Zo zijn er ‘lexicale morfemen’ (woordeenheden) en ‘grammaticale morfemen’ (enkel- en meervoud). De ‘morfologie’ richt zich op de beschrijving van verbuigingen en vervoegingen en op de samenstelling van volledige woorden uit morfemen. Net zoals in de fonologie gaat het om oppervlaktestructuren van de taal en speelt de psychologische realiteit (dieptestructuur) geen rol. Wel is er steeds gezocht naar universele kenmerken, regels die iets zouden kunnen verklappen over de manier waarop de onderliggende taal een rol speelt. Het onderdeel ‘morfosyntaxis’ beschrijft de (taal)structuur van zinnen. Soms worden de begrippen ‘fonologie’ en ‘morfologie’ samengevoegd tot ‘morfonologie’.


7. Taalwetenschap (linguïstiek)
Het doel van taalwetenschap is het analyseren van taalstructuren en het vinden van relaties tussen die structuren. Die taalstructuren kennen een hiërarchische opbouw, met aan de basis de morfonologische structuren en daarboven achtereenvolgens de syntactische (grammaticale) en semantische (betekenisdragende) structuren. De taalwetenschap richt zich bijvoorbeeld op een beschrijving (modellering) van het proces van spraakproductie, dus van het traject dat begint bij een bedoeling en eindigt bij een reeks articulaties. Ook het interpreteren van versprekingen, in termen van deze modellering, behoort tot de taalwetenschap.


8. Psycholinguïstiek
Psycholinguïstiek is het onderzoek van de mentale processen en structuren bij het produceren en verwerken van lexicale, syntactische en semantische eenheden in geschreven en gesproken taal. De procesmatige benadering en de aandacht voor de mentale (psychologische realiteit) leidt tot aandacht voor het gebruik van taal, taalgedrag en taalontwikkeling. De diagnostiek van spraak- en taalstoornissen is tegenwoordig meestal een onderdeel van de psycholinguïstiek. Bij de studie van de taalontwikkeling wordt onderscheid gemaakt tussen de ontwikkeling op het gebied van de morfosyntaxis, met aandacht voor de lexicale morfemen in een zin (aantal en complexiteit), de ontwikkeling op het gebied van de pragmatiek ( het gebruik van de taalelementen, bijvoorbeeld of een zin vragende of bevestigend is) en de ontwikkeling op het gebied van de semantiek waar het gaat om de inhoud (betekenisvol gebruik) van de taalelementen.



Literatuur

  1. Beers M. The phonology of normally developing and language impaired children. In: Studies in Language and Language Use, vol. 20. IFOTT, Amsterdam, 1995.
  2. Gillis S, Schaerlakens AM (red.). Kindertaalontwikkeling – Een handboek voor het Nederlands. Martinus Nijhoff, Groningen, 2002.
  3. De Jong J (red.). Psycholinguïstiek in de praktijk. Acco, Amersfoort/Leuven, 1987.
  4. Nooteboom SG, Cohen A. Spreken en Verstaan - Een inleiding tot de experimentele fonetiek. Van Gorcum, Assen, Amsterdam, 1995.
  5. Rietveld ACM, van Heuven VJ. Algemene fonetiek. Dick Coutinho, Bussum, 2001.

© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie