Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 11.1.2(2). Diagnostiek bij spraak- en taalstoornissen - Informatie voor audiologen
 Auteur: Trudi de Koning en Pieter Lamoré
 Revisie: december 2017

Drs. Trudi de Koning is klinisch linguïst UMC Utrecht, Functiecentrum KNO); Trudi de Koning is verantwoordelijk  voor de inhoud van het hoofdstuk en dr. Pieter Lamoré (audioloog) voor de vormgeving. Commentaar is gegeven door drs. Esther Carrión, orthopedagoog, Auris). De boxjes aan het eind van het hoofdstuk verwijzen naar het schema in hoofdstuk 11.1.2b. De combinatie van het schema met de boxjes is ook afzonderlijk te bekijken in hoofdstuk 11.1.2b. In de nabije toekomst zal het hoofdstuk nog van een aantal aanvullingen worden voorzien.

Inhoud:

11.1.2.1(2). Inleiding

11.1.2.2(2). Onderzoeken naar de taal/spraakontwikkeling - Indeling van de aspecten

11.1.2.3(2). Omschrijving van de te onderzoeken taalaspecten

11.1.2.4(2). Beschikbare taaltests

11.1.2.5(2). Indeling van de taaltests volgens de vijf taalaspecten A1 - A5

11.1.2.6(2). Ordening van de tests naar taalaspect en leeftijd

 

11.1.1.1(2) Inleiding

Sinds de jaren 90 van de vorige eeuw hebben de AC’s een steeds belangrijker taak gekregen in de spraak-en taaldiagnostiek bij kinderen. Huisartsen en jeugdartsen van consultatiebureaus verwijzen kinderen met (een vermoeden van) een stoornis in de spraak-en taalontwikkeling naar een AC volgens de Handreiking Uniforme signalering van taalachterstanden. Maar ook logopedisten verwijzen via een huisarts kinderen naar een AC wanneer hun behandeling onvoldoende effect heeft. Op de AC’s wordt gewerkt volgens het KITS-2 protocol (FENAC, 2005) waarin multidisciplinaire diagnostiek centraal staat. Behalve naar het gehoor wordt gekeken naar de aard en de ernst van mogelijke spraak-en taalontwikkelingsstoornissen via een taalonderzoek (logopedisch, linguïstisch). Indien nodig wordt een ontwikkelingsonderzoek (naar intelligentie en gedrag) verricht.


Dit hoofdstuk gaat over de taaltests die gebruikt worden in de logopedische en linguïstische onderzoeken. Taaltests hanteren eigen indelingsmodellen.  Zo had de Taaltest voor Kinderen die van 1980 tot 2010 werd gebruikt, als belangrijkste taalcomponenten: 'fonologie', 'semantiek', 'morfologie', 'syntaxis' en pragmatiek. Deze aspecten werden onderzocht in het actieve en het passieve domein. Het accent in deze onderzoeken lag op drie taalgebieden: taalvorm, taalinhoud en taalgebruik. Het detecteren van een eventuele discrepantie tussen taalbegrip en taalproductie was een belangrijk aandachtspunt, er van uitgaande dat bij kinderen met een specifieke stoornis in de taalontwikkeling het taalbegrip vaak vooruitloopt op taalproductie.


In de periode na 2000 zijn er een aantal veranderingen in de opzet van de onderzoeken opgetreden, mede omdat een aantal test verouderde of de normering, na 20 jaar, niet meer bruikbaar was. Verder zijn er in toenemend mate, naast logopedisten, klinisch linguïsten en spraak-taalpathologen met expertise op het gebied van analysemethoden van de spontane taal op de AC's gaan werken. Aan het onderwerp 'Spontane Taal' wordt in dit hoofdstuk slechts beperkt aandacht gegeven.


Rond 2000 kwam er, onder invloed van het gebruik van de indicatiecriteria voor het Cluster 2- onderwijs (kinderen met een auditieve en/of communicatieve handicap) een model voor taalonderzoek centraal te staan dat bestond uit vijf taalaspecten:


A1 Spraakproductie

A2 Auditieve vaardigheden

A3 Grammatica(zinsbouw en woordstructuur)

A4 Lexicon-semantiek (woorden en taalbegrip)

A5 Pragmatiek (gebruik van taal in sociale context).


Dit model met deze vijf taalaspecten werd in Nederland rond 2001 het ‘componenten model van Bishop’ genoemd. De hypothese was dat deze taalaspecten de basis vormen voor de verschillende typen taalontwikkelingsstoornissen bij kinderen.


Het voorliggende hoofdstuk heeft als doel te beschrijven:


  1. Welke taalaspecten onderzocht worden tijdens een logopedisch of een linguïstisch onderzoek

  2. Welke taaltests en methodes voor taalanalyse en observatie vooral worden gebruikt


Voor de te bespreken logopedische onderzoeken worden bij voorkeur genormeerde en COTAN-goedgekeurde tests gebruikt. Wij zullen de taaltests bespreken die momenteel het meest gebruikt worden in de AC’s(zie Par.4).


De verschillende taalaspecten en tests worden aan het eind van dit hoofdstuk, in onderling verband en geordend volgens leeftijd, geplaatst in een schema. De bespreking van deze onderwerpen en de vormgeving van het schema zijn er op gericht de audiologische lezer een oriëntatie te bieden bij overleggen over kinderen met taalontwikkelingsstoornissen (TOS). Het is niet onze bedoeling hier een nieuw of aangepast taalmodel te bieden. Ook behandelingsmethoden worden niet besproken.


Een veel uitgebreider (maar ook veel gedetailleerder overzicht van tests is te vinden in de testwijzers 'Overzicht diagnostisch Instrumentarium spraak-taalonderzoek, Kentalis mei 2014 (zie R. Crielaard@Kentalis.nl en E.Hofdstede@Kentalis.nl).


Literatuur


  1. Van Daal, J.,Verhoeven, L, & van Balkom, H. (2004). Subtypes of severe speech and language impairments: psychometric evidence from four-year old children in the Netherlands. Journal of Speech, Language and Hearing Research, 47 (6), 1-14.

  2. Van Weerdenburg, M., Verhoeven, L., & van Balkom, H. (2006). Towards a typology of specific language impairment. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 47,176-189.

  3. Gerrits E. (Ed.). Handboek Taalontwikkelingsstoornissen. Coutinho, 2017.

  4. JGZ-handreiking ‘Uniforme signalering van taalachterstanden bij jonge kinderen’.

 


11.1.2.2(2). Onderzoeken naar de taal/spraakontwikkeling- Indeling van de aspecten

De taalaspecten die hierna aan de orde zullen komen zijn de volgende:


  • Concentratie en luisterhouding (auditief en visueel)
  • A1 - Spraakproductie en gebruik van fonologische regels
  • A2 - Auditieve vaardigheden
  • A3 - Grammatica: morfologie/syntaxis (woordstructuren zinsbouw)
  • A4 - Lexicon (woordenschat) en semantiek (woord- en taalbegrip)
  • A5 - Pragmatiek (gebruiken van taal in sociale context) + communicatieve intenties.

Ter toelichting de volgende opmerkingen:


  • Het aspect ‘Concentratie en luisterhouding’ is van toepassing op de pre- en vroeg verbale fase en staat enigszins los van de indeling in de aspecten A1 – A5
  • De aspecten A1, A2 en A5 worden in het vervolg van dit hoofdstuk opgesplitst in deelaspecten
  • Wat betreft de ‘Auditieve vaardigheden’ hebben we ervoor gekozen een splitsing aan te brengen tussen auditieve aspecten die in de ‘sfeer van de voorwaarden’ vallen  (in te delen bij ‘Pre- en vroegverbaal’) en functies die gebruikt worden bij het herkennen van taal en spraak; deze laatste staan bij A2
  • De communicatieve intenties zijn ingedeeld bij A5 (Pragmatiek) en krijgen in het uiteindelijke schema een plaats bij ‘Pre- en vroegverbaal’

De meeste aspecten hebben een receptieve (R) en een productieve component (P). De indeling van de taalaspecten wordt dan als volgt:


VOORWAARDEN Receptief Productief
Concentratie en luisterhouding (auditief en visueel)
FUNCTIES
A1-1 Spraakproductie (algemeen) x
A1-2 Articulatiestoornissen x
A1-3 Fonologische stoornissen x
A2-1 Auditief geheugen x
A2-2 Auditieve discriminatie en analyse x
A3 Grammatica: morfologie/syntaxis (woordstructuur en zinsbouw) x x
A4 Lexicon (woordenschat) en semantiek (woord- en taalbegrip) x x
A5-1 Pragmatiek (gebruik van taal in sociale context) x x
A5-2 Communicatieve intenties (gerichtheid op communicatie)

 


11.1.2.3(2). Omschrijving van de te onderzoeken taalaspecten


Concentratie en luisterhouding (auditief en visueel)

Een kind moet genoeg aandacht en concentratie hebben voor wat er in zijn/haar omgeving gebeurt. Aandacht moet ook even volgehouden kunnen worden. Dit heeft een visuele kant, want het kind moet oogcontact maken envia gedeelde aandacht kijken naar voorwerpen die benoemd worden. De auditieve kant met vastgehouden aandacht (luisteren) is nodig om gesproken taal waar te nemen en er gebruik van te maken.


Spraakproductie - A1-1 - algemeen

In de spraakontwikkeling van kinderen zijn er verschillende processen gaande waardoor de spraak geleidelijk steeds verstaanbaarder wordt. Er is een fonetisch ontwikkelingsproces waarin, na een periode van intensief brabbelen, de spraakmotorische mogelijkheden toenemen om spraakklanken in woorden steeds beter te kunnenvormen. De spraakmotorische verfijning neemt toe onder invloed van een voortschrijdende ontwikkeling in de spraakmotoriek. Anderzijds is er een proces gaande dat we het fonologische ontwikkelingsproces noemen en dat een taalgestuurd proces is. Kinderen leren dat er met verschillende fonemen/spraakklanken verschillende betekenissen uitgedrukt kunnen worden. Dit worden ‘fonologische contrasten’ genoemd. Een van de eerste fonologische contrasten is het verschil tussen de woorden papa en mama. Zodra een kind dit contrastverschil – ook in andere woorden - kent, is het contrast tussen plosief en nasaal verworven. Het logopedisch onderzoek naar stoornissen in de spraakontwikkeling richt zich zowel op het fonetisch en als op het fonologisch spraakontwikkelingsproces.


Articulatie -A1-2

Onder articulatiestoornissen vallen fonetische articulatiestoornissen met o.a. als oorzaken gehoorstoornissen, organische afwijkingen in de spraakorganen zoals schisis, en neurologische stoornissen als dysartrie en verbale ontwikkelingsdyspraxie.


Fonologische stoornissen -A1-3

Fonologische stoornissen hebben betrekking op het herkennen en reproduceren van patronen in spraakklanken, zoals klemtonen, consonantclusters en lettergreepstructuren. Bij een fonologische stoornis gaat het om een afwijking in het omzetten van woorden in reeksen van spraakklanken, zowel woordvormen, (lexemen), klanken (fonologisch systeem) encombinaties (fonologisch regelsysteem).


De fonologische ontwikkeling is nauw verbonden met de semantische ontwikkeling. Kinderen verwerven fonemen niet geïsoleerd, maar op woordniveau. Eerst herkent het kind uit de ‘brei’ van de input woorden. Deze worden als betekenisvolle eenheden opgeslagen in het mentale lexicon. Van nieuwe woorden leren kinderen zowel de vorm (het lexeem) als de betekenis (het lemma).


Vanwege deze samenhang tussen het leren van woorden en het leren van klanken, is de grootte van de passieve en actieve woordenschat van belang voor de fonologische ontwikkeling. Kinderen met een kleinere woordenschat hebben minder lexemen en lemma's in hun mentale lexicon opgeslagen. Daardoor hebben ze de beschikking over minder foneemreeksen en kunnen ze minder fonemen correct produceren dan kinderen met een grotere woordenschat. Anderzijds kunnen kinderen met een grote productieve woordenschat nog wel een fonologische stoornis hebben.


Lexemen worden in het brein niet als geheel opgeslagen, maar als lettergrepen of reeksen klanken die vaak in de taal voorkomen. Dat is efficiënter dan van ieder woord apart de vorm op te slaan. Hoe beter de organisatie van het mentale lexicon, des te beter kan een kind nieuwe woorden verwerven die fonologisch op elkaar lijken.


Bron: http://taalexpert.nl/fonologie.aspx?dataId=71



Auditieve vaardigheden - A2

Auditieve vaardigheden zijn vaardigheden/verworvenheden die noodzakelijk zijn om geluidssignalen te herkennen en te verwerken. Bij auditieve vaardigheden komt dus meer kijken dan ‘horen’ alleen. Het is mogelijk dat men goed kan horen, maar slecht kan herkennen. Auditieve vaardigheden bevatten verschillende onderdelen:


  • Auditieve concentratie en luisterhouding; bijv. het zich kunnen afsluiten voor niet relevante geluiden
  • Het temporeel geheugen in het algemeen; dit zorgt ervoor dat geluidsindrukken in de juiste volgorde onthouden worden. Hierdoor kan men de volgorde van spraakklanken, lettergrepen, woorden in een zin en gebeurtenissen in een verhaal onthouden. Dan is men aan het eind van een lange opdracht het begin niet weer vergeten.
  • Auditief geheugen (specifiek); in dit geheugen blijven de gehoorde klanken c.q. woorden even ‘hangen’ zodat er een volgende klank aan gekoppeld kan worden, maar ook dat men weet hoe een bepaalde klank klinkt.
  • Auditieve waarneming, bestaande uit:
    • Auditieve discriminatie waarmee geluiden, woorden en (spraak)klanken van elkaar onderscheiden kunnen worden. Het kind hoort bijv. het verschil tussen een hard en een zacht geluid, tussen een /s/ en een /m/, maar ook het verschil tussen klanken die meer op elkaar lijken, zoals bijv. een /b/ en een /p/.
    • Auditieve analyse; d.m.v. auditieve analyse kan iemand op het gehoor een zin opsplitsen in woorden, of een woord in lettergrepen of in de afzonderlijke spraakklanken:
    • Auditieve synthese; d.m.v. auditieve synthese kan iemand opeenvolgende lettergrepen of klanken in de goede volgorde samenvoegen tot een woord

Bron: De Signaleraar, logopedische informatie voor basisschooldocenten: http://www.signaleraar.nl/



Grammatica: morfologie/syntaxis (woordstructuur en zinsbouw) - A3

Een groot probleem voor kinderen met een taalstoornis wordt gevormd door de regels voor de structuur van de taal, de grammatica. Kinderen met TOS hebben bijv. moeite met woordvorming (morfologie), groepering van woorden en de opbouw van zinnen en delen van zinnen (syntaxis). Deze elementen van de grammatica worden vaak samengevoegd tot het begrip 'morfosyntaxis'.


Bron: Taalontwikkeling - van Weerdenburg.ppt



Lexicon en Semantiek – A4

Om een woord te leren, moet een kind zowel de klankcombinatie (de vorm) als de betekenis van dat woord leren. De geleerde woorden worden opgeslagen in het mentale lexicon. Semantiek is de wetenschap die zich bezig houdt met het toekennen van betekenissen aan woorden en zinnen en het gebruik van die betekenissen. Semantiek omvat onder meer de ontwikkeling van de woordenschat(de opbouw van het lexicon) en het verbinden van betekenissen aan woordvormen.


De vroege woordenschat bestaat vooral uit woorden die verwijzen naar tastbare objecten, personen en acties binnen de directe leefwereld van het kind. Kinderen met problemen in de semantische ontwikkeling hebben moeite met het opslaan van de woordvorm en de woordbetekenis van nieuwe woorden in hun mentale lexicon en met het verbinden van vorm en betekenis. De woordenschat van kinderen met een taal ontwikkelingsstoornis groeit langzamer dan die van kinderen met een normale taalontwikkeling. Het woordbegrip neemt niet voldoende snel toe en daarmee blijft de omvang van het lexicon achter


Bron: http://taalexpert.nl/semantiek.aspx?dataId=88



Pragmatiek - A5

Pragmatiek beschrijft de vaardigheid om het taalgebruik aan te passen aan de gesprekspartner, de context en de situatie. De pragmatische ontwikkeling begint in de prelinguale periode van de taalverwerving en verloopt parallel aan de ontwikkeling van de andere taaldomeinen en is hiermee vast verbonden. Normaalhorende kinderen rond de leeftijd van 8 – 10 jaar beheersen de meeste pragmatische vaardigheden dusdanig dat zij als volwaardige gesprekspartner kunnen fungeren. De ontwikkeling van de pragmatische vaardigheden is, evenals de algemene taalontwikkeling, nauw verbonden met de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. Zij wordt aangestuurd door dezelfde drie principes: de leeftijd van het taallerende kind, het taalaanbod van de omgeving en interne mentale processen zoals een aangeboren predispositie tot het verwerven van taal. Een belangrijke rol speelt het taalaanbod, in de vorm van de sociale en talige interactie van het kind met zijn omgeving. Het sociaal-emotionele functioneren van het kind bepaalt de kwaliteit en kwantiteit van de interactie van het kind met zijn omgeving.


Bron: http://taalexpert.nl/wiki/devAvp.aspx



Communicatieve intenties - A5

Het begrip 'communicatieve intenties' is te omschrijven als een actieve gerichtheid op de ander, teneinde bij die ander een doel te bereiken. De intentie tot communiceren brengt het kind ertoe om mentale concepten uit te drukken door middel van handelingen (sensomotorische acties, emotionele uitingen, spraak en spel) en gedachten en gevoelens te delen met anderen. De ontwikkeling van communicatieve intentie is van fundamenteel belang voor de taalontwikkeling en is de 'motor' van het tot taalgebruik leidende ontwikkelingsproces. De implicaties van het concept staan dus in een ontwikkelingspsychologisch kader. Bij kinderen die nog (vrijwel) niet spreken op een leeftijd waarop men dat wel zou verwachten, is het daarom van belang te onderzoeken in hoeverre zij communicatieve intenties hebben ontwikkeld, ook wanneer het gehoor niet normaal is en de omgevingstaal niet goed waargenomen wordt.

 


11.1.2.4(2). Beschikbare taaltests

In de vorige Par.3zijn beschrijvingen gegeven van de verschillende taalaspecten die onderzocht worden tijdens een logopedisch of linguïstisch onderzoek. Voor het bereiken van het uiteindelijke doel van dit hoofdstuk, de tests die hiervoor beschikbaar zijn in te delen volgens de in Par.2 genoemde vijf aspecten, kan het nuttig zijn de beschrijving ervan even los te koppelen van het beoogde strakke schema en eerst de tests die op dit moment het meest gebruikt worden bij een logopedisch (linguïstisch) onderzoek op een AC te beschrijven. In de daarop volgende paragraaf worden deze taaltests ingedeeld volgens de eerder beschreven vijf taalaspecten. Let er op dat in een taaltest één bepaald taalaspect centraal kan staan; vaker bestaat een algemene taaltest uit verschillende subtests.


Veel gebruikte taaltests zijn:


De Peabody Picture Vocabulary Test-III-NL

De Schlichting Test voor Taalbegrip

De Schlichting Test voor Taalproductie-II

De CELF4-NL

De CELF-preschool2-NL

T-TOS

De TAK (Taaltoets Alle Kinderen)

De Nijmeegse Pragmatiektest (NPT)


  • De Peabody Picture Vocabulary Test-III-NL. De Peabody Picture Vocabulary Test-III-NL (Dunn et al., 2005; Schlichting & Meijenders, 2006)  is een diagnostisch instrument, dat één domein van de taalontwikkeling meet, namelijk de receptieve woordenschat. De PPVT-III-NL is een vertaling en bewerking van de Amerikaanse PPVT-III waarmee internationaal veel onderzoek is en wordt gedaan. Daardoor is het mogelijk onderzoeksresultaten onderling te vergelijken. De PPVT-III-NL bevat 204 testplaten met telkens 4 afbeeldingen. De proefpersoon kiest de juiste afbeelding bij een mondeling aangeboden woord. De test is bedoeld voor kinderen en volwassenen in de leeftijd van 2;3 t/m 90 jaar met Nederlands als eerste taal. De score wordt uitgedrukt in een woordbegripsquotiënt (WBQ).


  • De Schlichting Test voor Taalbegrip (STTB,2010) is bedoeld voor het meten van het begrip van gesproken zinnen. De lexicale component speelt hierbij een geringe rol.De secties lopen op in moeilijkheidsgraad wat betreft zinslengte en de complexiteit van het te leggen verband tussen woorden binnenzinnen. De afname vindt plaats met behulp van allerlei materiaal, waaronder gebruiksvoorwerpen, modeldieen, modelbloemenen modelhuizen, en vijf verschillende vormen in de kleuren wit, zwart en blauw. Deze test is in Nederland de opvolger van de Reynell Test voor Taalbegrip en is genormeerd voor kinderen van 2;0 tot 7;0 jaar.


  • De Schlichting Test voor Taalproductie-II(STTP-II)is ontwikkeld door Schlichting en Lutje Spelberg (2010) en is een herziene uitgave van de Schlichting Test Taalproductie uit 1995. De test is bedoeld voor het meten van de taalproductie en geschikt voor de leeftijdsgroep van 2;0 tot 7;0 jaar. Er zijn vijf subtests:


    • De test voor woordontwikkeling meet de actieve woordenschat meet via afbeeldingen; de score wordt uitgedrukt in een woordquotiënt (WQ)
    • De test voor zinsontwikkelingmeet de expressieve grammaticale ontwikkeling door het uitlokken van zinnen en door functionele imitatie met spelmateriaal en platen;de score wordt uitgedrukt in een zinsquotiënt (ZQ)
    • De test voor pseudowoorden meet de fonologische verwerkingsvaardigheid door het laten nasprekenvan bestaande en niet-bestaande woorden; de score wordt uitgedrukt in een pseudo-woordquotiënt (PsQ)
    • De verhaaltest meet de narratieve vaardigheid door het laten navertellen van een verhaal bij een platenreeks
    • De test auditief geheugen meet het fonologisch werkgeheugen door het laten naspreken van woordenreeksen toenemend in lengte.

  • De CELF4-NL werd ontworpen om een beeld te kunnen schetsen van zowel de algemene taalvaardigheid als van specifieke vaardigheden op het gebied van taal bij kinderen en jongeren tussen 5 en 18 jaar (Semel, Wiig & Secord, 2010). Het gaat er om een duidelijk beeld krijgen van de sterke en zwakke kanten van de algemene taalvaardigheid van kinderen met begeleidingsgerichte aanknopingspunten wat betreft aanpak en therapie (D’hondt et al., 2008). CELF4-NL. Naast de Kernscore, die een indicatie geeft over de aanwezigheid van een taalontwikkelingsstoornis (TOS) zijn de subtests zo verdeeld dat er verschillende indexscores berekend kunnen worden: Receptieve Taalindex, Expressieve Taalindex, Taalinhoud-index, Taalvormindex, Werkgeheugenindex. Deze indexscores die vergelijkbaar zijn met quotiënten, en worden ook uitgedrukt worden in percentielen, geven een indicatie over de aard van de taalproblematiek.


  • De CELF-Preschool2-NLis bedoeld voor het identificeren van TOS bij kinderen van 3 t/m 6 jaar en is ontwikkeld als een uitbreiding voor een jongere leeftijdsgroep van de hiervoor genoemde CELF4-NL. De opzet en de subtests zijn vergelijkbaar met die van de CELF4-NL.


  • De T-TOS (Testinstrumentarium Taalontwikkelingsstoornissen is in 2013 door Verhoeven, Keuning, Horsels en Van Boxtel ontwikkeld in samenwerking met het Expertisecentrum Nederlands en Cito. De doelgroep bestaat uit goedhorende kinderen in de leeftijd van 4 tot 10 jaar met mogelijk TOS. Het instrumentarium helpt deskundigen om mogelijke TOS te onderzoeken. Het is vooral bedoeld voor het aanvragen van een onderwijsarrangement voor het Speciaal Onderwijs aan kinderen met TOS (cluster 2). De subtests zijn als volgt ingedeeld:


    • Auditieve verwerkingsproblemen
    • Spraakproductieproblemen
    • Grammaticale problemen
    • Lexicaal-semantische problemen

    De scores worden uitgedrukt in percentielen.


  • De TAK (Taaltoets Alle Kinderen, Verhoeven en Vermeer, 2001) is een vervanging van de Taaltoets Allochtone Kinderen (1986) en is bedoeld voor het opsporen van taalleerproblemen op school. De normering volgt de groepen in het basisonderwijs, groep 1 t/m groep 5.Voor Nederlandse kinderen wordt de TAK momenteel niet vaak meer gebruikt, omdat er betere en leeftijdsgenormeerde taaltestsbestaan. Voor kinderen met een overwegend anderstalige thuissituatie wordt de test nog wel gebruikt ivm de aanwezige normen voor enkele groepen (Turkse, Marokkaanse, Aziatische kinderen). De test wordt in dit hoofdstuk niet meer besproken.


  • De Nijmeegse Pragmatiektest (NPT) is geen algemene taaltest, maar het is de enige test waarmee je productieve pragmatiek kunt meten bij kinderen van 4 tot 7 jaar. De test bestaat uit drie categorieën: Communicatieve Functies (CF), Conversatievaardigheden (CV) en Verhaalopbouw (VO) (Embrechts et al., 2005; Resing et al., 2005; Coppens, & Lamers, 2006; Embrechts, 2008). De test maakt gebruik van een bestaat uit de volgende onderdelen: een schaalmodel van een huis, een testmap met negen situatieplaten, en aanvullend spelmateriaal. Om naast de onderzoekssituatie informatie te krijgen over de verbale pragmatische vaardigheden in alledaagse situaties, bevat het instrument twee aanvullende vragenlijsten; een voor de ouder/ verzorger en een voor de leerkracht. De scores worden uitgedrukt in A, B, C, D - Citoscores.


 


11.1.2.5(2). Indeling van de taaltests volgens de vijf taalaspecten A1 - A5


A1-1. Spraakproductie - algemeen

  • T-TOS-PRO: module voor spraakproductieproblemen; leeftijd 4-10 jaar

A1-2. Articulatiestoornissen

  • Het NAO is de opvolger van het LOGO-Art Articulatieonderzoek. Het Nederlands Articulatie Onderzoek Compleet (NAO Compleet) bestaat uit:
    • NAO: gebruikelijke ontwikkelingsvolgorde van articulatieplaats
    • NAO VV: doelklanken worden onderzocht in Verwervings Volgorde

A1-3. Fonologische stoornissen

  • De Metaphonbox is een compleet instrument voor onderzoek en behandeling van fonologische problemen bij kinderen. De box bestaat uit een onderzoeksdeel en een therapiedeel. Voor het onderzoeksdeel is gekozen voor de beoordeling van de meest voorkomende fonologische vereenvoudigingsprocessen bij Nederlandse kinderen (Beers, 1995).
  • FAN (Fonologische Analyse Nederlands). Spontane taalanalyse:
    • Beoordeling van de correctheid van de klankrealisatie
    • Beoordelen voldoende correct en daarmee verworvenheid
    • Verworven fonemen beoordelen naar verworven contrasten
    • Typering van de verwerving van contrastgraden
    • Bepalen van de fonologische leeftijd
    • Inventariseren fonologische processen bij de fonologische leeftijd, taalleeftijd en de kalenderleeftijd.
  • CELF4-NL-FONLBW en CELF-Pre2-FONLBW
    • Fonologisch Bewustzijn: Identificeren van klanken, woorden, lettergrepen; herkennen e.d.
  • STTP-II: De test voor pseudowoorden meet de fonologische verwerkingsvaardigheid door het laten nazeggen van bestaande en niet-bestaande woorden

A2-1. Auditief geheugen

  • Schlichting Test voor Taalproductie-II: Auditief Geheugen - STTP-II AG
  • T-TOS:
    • Onthouden van Woorden
    • Onthouden van Zinnen
  • CELF4-NL-AG (Clinical Evaluation of Language Fundamentals):
    • Onderdeel: Cijfers herhalen - Auditieve Vaardigheden/verbaal geheugen
    • Onderdeel: Reeksen opsommen - Auditieve Vaardigheden/verbaal geheugen/semantiek

A2-2. Spraakperceptie - Auditieve discriminatie en analyse

  • T-TOS:
    • Auditieve discriminatie
    • Woordherkenning

A3. Morphologie en syntaxis

  • STTB: de test voor Taalbegrip onderzoek van het zinsbegrip.
  • STTP-II- ZO: de test voor zinsontwikkeling; meting van de expressieve grammaticale ontwikkeling
  • CELF4-NL-GRAMM-Rec (MorfoSyn Receptief):
    • Onderzoek naar het Begrijpen van Zinnen (ZB) d.m.v. het aanwijzen van een plaatje dat de aangeboden zin weergeeft
    • Onderzoek naar het kunnen opvolgen van verbale instructies (Begrippen en Aanwijzingen Volgen - BAV) door het aanwijzen van voorwerpen in een platenboek in de aangegeven volgorde
  • CELF4-NL-GRAMM-Pro (MorfoSyn Productief):
    • WoordStructuur (WS):
      • Onderzoek van de grammaticale vervoeging (van werkwoorden) en de verbuiging (van naamwoorden)
      • Bij een afbeelding een zin aanvullen met de gevraagde woordvorm
    • Zinnen Herhalen (ZH)

      • Onderzoek naar het kunnen naspreken van zinsstructuren van toenemende grammaticale complexiteit
      • Nazeggen van door de testleider uitgesproken zin.
    • Zinnen Samenstellen (ZS)
  • T-TOS-GRAMM-Rec (MorfoSyn Receptief)
  • T-TOS-GRAMM-Pro (MorfoSyn Productief)

A4. Lexicon/semantiek

  • CELF4-NL-LEXSEM-Rec (Lexicaal Semantisch Receptief):
    • Onderzoek naar kennis van eenvoudige talige begrippen (Elementaire Concepten – EC) d.m.v. het aanwijzen van een plaatje waarop het beoogde concept is afgebeeld
  • CELF4-NL-LEXSEM-Pro (Lexicaal Semantisch Productief):

    • o   Onderzoek naar de Actieve Woordenschat (AW) d.m.v. het benoemen van plaatjes (ding, persoon, activiteit)
  • T-TOS-LEXSEM-Rec (Lexicaal Semantisch Receptief)
  • T-TOS-LEXSEM-Pro (Lexicaal Semantisch Productief)

A5. Pragmatiek

  • Nijmeegse Pragmatiek Test (NPT)
  • STTP-II - VT (verhaaltest); meet de narratieve vaardigheden aan de hand van plaatjes
  • CCC-2-NL (Children’s Communication Checklist-2)

    Doelgroep: kinderen die in zinnen spreken. Leeftijdsgroep: 4;00 - 15;00.

 


11.1.2.6(2). Ordening van de tests naar taalaspect en leeftijd


Aandachtspunten

  • Het hierna te geven overzicht van de tests is niet bedoeld als hulpmiddel bij de keuze van een testprogramma voor een bepaalde stoornis of gebruik. Het enige doel is inzicht te geven in de verbanden tussen taalaspecten en taaltests en in wat de verschillende tests inhouden.
  • In sommige vakjes in het schema (zoals voor A2) speelt bij het afnemen van de test het onderscheid tussen de de aspecten R en P geen rol. In die gevallen zijn de vakjes samengevoegd.
  • Bij de samenstelling van het schema zijn bepaalde keuzes gemaak. Centraal staat dat een audioloog snel inzicht krijgt in de vragen en antwoorden van een logopedist of linguist tijdenshet bespreken van een onderzoek in verband met TOS.

Schema Ordening van taaltests naar taalaspect en leeftijd


Klik hier.



© NVA leerboek 2000-2018 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie