Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 11.1.1(2). De spraak- en taalontwikkeling van het kind
 Auteur: Kapteyn
 Revisie: juni 2011

De schrijver van dit hoofdstuk is drs. Trudi de Koning (psycholinguïst UMC Utrecht, Functiecentrum KNO) zeer erkentelijk voor haar commentaren en adviezen bij het schrijven van dit hoofdstuk.


Inhoud:

11.1.1.1(2). Inleiding

11.1.1.2(2). De betekenis van spraak en taal

11.1.1.3(2). De eerste fase van 0 tot 12 maanden: De prelinguale periode

11.1.1.4(2). Het waarnemen van geluiden in de prelinguale periode

11.1.1.5(2). Het produceren van geluid in de prelinguale periode

11.1.1.6(2). Vroeglinguale periode 1 tot 2;6 jaar

11.1.1.7(2). Verrijkings- of differentiatiefase 2;6 tot 5 jaar

11.1.1.8(2). Voltooiingsfase: 5 tot 10 jaar

11.1.1.9(2). Signalering van stoornissen in de spraak- taalontwikkeling

 

11.1.1.1(2) Inleiding

De spraak- en taalontwikkeling bij jonge kinderen is een heel complex gebeuren. De communicatie door spraakgeluid wordt wel aangemerkt als zijnde uniek en voorbehouden aan de mens. Dieren zouden slechts in (zeer) beperkte mate de mogelijkheden hebben tot informatieoverdracht via geluid. Het is met name Chomsky geweest die de veronderstelling opperde dat de mens bij de geboorte al een neuraal – of hersencentrum heeft dat de spraak- en taalontwikkeling mogelijk maakt. De bedoeling van dit hoofdstuk is het verloop van de spraak- en taalontwikkeling bij het doorsnee gezonde jonge kind te schetsen. Incidenteel zal daarbij ook worden aangegeven wat er fout kan gaan maar in dit hoofdstuk zal de pathologie van dat ontwikkelingsproces niet worden besproken. Voor een uitgebreidere bespreking van het proces van de spraaktaalontwikkeling bij het jonge kind met ook aandacht voor stoornissen in de ontwikkeling bevelen wij het lezen van een overzichtelijk basisboek aan zoals dat van het Schaerlaekens ‘De taalontwikkeling van het kind’ (2008). Dit boek is bij het samenstellen van dit hoofdstuk vaak geraadpleegd.


In dit hoofdstuk worden aanwijzingen geciteerd die er voor pleiten dat de spraak- en taalontwikkeling eigenlijk al begint voor de geboorte van de baby. Duidelijk waarneembaar is dat het dan volgende verloop per baby vrij sterk kan verschillen. Besproken wordt dat een aantal factoren hierop van invloed zijn. De ontwikkeling kent twee hoofdlijnen namelijk het met het gehoor waarnemen en onderscheiden van de geluiden die met de te ontwikkelen taal te maken hebben en daarnaast het kunnen nabootsen en produceren van die geluiden. Hiermee is al direct aangegeven dat een niet goed functioneren van het gehoor voor een baby een belemmering zal vormen in de spraak- en taalontwikkeling. Vrij algemeen worden in deze ontwikkeling drie fasen onderscheiden: de geluidsproductie voordat eigenlijk van spraak en taal gesproken kan worden: de prelinguale fase tot rond één jaar. Dan de periode dat de peuter klanken gaat voortbrengen die als woordjes klinken en dat vervolgens verder uitbouwt tot korte zinnetjes tussen 1 en 2.6 jaar. Schaerlaekens noemt dit de vroeg-linguale periode. Daarna volgt de uitbouw in een verrijkings- of differentiatiefase en rond 6 jaar zijn de basis elementen beschikbaar en gaat de voltooiingsfase in.


In dit hoofdstuk volgen we deze indeling nadat eerst kort aandacht is besteed aan de betekenis van spraak en taal voor het functioneren in ons dagelijks leven. Daarna volgt voor elk van deze fasen van de ontwikkeling aandacht voor het kunnen waarnemen en onderscheiden van (spraak)geluiden en het betekenis vol kunnen imiteren en produceren van die geluiden.


 


11.1.1.2(2). De betekenis van spraak en taal

Alle dieren en zeker de zoogdieren hebben een zekere vorm van onderlinge informatie- uitwisseling. Insecten kunnen elkaar aangeven waar iets te vinden is. Zoogdieren kennen waarschuwingssignalen. Roofdieren werken vaak samen om een prooi te vangen. Dit zou, omdat het verder gaat dan waarschuwen door geluid, al aan te duiden zijn als een vorm van communicatie. Onder communicatie is dan te verstaan een uitwisseling van signalen met tenminste één ander, dus tussen tenminste 2 dieren (of personen). Onder het begrip signaal valt dan elke vorm van zintuiglijk waarneembaar verschijnsel (teken of prikkel) waar een betekenis aan wordt toegekend. Dit is niet beperkt tot geluid maar kan iedere soort zintuiglijk waarneembare prikkel zijn: een geurtje, een tactiel waarneembare druk, de smaak van iets, een gebaar of grimas of lichtsignaal en uiteraard een geluid. In de menselijke samenleving worden signalen via alle zintuigen toegepast, geurtjes, grimassen, aanrakingen, oogbewegingen dan wel blikken en uiteraard de geluiden die zeer gedifferentieerd kunnen zijn. Overigens is het ook mogelijk met gebaren vergelijkbare informatie overdracht te bewerkstelligen als met gesproken taal en dan betreft het gebarentaal.


Voor het zinvol zijn van een signaaluitwisseling is het een vereiste dat de ontvanger bekend is met de betekenis die de zender daarmee wil overdragen. Als dat niet het geval is ontstaat de kans op misinterpretatie van het ontvangen signaal en dus van misverstanden. Naarmate de diversiteit van de signalen rijker is en dus de informatie die kan worden overgedragen omvangrijker en subtieler kan zijn, zal het leren onderscheiden en produceren van die signalen meer tijd en capaciteit vergen. Nu hebben mensen wel een zeer gedifferentieerd en subtiel systeem van geluiden om informatie over te dragen. Die activiteit wordt aangeduid als spraak en het produceren van de juiste klanken als spreken: het zeggen van woorden. Het benutten van de variatie mogelijkheden van dat klankensysteem is uiteraard heel belangrijk maar wat zo mogelijk nog belangrijker is de volgorde van de achtereenvolgende klanken, dus van de woorden. Die volgorde is namelijk aan regels gebonden. Door het toepassen van die regels wordt de betekenis van de opvolgende serie woorden in een zogenaamde zin in grote mate bepaald. Dit systeem van regels wordt de grammatica of de syntaxis van die taal genoemd (zie Hfdst.10.1.1.2). Deze complexe combinatie van spraakklanken en de volgorde waarin die gepresenteerd worden alsook de melodie waarmee de zin wordt geproduceerd (onderdeel van de prosodie zie Hfdst.10.2.1.5) maakt het mogelijk niet alleen concrete voorwerpen en situaties aan te duiden maar ook gevoelens te verwoorden en abstracte gedachten aan de ander over te dragen (de semantiek van de boodschap, zie Hfdst.10.1.1.2). Dit complexe communicatie systeem wordt een taal genoemd. Het is in eerste instantie een systeem van geluiden geweest, later zijn er aan de te onderscheiden klanken tekens verbonden, de letters, waardoor de overdracht van informatie en het vastleggen daarvan ook schriftelijk kan plaatsvinden.


Opmerkelijk is dat er veel verschillende talen naast elkaar bestaan. Dat betekent dat een bepaald voorwerp in verschillende talen wordt benoemd met verschillende klankpatronen (woorden). De ervaring leert dat het veel inspanning kost om als gebruiker van één van die talen een andere taal echt goed te leren en het resultaat is veelal een vrij gebrekkig beheersen van die nieuwe taal. Dit doet de vraag opkomen hoe een klein kind, dat in feite nog helemaal verzorgd moet worden, in staat is om ongemerkt een dergelijk complex klankensysteem dat in zijn omgeving te horen is kan leren gebruiken. Bij het zoeken naar een antwoord is overwogen dat deze communicatie mogelijkheid alleen bij de mens voorkomt. Bovendien blijken baby’s die geboren worden in heel verschillende taalgebieden de daar gesproken taal volgens een geheel overeenkomstige ontwikkelingsvolgorde in een zelfde leeftijdsperiode te leren.


Dit soort overwegingen heeft Chomsky er in 1957 toe gebracht de baanbrekende hypothese te opperen dat de mens bij de geboorte al een vermogenheeft tot het leren van de taal die in die omgeving wordt gesproken. Hij introduceerde daarmee het ‘Linguish Acquisition Device’ (LAD). Vanuit neurologische aandoeningen zoals afasie is inmiddels wel aangetoond dat er in de hersenen een taalcentrum aanwezig is. Ook met testen is een taalfunctie aangetoond. Het is niet duidelijk in hoeverre dat een vastliggend hersendeel is. Er is een grote neurologische plasticiteit. De aangeboren mogelijkheden moeten na de geboorte wel ontwikkeld worden. Deze ontwikkeling of rijping houdt in dat de cellen van dat centrum intensieve onderlinge contacten gaan maken door uitgroei van synapsen. Dit gebeurt onder de stimulerende invloed vanuit de omgeving (de buitenwereld en dus in het algemeen de ouders en verzorgers). De veronderstelling is dat dank zij de ontwikkeling van dit hersengedeelte een baby in staat is gehoorde spraakklanken te onderscheiden van andere geluiden en vervolgens in staat is die te gaan nabootsen. In een dan volgende fase wordt er dan de (in de omgeving geldende) betekenis aan verbonden. Het tot volle ontplooiing brengen van deze in aanleg aanwezige mogelijkheden van dat hersengedeelte blijken te verdwijnen als deze niet in een vroeg stadium gebruikt worden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er niet gesproken wordt in de directe omgeving van de baby maar ook doordat de baby doof is. Naarmate de periode na de geboorte waarin de aanwezige aangeboren mogelijkheden niet gestimuleerd worden langer is zal de afname van het uiteindelijke taalbeheersing groter zijn. Daarvoor zijn voorbeelden te geven.


Er blijkt al een significante achterstand te ontstaan in de spraak- en taalontwikkeling als de eerste zes maanden na de geboorte deze in aanleg aanwezige mogelijkheden niet benut en ontwikkeld worden. Sprekende voorbeelden van langer durende deprivaties zijn te lezen in de verhalen over kleine kinderen die de eerste levensperiode werden verzorgd door dieren (‘wolfskinderen’). Zij bleken later slechts in staat met zeer veel inspanning op zeer gebrekkige wijze te kunnen spreken. Anderzijds zijn er rapporten van kinderen die na een hersenoperatie i.v.m. epilepsie op latere leeftijd pas taal zijn gaan verwerven en toch wel tot een beperkt taal niveau kwamen. Als conclusie kan gesteld dat voor een goede taal ontwikkeling met name in de gevoelige periode zowel de klankproductie als de koppeling met de betekenis van een klankpatroon geoefend moet worden. Een goede wisselwerking met een talige omgeving is daarvoor essentieel.


In het nu volgende deel van dit hoofdstuk wordt één en ander nader uitgewerkt. Hierin wordt onderscheiden enerzijds het kunnen waarnemen van geluiden zoals dat blijkt uit reacties van het jonge kind en anderzijds het reproduceren er van in de eigen geluidsproductie. Dit geldt voor elk van de drie in de inleiding onderscheiden fasen van de spraak- en taalontwikkeling.


 


11.1.1.3(2). De eerste fase van 0 tot 12 maanden: De prelinguale periode

Het taalverwervingsproces start al vóór de geboorte en gaat in feite levenslang door. De belangrijkste periode daar in zijn de eerste levensjaren omdat dan de basis van het proces zich ontwikkelt. De hypothese is dat dit proces tot stand komt door ontwikkeling van bij de geboorte al aanwezige hersencellen. Deze ontwikkelen zich dank zij stimulatie van buiten af. Concreet betreft dit dus taalstimulatie. In dit proces spelen twee hoofdzaken samen: in de eerste plaats de aangeboren mogelijkheden van de baby en daarnaast de sturende werking van de omgeving die het proces van leren en imiteren van de baby beïnvloedt. Er is een voortdurende wisselwerking tussen omgeving (ouders en verzorgers) en kind waardoor beiden elkaar beïnvloeden en ontwikkelen. In het huidige model hiervan (het ‘transactionele’ model) wordt er van uitgegaan dat het kind zelf zijn ontwikkeling meebepaalt en mogelijk zelfs stuurt in die zin dat het oppakt waar het op dat moment aan toe is. Hierbij is de responsiviteit van de ouders een belangrijke factor. Responsiviteit is dan het opmerken en begrijpen van de signalen van het kind en het er adequaat op reageren. Als dat goed verloopt voelt het kind zich begrepen en kan zich veilig voelen en zal hechting ontstaan.


In de natuurlijke omgang van ouders met een klein kind valt het op dat de ouders de geluidjes van de baby meer imiteren dan dat de baby de ouders nadoet. De ouders maken er veelal ook gebaren bij. Intuïtief passen de ouders zich aan de ontwikkelingsfase van de baby aan. Daarbij worden bijzondere geluidjes gemaakt op een toonhoogte die past bij het gehoor van de baby met het gezicht op een korte afstand zodat het goed waarneembaar is voor het kind. Wanneer dit proces niet goed verloopt of verstoord wordt krijgt het kindje minder gelegenheid om de taal te verwerven. Echter ook de interactie tussen kind en ouder (omgeving) dreigt dan uit balans te raken wat weer gevolgen kan hebben voorde sociaal- emotionele ontwikkeling van het kind.


 


11.1.1.4(2). Het waarnemen van geluiden in de prelinguale periode

Op grond van experimenten is vast komen te staan dat het nog ongeboren kind in het moederlichaam al geluiden kan waarnemen en die later ook kan herkennen. Het bleek namelijk dat de baby na de geboorte verschillend reageerde op het geluid van belletjes die voor de geboorte voor de moederbuik waren aangeboden ten opzichte van geluid van andere soortgelijke belletjes. Op grond hiervan mag verondersteld worden dat de baby door het bekend zijn met de stem van de moeder in de periode vóór de geboorte deze ná de geboorte kan onderscheiden en herkennen vanuit andere geluiden. Hierbij dient bedacht dat de stem van de moeder voor de baby na de geboorte, dus buiten haar lichaam, anders zal klinken dan vóór de geboorte.


Tussen zes weken en vier maanden gaat elke gezonde baby geluidjes maken en spelen met de mogelijkheden van de stemgeving: het brabbelen. Daarnaast gaat het kindje selectief luisteren met name naar spraakgeluiden. Het blijkt in die leeftijdsfase de geluidjes PA en BA al van elkaar te kunnen onderscheiden. Merkwaardig is dat baby’s ook in een dagelijks vrij chaotisch geluidsaanbod geluiden al kunnen ordenen en klankreeksen kunnen onderscheiden. Hoe dat proces zich ontwikkelt is nog niet duidelijk. Wel is gebleken dat (te) veel inhoudsloos omgevingsgeluid de ontwikkeling van het onderscheidingsvermogen (discriminatie vermogen) vertraagt. De conclusie van deze gegevens is dat een baby die een ernstige beperking heeft in het kunnen waarnemen van geluid bij de geboorte al een achterstand in de spraakontwikkeling zal hebben wellicht ook in de herkenning van de stem van de moeder. Voor de spraakontwikkeling is het kunnen waarnemen van geluiden uit de omgeving essentieel. De volgende stap is namelijk dat herkend gaat worden hoe bepaalde klanken in dat aangeboden geluid vaker voorkomen dan andere. Als dan de geluidsproductie (het brabbelen) zich gaat ontwikkelen worden na verloop van tijd door de baby deze klanken frequenter geproduceerd dan andere. Hierbij is het opmerkelijk dat deze imitatie geproduceerd wordt met een mond- keelholte (het aanzetstuk) dat veel kleiner is dan dat van een volwassene en dat dus het frequentiegebied heel anders ligt. Het herkennen van bepaalde geluiden leidt niet alleen tot het imiteren ervan maar geleidelijk groeit er kennelijk het besef dat dát geluid is gerelateerd aan een bepaalde situatie. Omstreeks het eerste levensjaar constateert de omgeving dat het kindje de eerste woordjes zegt. Het is in feite heel verbazingwekkend dat een baby in korte tijd rond het eerste levensjaar tot dit oppakken, herkennen, interpreteren en imiteren van een klankpatroon kan komen ( het spreken van een eerste woordje).


Het moge duidelijk zijn dat dit proces alleen zo kan verlopen als de geluidswaarneming goed functioneert. Als door een slecht functionerend gehoor de hiervoor beschreven ontwikkeling in de periode van de eerste zes levensmaanden gemist wordt blijkt de spraaktaalontwikkeling daarna ondanks alle mogelijke inspanning toch blijvend beperkt te blijven. Dove baby’s gaan wel met hun stemmetje spelen en gaan dus wel normaal brabbelgeluiden maken. Echter doordat ze de omgevingsgeluiden niet horen en dus niet gaan imiteren en ook zichzelf niet horen dooft het brabbelen uit. Dit is een alarmerend verschijnsel en de reden dat bij dove baby’s een cochleaire implant zo mogelijk al tijdens het eerste levensjaar geplaatst wordt. Want al vóór de eerste verjaardag blijken baby’s spraakgeluiden uit hun omgeving waar te nemen en te onderscheiden van andere omgevingsgeluiden en daardoor het brabbelen verder te ontwikkelen naar spraakproductie. Het vroege brabbelen van baby’s komt in alle taalgebieden op een zelfde wijze voor. Maar tussen de 6 en de 9e levensmaand gaat de moedertaal een filterende werking uitvoeren. Klanken uit die taal gaan herkend worden en dit ontwikkelt zich tot een gerichte geluidsproductie voor het kunnen communiceren in die moedertaal.


Concluderend kan gesteld worden dat in het eerste levensjaar het selectief luisteren de basis vormt voor de geluidscommunicatie door spraak en taal. Vanuit die basis groeit het herkennen van spraakklanken uit de taal die in de directe omgeving gesproken wordt. Dit betreft vooral ook de spraakmelodie als onderdeel van de prosodie. Deze ontwikkeling kan plaatsvinden door neuronale en motorische groeiprocessen die tot stand komen door interactie met omgeving. Risicokinderen onderscheiden zich al in dit stadium. Kinderen die later ernstige taalproblemen vertonen zouden meer en langer gehuild hebben en minimaal gebrabbeld hebben. Belangrijk is de intonatie in aanbiedingen van de moedertaal want als die er niet is blijkt er een stagnatie in de ontwikkeling te ontstaan. Als de baby slechthorend is leidt dit tot een eentonige strakke intonatielage stemgeving. Doofheid leidt tot een wegvallen van de spontaan begonnen brabbelperiode en daarmee tot een stagnatie van de spraaktaalontwikkeling. Het vroeg opsporen van een niet goed functionerend gehoor is dus van het grootste belang (zie Hfdst.8.2.3).


 


11.1.1.5(2). Het produceren van geluid en imiteren van spraakklanken in de prelinguale periode

Bij de geboorte kan de baby al direct geluid maken. Tervoort spreekt van de geboortekreet die vereist zou zijn om de aanwezigen gerust te stellen. Het eerste schreien van een baby zou nog geen teken van onbehagen zijn maar een fysiologische activiteit. Het wordt veroorzaakt door het dichtknijpen van de stemspleet in het strottenhoofd bij het uitademen. De eerste functie van het strottenhoofd is te voorkomen dat twee essentiële functies het ademen en drinken samen tot verslikken leiden. Later gaat het functioneren als spraakorgaan. Na een paar weken wordt het schreien krachtiger en gaat zich ontwikkelen tot een uiting van onbehagen en een vraag om troostende aandacht meestal door de moeder beantwoord. In een daarop volgend stadium wordt het schreien betekenisvoller. In perioden van rustig wakker liggen ontwikkelt zich dan het geluidjes maken. Als de baby dan huilt wordt er veelal haastig op gereageerd door de moeder of anderen uit de directe omgeving. De interactie groeit waarschijnlijk niet alleen door het aanraken met een sociale glimlach en het toespreken met woordjes met aangepaste melodie en klemtoon samen met melodiegebaren en mimiek. Ook de visuele waarneming blijkt een belangrijke bijdrage te leveren want baby’s met een gehoorsbeperking vertonen in deze fase van ontwikkeling nog geen achterstand en blinde baby’s wel.


In deze ontwikkelingsfase begint een eerste eenvoudige geluidsproductie met het oefenen van openen en sluiten van de stembanden die op het maken van spraakgeluiden gericht lijkt te zijn. Door zuigen wordt de articulatie musculatuur sterker en geleidelijk wordt daarbij het verhemelte minder plat en dus de doorgang naar neusholte nauwer en daarmee de vocalisatie minder nasaal. De moeder stimuleert door mee- en nadoen de spontane vocalisatie en er ontstaat een dialoogstructuur met beurtwisselingen en dit stimuleert het brabbelen in deze zogenaamde verzorgingstaal. De verzorgingstaal heeft een simpeler structuur maar verloopt zonder veel afwijkingen volgens de regels van de gesproken taal (is niet foutvol) en loopt parallel met de taalontwikkeling van het kleine kind. Deze verzorgingstaal bepaalt tot de leeftijd van ca 5 jaar sterk de taalontwikkeling van het jonge kind. De verzorgingstaal is dus een correcte inleiding op de gesproken taal maar er worden wel aparte woorden in gebruikt die verder niet voorkomen. De motoriek voor vocaliseren ontwikkelt zich tussen zes weken en vier maanden vooral door het spelen met de stem dat gehoord wordt als brabbelen en waarmee de baby het stemorgaan oefent.


Rond het begin van de vierde maand gaat de baby al iets van de geluiden die gehoord worden reproduceren. Het is verbazingwekkend dat de baby uit allerlei geluiden vanuit de omgeving bepaalde klankpatronen die iets gemeenschappelijks hebben weet te herkennen ook al worden ze door verschillende sprekers en dus met aanzienlijke variaties hoorbaar gemaakt.


Een hypothese is dat het allereerst gaat om het leren onderscheiden van aangeboden klanken met als resultaat het herkennen van elementaire spraakklanken, de fonemen. Die zouden dan onderscheiden kunnen worden en als zodanig in een eigen vakje worden opgeslagen in het geheugen. De neurologische- of de hersenstructuur daarvoor zou aangeboren zijn zoals Chomsky in zijn (in het voorgaande genoemde) LAD hypothese veronderstelt. Een opgevangen klankpatroon zou dan vergeleken worden met de al opgeslagen klankpatronen en zo volgens een soort waarschijnlijkheidsberekening in het meest passende vakje geplaatst en daarmee herkend en geduid worden. Hiermee zou dan een taalsysteem opgebouwd worden. De wisselwerking met personen uit de omgeving sturen het herkenningsproces door bevestiging of bijsturing van de gemaakte keus als die door imiteren voor de omgeving waarneembaar wordt. Opmerkelijk is dat een dergelijk proces bij alle kinderen in verschillende talen overeenkomstig functioneert. Dit proces zou werken zoals bij een lezer het herkennen van woorden in een onduidelijk geschreven brief. Niet alleen het geschrevene maar ook de context waarin dat staat wordt dan belangrijk bij het kiezen van welk woord het betreft en daarmee het toekennen van een betekenis. Geconstateerde uitvalsverschijnselen bij patiënten met hersenletsels geven steun aan deze werkhypothese.


Een andere benadering dan die van Chomsky presenteerde Tomasello (1995) waarbij hij wijst op de imiterende geluidsproductie van de ouders bij handelingen met het kindje. Bij vaste routines zoals bij eten en wassen worden bewegingen en geluiden gemaakt waarop het kindje reageert. De gebaren, bewegingen en geluidsklanken komen telkens weer voor bij de zelfde betekenisvolle situatie. Zodra het kind dan iets van die geluiden imiteert wordt daar vanuit de omgeving sturend op ingespeeld en zoveel mogelijk betekenis toegekend in die concrete situatie. Wanneer de ouders die reactie van het kind imiteren ontstaat er een interactie tussen het gedrag van het kindje en de sociale partner. Daardoor zou het steeds weer waargenomen geluid bij die handeling als het ware de taalontwikkeling tot stand doen komen. Het kindje heeft dan nog geen spraak maar in deze nonverbale periode ontstaat wel een verbondenheid tussen geluidspatronen en concrete situaties Dit proces wordt wel modeling genoemd (Schaerlaekens blz 52). Tomasello noemt dit “Parents create persons by treating babies intentionally”


Het kindje vertoont op zeer jonge leeftijd een verbazingwekkende drang om gehoorde klankpatronen te gaan nabootsen of imiteren. Dat geuite product wordt door de baby zelf dan weer kritisch vergeleken met het oorspronkelijk gehoorde. Zo is er in dit proces van ‘trial and error’ een sensori-motor-sensori mechanisme werkzaam om tot een klankpatroon te komen dat overeenstemt met dat uit de omgeving.


Met dit imiteren gaat de baby de goede articulatie leren waarbij dus auditieve impulsen (het horen van zichzelf) sturende invloed hebben op de motorelement (spieren). Zoals al in het voorgaande is aangegeven spelen de ouders hier veelal op in door de geluidjes van de baby op kinderlijke toon te herhalen waardoor een wisselwerking ontstaat. Dit heeft een bijsturende of corrigerende werking op de articulatie van de baby.


Rond de zesde maand gaat de baby hele brabbelmonologen voortbrengen. In deze fase zijn de brabbelgeluiden van alle baby’s overal nog soortgelijk. Geleidelijk gaat het brabbelen echter meer klanken van de taal uit de omgeving bevatten. Dit wordt de overgang naar het kanonisch brabbelen genoemd. Het is opvallend dat vooral emotioneel geladen klankpatronen als eerste worden geïmiteerd. Dit doet vermoeden dat de baby in deze ontwikkelingsfase al veel meer ‘verstaat’ dan het kan laten horen.


Het kindje gaat geluiden modificeren met intonatiesterkte en duur en toonhoogte en ritme kortom met de prosodische factoren. Zo komen door gevarieerde articulatiestanden in het stemorgaan klankgroepjes tot stand. Het variëren van de geluidsproductie begint achter in de mond maar verschuift geleidelijk meer naar voren in de mondholte. Dit kan ook want het geluid maken (vocaliseren) wordt beter te sturen doordat de tong niet meer de hele mondholte vult. Het zachte gehemelte kan inmiddels worden opgetrokken en het verhemelte heeft een meer gebogen vorm gekregen mede door het zuigen. Het kindje heeft de eerste tandjes en eet al wat vast voedsel. Door deze ontwikkelingen kunnen motorisch repeterende geluidsbewegingen gemaakt worden. Daar worden geleidelijk aan ook prosodische structuren bij gevoegd. De klank productie ontwikkelt zich zo naar geluidjes die als spraakklanken klinken (fonologie). De fonologie wordt actief en ontplooit zich. Geluidjes gaan geleidelijk meer op spraakklanken lijken en gaan ook gepaard met gebaren maar niet via het conventionele symboolsysteem dat de omgeving gebruikt in de gesproken taal.


Een taalgebruik vereist een spreker en een luisteraar en een gespreksonderwerp. De wederkerigheid tussen moeder en kind in dit proces van spraakontwikkeling neemt toe en rond zeven tot tien maanden raakt het kind hierop ingespeeld. In de communicatie neemt de verbale component toe. Het kind gaat geluiden produceren om de omgeving uit te dagen (initiatief tot gesprek, dialoog). De volwassene neemt vervolgens de uitingen van het kind over en vult die aan en zo groeit de monoloog naar een dialoog. Onder deze invloed van de omgeving komen er steeds meer geluidjes die lijken op de daar gesproken taal en andere daar niet bij passende geluidjes verdwijnen. In deze fase gaat een moedertaal als filter functioneren: spraakklanken en klankgroepen gaan herkend worden en meer of juist minder geproduceerd worden. Zo heeft onderzoek aangetoond dat Japanse kinderen het onderscheidingsvermogen tussen de L en de R verliezen wat bij Engels sprekende Japanners te horen is. Er is een begin van woord- en zinherkenning. De baby gaat zich richten op de speeltjes en maakt daarbij geluid (egocentrisch spelen) en gaat de ruimte verkennen.


Het is duidelijk geworden dat baby’s uitingen gaan begrijpen (omdat ze er correct op reageren) terwijl ze die uitingen zelf nog niet kunnen maken. Op deze leeftijd gaat zich iets ontwikkelen van betekenis toekennen aan klankreeksen en ook van gericht produceren van klankpatronen om iets duidelijk te maken wat te duiden is als een begin van woordvinding. Daarvoor moeten woordgrenzen herkend worden. Kennelijk bouwt het kind dan al een mentaal lexicon op. Dus op deze leeftijd van rond 10 maanden kunnen kinderen al segmenteren, woordgrenzen bepalen, fonemen herkennen en ook klemtoon, melodie, intonatie en pauzes kortom supra-segmentele aspecten (de prosodische factoren) onderkennen. In feite ligt hier het begin van de toepassing van de symbolische functie van spraak en gaat er een relatie tussen geluidsklank en voorwerp/persoon groeien. Anders gezegd: De geluidsproductie gaat betekenis krijgen op semantisch niveau


Het kindje gaat in deze leeftijdsfase geleidelijk interactieve spelletjes doen en maakt dus de stap van egocentrisch naar meer sociaal bezig zijn. Ook gaat het geleidelijk niet alles meer naar de mond brengen maar naar de correcte plek van het gebruiksvoorwerp. De lichaamsbewegingen, het oogcontact en de gebaren worden gebruikt naast het uiten van brabbelreeksen. Ouders communiceren in deze ontwikkelingsfase met aangepast taalgedrag. Het proces van imitatie is dus breder dan alleen het nabootsen van de geluidsproductie. Op allerlei gebieden geldt dat het nadoen direct of indirect de basis is van het leren gebruiken. Het overnemen van gedragingen van volwassenen als norm geldt als een absolute voorwaarde voor het begin van leren te functioneren in een sociale maatschappij.


De vraag kan gesteld worden hoe deze op verbale communicatie gerichte attitude ontstaat. Er zijn in de literatuur verschillende veronderstellingen te lezen. Zo zou het kind door het ervaren van de structuur van de aangeboden geluiden komen tot cognitieve patroonherkenning . In een andere benadering wordt gewezen op voorkennis van het kind dat leidt tot verder ontwikkelen van de taalverwerving. Deze laatste overweging heeft zeker een goede basis in de beschreven fase van de spraak- en taalontwikkeling want dat geeft aan dat het taalbegrip vóór loopt op de taalproductie. Vermeld wordt dat de passieve taal omvangrijker is dan actieve taalproductie en ook dat het imiteren van spraakklanken vóór loopt op het begrijpen van woorden.


Dit laatste betekent dat de vaardigheid om het gehoorde te imiteren, (door perceptief waarnemen) de motorische vaardigheid (het spreken) stimuleert maar dat daarbij de geproduceerde (geïmiteerde) klankpatronen nog niet gekoppeld zijn aan de geldende betekenis (semantische inhoud).


Deze opmerkelijke ontwikkeling leidt er toe dat de omgeving op een gegeven moment constateert dat het kindje het eerste woordje zegt. De leeftijd waarop deze gebeurtenis zich voltrekt wordt door diverse auteurs nogal verschillend aangegeven. Dat is niet zo verwonderlijk, want een eerste woordje is moeilijk te onderscheiden van andere brabbelgeluiden. Als een brabbelgeluid op een woordje lijkt is het de vraag of het kind er iets concreets mee heeft bedoeld of dat het een pure imitatie van een gehoord klankpatroon was. Ook is het nog mogelijk dat een klankpatroon is geproduceerd gekoppeld aan een bepaalde situatie zonder al een bredere toepassing die het woord wel heeft.


De eerste op een woord lijkende uitingen zijn te horen op een leeftijd van rond de negen à tien maanden. Het zijn dan herhaal geluiden zoals mama, papa, brr etc. Papa kan dan elke volwassen man betekenen. Een kleuter is in algemene zin geïnteresseerd in ordenen van dingen door de cognitieve ontwikkeling in die leeftijdsfase (autootjes worden in een rijtje gezet etc.). Het woordbegrip gaat zich ontwikkelen tussen zes en negen maanden. Redelijkerwijs mogen er drie voorwaarden gesteld worden om van een eerste woordje te kunnen spreken:


  1. Bij een herhaling moet het voortgebrachte geluid gelijk zijn, waarbij kleine variaties mogen voorkomen
  2. Dezelfde klankgroep moet steeds hetzelfde (voorwerp of persoon) benoemen
  3. De klankgroep (het woord) mag niet aan een bepaalde situatie gebonden zijn.

Een woord heeft in tegenstelling tot een brabbelgeluidje een inhoudelijke (semantische) betekenis. De overgang van het ene naar het andere is niet zo eenvoudig vast te stellen. Deze overgang is echter wel heel signalerend want daarmee wordt met een klanken combinatie een werkelijkheid opgeroepen. Een dergelijk proces vereist een planning en organisatie. Over het algemeen zal deze grens rond de eerste verjaardag gepasseerd worden.


Samenvattend kan geconcludeerd worden dat het eerste levensjaarjaar, dat misschien vanwege de nog zo onbevangen attitude van de baby wat onbetekenend moge lijken, voor de spraak- en taalverwerving van het allergrootste belang is. De basis van het gericht geluid gaan maken is het kunnen horen dat leidt tot selectief luisteren. Daardoor wordt het vaker voorkomen van bepaalde klankpatronen en prosodische kenmerken opgemerkt. Dit leidt tot het gaan imiteren van die klankpatronen. Die imiterende geluidsproductie nodigt de omgeving uit tot reactie en response en dat leidt tot een dialoog. Door deze wisselwerking groeit het kind naar klankvorming van woorden en het daaraan toekennen van de betekenis die de omgeving er aan verbonden heeft.


Deze ontwikkeling voltrekt zich deels door neuronale en motorische groeiprocessen, maar het proces wordt gedragen door interactie met omgeving. Zoals in het voorgaande besproken is gaat het brabbelen, tijdens de voortschrijdende ontwikkeling, de melodie of intonatie krijgen van de taal die in de directe omgeving wordt gesproken. Risicokinderen onderscheiden zich al in dit ontwikkelingsproces. Als de baby onvoldoende taal uit de omgeving hoort of daar onvoldoende op gericht is gaat zich een ernstige achterstand en daarmee een probleem ontwikkelen. Een ernstige mate van slechthorendheid kan in het eerste brabbelen leiden tot een eentonige strakke intonatie met lage stemgeving en vervolgens tot een afname van het brabbelen. Bij dove kinderen kan het brabbelen helemaal ophouden. Er zijn literatuur plaatsen die vermelden dat kinderen die op latere leeftijd ernstige problemen vertonen in de communicatie door middel van spraak wanneer zij als baby lang en veel gehuild en minimaal gebrabbeld zouden hebben. Van kinderen met kenmerken van autismespectrumstoornissen wordt wel aangegeven dat zij als baby weinig aandacht toonden voor contact met personen in de directe omgeving en dat zij brabbelden met een stereotiepe en hoge stem die soms hees of rauw klonk (Schaerlaekens blz. 96).


Omstreeks de eerste verjaardag zal het kind een stadium bereikt hebben waarin het langere brabbelreeksen met intonatie laat horen en zinvol reageert op enkele verbale boodschappen. Ook zal het actief deelnemen aan eenvoudige interactieve spelcontacten. Als dit het geval is mogen de ouders gerust zijn over het verloop van de spraak- en taalontwikkeling, ook al hebben ze nog geen eerste woordje gehoord.


 


11.1.1.6(2). Vroeglinguale periode: 1 tot 2½ jaar

Zoals besproken in het voorgaande is rond de eerste verjaardag (tegen het einde van de prelinguale periode) in een goed verlopende spraak- en taalontwikkeling het produceren van spraakklanken in volle gang. Het gaan toekennen van betekenis aan de gehoorde en geïmiteerde klanken moet zich nog wel ontwikkelen (semantiek). Er zal al een begin van intonatie - melodie (prosodie) waar te nemen zijn in het gebrabbel.


In de nu volgende fase komt een gerichte betekenistoekenning aan de geproduceerde geluidjes tot stand. Anders gezegd: In deze leeftijdsperiode van één tot 2½ jaar gaat het brabbelen over in betekenisvol taalgebruik. Het kindje gaat woordjes zeggen. Als een volwassene met één enkel woord iets zegt, dus als het ware een éénwoordzin spreekt, dan is de intonatie ervan bepalend voor de betekenis. Dus de melodie waarmee het woord wordt uitgesproken is bepalend voor de boodschap die er mee overgedragen wordt. Bij een korte mededeling neemt de toonhoogte af, bij een korte vraag gaat de toonhoogte omhoog en bij een waarschuwing blijft de toonhoogte gelijk.


Het gemiddelde goedhorende kind kan rond het eerste levensjaar met de intonatie van een klankpatroon een bedoeling aangeven. Tervoort stelt dat in een dergelijke situatie geconstateerd kan worden dat het kind een éénwoordzin gesproken heeft. Een met intonatie gebrabbeld woordje is in die benadering dus een éénwoordzinnetje. De intonatie is daarbij een heel wezenlijk onderdeel van het taalgebruik. Het kind zal bij het opbouwen van het eigen taalsysteem die intonatie leren gebruiken.


De leeftijd waarop de overgang van brabbelen naar éénwoord zinnen gemaakt wordt kan vrij sterk verschillen. Hierbij zijn verschillende factoren van invloed. Vaak kan men zien dat bij een kind in een fase van een duidelijke ontwikkelingsgroei op bepaald gebied (bijvoorbeeld motoriek) de ontwikkeling op een ander gebied wat weinig voortgang heeft. Dit kan de spreiding, in maanden, van markeerpunten in de ontwikkeling veroorzaken. Gemiddeld zal een kind rond het eerste levensjaar de eerste woordjes gaan zeggen maar een uitstel van dit gebeuren hoeft beslist geen aanwijzing te zijn voor een achterstand in taalontwikkeling of van verminderde intelligentie. Het kind moet rijp zijn voor het maken van deze stap en zowel het aanbod alsook het inspelen vanuit de omgeving zijn daarbij van invloed. Rond de leeftijd van één jaar gaat het kind wijsgebaren maken om aandacht te trekken en begint het iets te benoemen en/of door intonatie te vragen of de benoeming juist is. Dit nodigt uit tot een dialoog.


Om woorden te kunnen zeggen moeten de verschillende spraakklanken (fonemen) op de juiste manier geproduceerd worden. Het articuleren van deze klanken vereist een goede motoriek. Deze moet door het vergelijken van de eigen geluidsproductie met die vanuit de omgeving ontwikkeld worden. Hiervoor is uiteraard een goed functionerend gehoor vereist. Deze vergelijking van het eigengeluid met dat van het geïmiteerde geluidspatroon kan bijvoorbeeld plaatsvinden tijdens plaatjes kijken in eenvoudige boekjes en het benoemen van dieren en dagelijkse voorwerpen. Op deze wijze wordt het imiteren en leren van namen van dieren gestimuleerd en daarmee het uitbreiden van het vocabulaire. Bij niet helemaal goed benoemen wordt dan niet zo zeer gecorrigeerd maar eerder het juiste woord nadrukkelijk herhaald.


Geleidelijk zal het aantal woordjes dat gezegd wordt toenemen. Een aantal onderzoeken vermeldt een gemiddelde groei waarvan de getallen wel verschillen (zie Schaerlaekens blz 108 e.v.). Er zijn publicaties die vermelden dat bij kinderen van rond tien maanden de passieve taal ongeveer 50 woorden groot is. Het aantal woorden dat zij zelf produceren zou dan tussen 0 en 20 liggen. Volgens andere auteurs zou dit bij een leeftijd van 13 maanden gemiddeld rond 13 woordjes liggen. Weer andere auteurs hebben mogelijk kinderen gezien na een ontwikkelingsspurt waardoor het begrijpen van taaluitingen sterk toe kon nemen. Zij vermelden op grond van observaties dat een kind van 14 maanden al rond de 100 woordjes kan zeggen. Weer andere onderzoekers echter komen met gegevens dat op tweejarige leeftijd gemiddeld 50 woordjes gesproken worden. Er lijkt dus een grote variatie te zijn. Men dient hierbij echter te bedenken dat het gehanteerde criterium, of een uiting al of niet een woordje is, grote invloed heeft op het telresultaat. De ontwikkeling van het desbetreffende kind is uiteraard een belangrijke factor evenals de ondersteunende interactie met de omgeving. Ouders praten in die situaties vaak tegen het kindje met een hogere stem en eenvoudig taalaanbod en ook met wat overdreven articulatie en intonatie in een langzaam tempo. Daarbij wordt het gezicht tijdens het spreken goed in het gezichtsveld van het kindje gehouden. Op deze wijze krijgt het kind directe informatie en wordt de productie van spraakklanken gestimuleerd.


De fonologische processen verlopen overeenkomstig in verschillende talen. Er is een tendens dat de consonanten aan het begin van een woord in de geluidjes van het kind het eerst te herkennen zijn. Daarbij komen fonemen die vóór in de mond gevormd worden eerder tot stand dan die achter in de mond gearticuleerd worden. Dus eerder de /p/ van papa en later de /k/ van koe. De consonanten aan het eind van een woord worden in eerste instantie nog vaak weggelaten, die articulatie komt weer wat later tot stand. Niet alle medeklinkers worden meteen op de goede plaats gearticuleerd waardoor verkeerde fonemen worden geproduceerd. Dit blijkt meestal een foute verschuiving van achter in de mond naar voren (/k/ - /t/) te zijn. Ook worden fricatieven als explosieven uitgesproken: /soep/ wordt /toep/ en glijders als /l/ en /r/ worden als halfklinkers /w/ en /j/ uitgesproken. De lipsluiting is geen probleem, maar de productie van de /s/ en de /r/ is moeilijker.


Over het algemeen blijken de bilabialen /b/, /p/ en /m/ gemakkelijker te articuleren dan /d/, /t/, /n/ en /s/. Ook klinkers die voor in de mond worden geproduceerd komen dan relatief vaak voor. In de spraakontwikkeling gaat de klankvorming gecombineerd worden met syllaben in de vorm van dupliceren. Eigenlijk is vroeg in de ontwikkeling in het brabbelen al een vorm van klankgroepjes met syllabe structuur te ontdekken. Als klankpatronen worden dan vaak korte herhalingen geproduceerd zoals papa, mama, pief-paf-poef en tiktak. Ook worden klanknabootsende woorden gebruikt (‘onomatopeeën’) zoals mauwmauw, wafwaf, koekoek.


Kinderen zijn gevoelig voor ritme en prosodie, daardoor worden niet beklemtoonde delen van een woord het eerste weggelaten maar soms kan er ook iets toegevoegd worden. Er is in de spraak- en taalontwikkeling in dit stadium een duidelijk verschil tussen kinderen waar te nemen. Sommigen gaan systematisch eerst enkele fonologische voorkeuren oefenen en dan vervolgens weer andere inoefenen. Andere kinderen gaan meer willekeurig te werk.


Het zeggen van losse woordjes wordt gevolgd door het zeggen van twee woordjes na elkaar, dus het praten in primitieve zinnetjes. De overgang van uitingen in éénwoord zinnen naar meer woord zinnen ligt rond de leeftijd van anderhalf jaar. Ongeveer 95% van de Nederlandse kinderen zou rond de leeftijd van 18 maanden tweewoord combinaties maken. De eerste serie woordjes hebben dan betrekking op voorwerpen uit het dagelijks leven. Veelal gaat het dan om een combinatie van wijzen en iets zeggen over een voorwerp met het aangeven van een eigenschap: bijvoorbeeld kachel-warm .


In de leeftijd tussen 15 en 20 maanden, dus voor de tweede verjaardag, kunnen kinderen de klinkers en de meeste medeklinkers al goed uitspreken. Ze gaan dan tijdens hun spel met geluid spelen (rond twee jaar en enkele maanden).


Samenvattend:
In vroeg linguale periode (1;0 tot 2;6 jaar) heeft een belangrijke ontwikkeling plaats. De willekeurige geluidsproductie krijgt structuur. Hierin worden geluiden die in de omgeving gemaakt worden nagedaan. Dan wordt opgemerkt dat bepaalde geluiden een verband hebben met personen, voorwerpen of situaties. Vervolgens wordt ontdekt dat door een bepaald geluid te produceren steeds de zelfde persoon of situatie kan worden opgeroepen. Het beginsel van de geluidscommunicatie door taal is ontdekt. De geluidscommunicatie met de personen uit de omgeving scherpt het netjes produceren van de klankgroepen.


 


11.1.1.7(2) Verrijkings- of differentiatiefase 2½ tot 5 jaar

In het voorgaande deel is besproken dat de structuur die het door het kind gemaakte geluid in de eerste levensmaanden al begon te krijgen verder is uitgebouwd in de dan volgende vroeglinguale periode. In de praktijk blijkt dat in de geluidsproductie, die aanvankelijk ook eigen gemaakte klankvormen en klankherhalingen (echolalieën) bevatte, zo rond de tweede verjaardag steeds meer klankpatronen uit de omgeving te horen zijn.


De korte zinnetjes worden vollediger en gaan steeds meer voldoen aan de regels (de grammatica) van de taal die in de directe omgeving wordt gesproken. Het tempo waarin deze ontwikkeling verloopt kan per kind sterk verschillen en dat kan soms wel stormachtig zijn. In het begin van deze verrijkingsperiode worden nog ontbrekende fonemen verworven. Het kan dan gebeuren dat een kind in plaats van walvis balvis zegt en als de vader dat dan net zo nazegt wordt het kind boos en zegt: ‘Nee niet balvis, maar balvis’. Kortom het kind hoort dat de vader het woord niet zo zegt als het in het taalcentrum van het kind is opgeslagen, maar hoort niet dat de eigen uiting daar ook niet aan voldoet. Het kind kan dus een verschil horen maar is niet in staat het zelf goed uit te spreken en hoort dat niet. Het hoort als het ware zijn bedoeling en niet zijn klankpatroon.


In deze fase groeit ook de kennis van de betekenis van woorden. In eerste instantie wordt wel ongeveer aangevoeld wat met een woord wordt bedoeld maar de betekenis is nog niet scherp omlijnd. Geleidelijk wordt de bandbreedte van de toegekende betekenis kleiner de woordenschat groter en daarmee de woordkeuze scherper.


Het aantal woorden dat actief gebruikt wordt op driejarige leeftijd wordt geschat tussen 900 en 1500. Dat is bij 5 jarigen gegroeid naar 2100 tot 2500. Deze groei komt ook tot stand door de contacten met andere kinderen, met name in de (kleuter)school omgeving. Ook kinderprogramma’s op de TV hebben hier een grote invloed. De woordenschat breidt zich geleidelijk ook uit met woorden die geen sterke relatie hebben met de directe leefwereld zoals wel het geval is met de eerste woordjes. In die fase ging het nog om het direct waarneembare of voelbare.


In dit latere stadium komen ook meer abstracte woorden in het vocabulaire. Het kind gaat naar betekenissen vragen en probeert het woord goed te gebruiken. Ook de zinnen groeien van telegramstijl naar een grotere lengte en een meer grammaticale vorm waarin de goede werkwoordsvormen (vervoegingen) een periode lang nog moeilijk blijven: de morfologie is nog zwak tot een leeftijd van drie tot vier jaar. Onregelmatigheden in de taal van de omgeving veroorzaken moeilijkheden. Als een werkwoord als hopen vervoegd wordt als hopen hoopte gehoopt waarom dan niet kopen koopte gekoopt en lopen loopte geloopt. Uit het maken van deze fouten blijkt dat het kind creatief is en probeert het geleerde breder toe te passen. Een kind van ongeveer drie jaar gaat bij zijn spel of voor het inslapen (bij voorkeur als er geen anderen bij zijn) praten. Dit is als oefening te zien om het geleerde zich verder eigen te maken en in te passen in zijn taaleigen (grammatica). Overdag gaat het kind zich meer op de omgeving richten, het gaat meer taaluitingen uitproberen en toetst daarmee of die goed zijn. Dit impliceert dat het kind zich bewust is dat het fouten kan maken. Dit proces kan de oorzaak zijn van wat aarzelend praten en zoeken naar woorden, zeker als het wat emotionele situaties betreft.


 


11.1.1.8(2). Voltooiingsfase 5 tot 10 jaar

Het kind kan op de leeftijd van vijf jaar alle klanken van de gebruikte taal produceren. De algemene basisregels van die moedertaal zijn geleerd, maar in die taal zijn meer regels dan die basisregels. Die moeten in de grammatica van het kind nog een plaats krijgen. Het is een verbazingwekkende prestatie dat zo’n jong kind de basis van de moedertaal al beheerst. Dit heeft wel een schaduwzijde namelijk dat vanaf deze ontwikkelingsfase een andere taal niet meer zo gemakkelijk kan worden geleerd. Was het op jongere leeftijd nog zo dat het kind tegelijkertijd twee talen zich als moedertaal eigen kon maken, dat stadium gaat nu voorbij. De ontwikkeling van de moedertaal is weliswaar nog niet voltooid maar de basis is stevig gelegd. Wat nog ontwikkeld moet worden zijn de afwijkingen van grammaticale hoofdregels. Eén van die regels is dat het onderwerp van een zin meestal vooraan staat. Een vijfjarige verwacht dat dan ook. Echter het onderwerp kan in tweede instantie geplaatst zijn. Deze vorm wordt niet zo vaak gebruikt en valt in de categorie moeilijker grammaticale constructies. Een voorbeeld is een zin als: ‘Jan werd door Piet geslagen’. Het is dan voor jonge kinderen nog niet direct duidelijk dat niet Jan maar Piet slaat. De kennis en toepassing van de grammatica regels van het kind breidt zich in deze ontwikkelingsfase verder uit. In het praten van het kind zijn nog morfologie-fouten te horen in meervouden en werkwoordvormen (vervoegingen). Door het toenemende taalgebruik neemt het aantal fouten geleidelijk af.


Het communiceren over abstracte relaties moet zich ook nog verder ontwikkelen. Woorden met tegenstellingen zoals tenzij en ondanks hebben bij jonge kinderen nog niet een plaats in het vocabulaire. Bij het ouder worden gaat het kind de taal beter spreken en langere zinnen vormen. De kortere zinnen blijven wel in gebruik maar het kost minder inspanning om ook langere zinnen te maken. De betekenis van woorden wordt scherper zodat trefzekerder kan worden geformuleerd. Er ontstaat een flexibele uitingsvorm met meer variatie van gebruikte constructies. Deze ontwikkeling wordt gestimuleerd door het op school gaan en door het gaan lezen van geschreven zinnen. Het vertellen in de klas aan mede leerlingen over voorvallen of ervaringen is een heel sterke groeifactor in deze ontwikkelingsfase. Niet alleen het creatief formuleren wordt daarmee gestimuleerd maar in deze opzet wordt het kind van luisteraar de spreker. Nu moeten de toehoorders geboeid blijven luisteren door de manier van spreken. Het te vertellen verhaal moet darvoor in een goede volgorde gepresenteerd worden. Dit vereist een overzicht van de inhoud van het verhaal en het kunnen plannen van de volgorde waarin de onderdelen van het verhaal worden verteld.


 


11.1.1.9(2). Signalering van stoornissen in de spraak- taalontwikkeling

In dit hoofdstuk is globaal geschetst hoe de spraak- en taalontwikkeling van een gezond kind kan verlopen. Daarbij is bij herhaling aangegeven dat de onderscheiden fasen in die ontwikkeling per kind in verschillende leeftijdperioden kunnen verlopen. De vraag kan opkomen wanneer dan eigenlijk van een achterstand gesproken kan worden en het inschakelen van extra aandacht geïndiceerd is. Aan deze vraag is in het boek ‘Klinische stem- spraak- en taalpathologie’ nadrukkelijk aandacht besteed. Daarbij wordt er op gewezen dat er tussen kinderen grote verschillen in het verloop van deze ontwikkeling kunnen zijn. Belangrijk is te weten of ouders zich over deze ontwikkeling zorgen maken. Bij ongerustheid van hen dient er aandacht aanbesteed te worden. Echter als zij niet zo bezorgd zijn, terwijl andere personen die het kind kennen dat wel zijn dient een signalering ook serieus genomen te worden. Eigenlijk zou van elk jonge kind de spraak- en taalontwikkeling met een standaard onderzoek beoordeeld moeten worden. Dan is het nuttig als de ouders of de externe beoordelaar een maatstaf heeft om de ontwikkeling van het kind daar aan te toetsen. Op grond van brede ervaring is de ‘Groninger Minimum Spreeknormen Lijst’ tot stand gekomen zoals die hieronder is weergegeven. De ouders kunnen over de aan de orde gestelde punten hun mening geven en dat antwoord kan dan vergeleken worden met wat een kind op de desbetreffende leeftijd toch wel minimaal moet kunnen produceren aan geluid en spraak- en taaluitingen.


Betreffende deze Minimum Spreeknormen Lijst en het screeningsinstrument SNEL (zie bijlage 1) wordt in het bovengenoemd handboek ‘Klinische stem- spraak- en taalpathologie’ een compacte toelichting gegeven:


  • Op een leeftijd van 1 jaar moet het kind wél veel en gevarieerd brabbelen. De variaties kunnen dan zowel het klankpatroon als de melodie betreffen. Naast orale klanken kunnen ook veel nasale geluiden voorkomen.
  • Op 1½ jarige leeftijd moeten naast papa en mama toch wel enkele andere woordjes gesproken worden. Die mogen wat vorm betreft nog wel onvolledig zijn. Voorbeelden worden genoemd taat (paard), pa-pu (paraplu) en tuste (welterusten).
  • Met 2 jaar moet er gecommuniceerd kunnen worden in tweewoorduitingen. Vaak zal de woordopbouw nog onvolledig zijn. Voorbeelden: fieze buite (ik wil buiten fietsen).
  • Met 3 jaar moet het spreken gaan in drie- tot vijfwoord uitingen. De grammaticale structuur mag dan nog wel afwijken van de manier waarop volwassenen formuleren. Voorbeeld: ik is recht bij de wei hardgeloopt, ikke (ik heb langs het weiland gerend).
  • Op 4 jarige leeftijd moet het kind wel in eenvoudige enkelvoudige zinnetjes kunnen praten waarin al meer grammaticale structuur aanwezig is. Echter vervoegingen en verbuigingen van werkwoorden is moeilijk en gaan nog vaak fout. Ook kunnen spraakklanken in een woord toegevoegd of weggelaten worden. De verstaanbaarheid van de spraak is voor buitenstaanders tussen de 75 tot 90%.
  • Op een leeftijd van 5 jaar moet het kind kunnen spreken in redelijk goed gevormde en samengestelde zinnen. Wel is het taalgebruik meestal nog concreet met een verstaanbaarheid voor buitenstaanders van 90%. Voorbeeld: en toen gingen we varen met de boot want anders kan je niet op Terschelling van vakantie.

De Groninger Minimum Spreeknormen Lijst is ontwikkeld om externe beoordelaars te helpen zich een mening te vormen over de spraak- en taalontwikkeling van het aan hen gepresenteerde kind. Het instrument is echter ook nuttig voor ouders die twijfels hebben over die ontwikkeling van hun kindje. Immers uit wat in dit hoofdstuk is besproken moge duidelijk zijn dat de spraak- en taalontwikkeling al op zeer jonge leeftijd begint en dat die vroege start niet kan stagneren zonder dat het ernstige problemen veroorzaakt in de communicatie door middel van spraak en taal op latere leeftijd.


Met een recent onderzoek gericht op taalproblemen bij jonge kinderen heeft Keegstra algemeen aangenomen veronderstellingen getoetst. Daarbij blijkt dat er duidelijk verschil gemaakt moet worden tussen kinderen met achterstand ten gevolge van onvoldoende aanbod van Nederlandse taal en kinderen met onvoldoende taalontwikkeling. Op grond van de uitkomsten van dit onderzoek zijn de Gereviseerde Minimum Spreeknormen geformuleerd als aangegeven in bijlage 2.


Uit het voorgaande zal duidelijk zijn dat in de spraaktaalontwikkeling een aantal verschuillende factoren een belangrijk onderdeel vormen. In het op spraak- en taalontwikkeling gerichte onderzoek binnen de Audiologische Centra wordt de beoordeling geformuleerd door scores op vijf verschillende assen. Dat zijn:


- Taal en spraak, met als aandachtspunten:

    Spraakproductie,
    Auditieve vaardigheden,
    Grammaticale kennisontwikkeling, receptief en productief
    Lexicaal-semantische kennisontwikkeling, receptief en productief
    Pragmatiek

- Gedrag, met als aandachtspunten:

    Gedragsproblemen
    Autistisch spectrum
    Aandachts- en concentratie spectrum
    Oppositioneel gedrag
    Emotionele problematiek

- Cognitie, met als aandachtspunten

    Intelligentie (niet-verbaal / performaal
    Verschil niet-verbaal versus verbaal IQ

- Gezondheid / Medisch, met als aandachtspunten:

    Gehoor
    (Senso)Motoriek
    Overige medische aspecten

- Pedagogisch, met als aandachtspunten:

    Anders-, twee- of meertalig taalaanbod
    Stressfactoren


De karakterisering van spraak- en taalproblematiek in deze Multi-Axiale Clasificatie is bedoeld om inzicht te krijgen in de populatie taal- en spraakgestoorde kinderen. Het is een inventarisatie na de eerste Multidisciplinaire Diagnostiek. Voor het scoren van de eigenschappen en het ontwikkelingsniveau van een kind op elk van de vijf assen zijn gerichte tests aangegeven. Het valt buiten de scope van dit hoofdstuk om daar nader op in te gaan.

 


Bijlage 1: GRONINGER MINIMUM SPREEKNORMEN LIJST (Goorhuis-Brouwer)


0 - 1 jaar
Huilen, lachen en kraaien
Spelen met de stem, lippen, tong en gehemelte (voorbeelden: ‘ah’, ‘eh’)
Luisteren naar de stem van mama en kijken naar haar mond
Brabbelpatroontjes worden steeds langer en ingewikkelder (voorbeelden: ‘baba’, ‘dadada’).


1 jaar
Veel en gevarieerd brabbelen
De klanken zijn afhankelijk van de voorkeur voor het bewegen van de lippen, tong of het gehemelte.
Brabbelen wordt steeds meer een manier om contact te maken.


1 ½ jaar
Het kind kent tenminste 5 woordjes (voorbeelden: ‘mama’, ‘papa’ , ‘eten’, …).
De woordopbouw is nog onvolledig (voorbeelden: ‘paard’ = ‘taat’, ‘paraplu’ = ‘papu’).
De verschillende klanken kunnen nog ‘neuzig’ zijn. Zowel orale als nasale klanken komen voor.


2 jaar
Het kind spreekt in zinnen van twee woordjes (voorbeelden: ‘koek hebben’, ‘poes ook’, …).
De woordopbouw is vaak onvolledig (voorbeelden: ‘stoel’ = ‘toe’, ‘boterham’ = ‘bopam’).
Verschillende klanken kunnen nog ‘neuzig’ zijn. Zowel orale als nasale klanken komen voor.
Hiernaast gebruikt het kind brabbels en éénwoorduitingen.


3 jaar
Het kind spreekt in zinnetjes van drie tot vijf woorden.
Deze zinnetjes hebben nog weinig grammaticale structuur. De opbouw van de zinnetjes wijkt nog sterk af van die van volwassenen.
Opvallende nasaliteit is nu meestal verdwenen. De ‘neuzige’ klanken komen nu meestal niet meer voor.
50% tot 70% van wat het kind op deze leeftijd zegt, is verstaanbaar voor anderen.


4 jaar
Het kind spreekt in enkelvoudige zinnetjes.
De zinsbouw is al beter maar er zijn vaak nog problemen met het meervoud en de vervoegingen van het werkwoord.
75% tot 90% van wat het kind zegt, is voor anderen verstaanbaar. Bij 'verstaanbaarheid' moet u vooral denken aan het helder en duidelijk uitspreken van woorden.


5 jaar


Het kind gebruikt nu goedgevormde, ook samengestelde zinnen.


De zinslengte en woordvolgorde gaan steeds meer lijken op de taal van volwassenen, maar het taalgebruik is vaak nog concreet.


Meer dan 90% wat het kind zegt, is verstaanbaar.


Bijlage 2: Gereviseerde Minimum Spreeknormen (dissertatie van A.L. Keegstra)


Leeftijd GMS
12-18 maanden Begrijpt opdrachtjes met twee woorden
Kan een of meer lichaamsdelen aanwijzen Veel en gevarieerd brabbelen met af en toe een herkenbaar woord
18 – 24 maanden 5 – 10 woordjes
2;0 – 2;6 jaar Begrijpt zinnetjes van drie woorden
Tweewoorduitingen; woordopbouw nog onvolledig
2;6 – 3;0 jaar Driewoorduitingen; woordopbouw nog onvolledig
3;0 – 3;6 jaar Drie tot vijfwoord uitingen
Ongeveer de helft is verstaanbaar
3;6 – 4;0 jaar Vertelt spontaan wel eens een verhaaltje
50 – 70% verstaanbaar
4;0 – 5;6 jaar Kan een verhaaltje navertellen aan de hand van plaatjes
Enkelvoudige zinnen; problemen met meervoudsvormen en vervoegingen
75 – 90% verstaanbaar
>5;6 jaar Goed gevormde, ook samengestelde zinnen
Goed verstaanbaar
Concreet taalgebruik

 

Literatuur


FENAC

    MAC-AC, Multi-Axiale Classificatie op Audiologische Centra
    (Diagnostiek van Spraak- en Taalontwikkelingsstoornissen.)

Keegstra AL:

    Language problems in young Children, general assumptions investigated.

Oldfield RC en J.C. Marshall (Eds.):

    Language: Selected Readings. Harmondsworth: Penguin Books, 1968.

Schaerlaekens A:

    De taalontwikkeling van het kind. Noordhoff Uitgevers B.V., 2008

Schutte HK en Goorhuis-Brouwer SM:

    Handboek klinische stem-, spraak- en taalpathologie - De medische en pedagogisch-psychologische achtergronden van stem- en spreekgedrag. Acco, Amersfoort, 1992

Tervoort BTh:

    Psycholinguïstiek. Aula 481. Het spectrum Utrecht/Antwerpen

Wikipedia de Vrije Encyclopedie:

    Taalverwerving.

© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie