Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 2.2.1(2). Gevoeligheid van het oor
 Auteur: Lamoré
 Revisie: 2007

Inhoud:

2.2.1.1(2). Inleiding

2.2.1.2(2). Gevoeligheid voor frequentie

2.2.1.3(2). Gehoordrempel

2.2.1.4(2). Bepaling van de gehoordrempel

2.2.1.5(2). Links


 

2.2.1.1.(2). Inleiding

Het begrip ‘gevoeligheid’ is op verschillende manieren van toepassing op het oor en het horen. In dit hoofdstuk wordt besproken binnen welk frequentiegebied en voor welke geluidssterktes het oor geluid kan horen en waar de grenzen liggen. Een andere gevoeligheid is die waarmee het oor verschillen tussen frequenties en verschillen tussen geluidssterktes kan horen. Deze vormen van gevoeligheid worden behandeld in respectievelijk Hfdst.2.3.1 en Hfdst.2.4.1. De gevoeligheid waarmee het oor frequenties kan selecteren of discrimineren komt in Hfdst.2.8.1 aan de orde.


Naast de gevoeligheid van het oor in termen van frequentie en geluidsterkte wordt ook besproken hoe de gehoordrempel gemeten wordt en welke normwaarden daarbij gelden


 


2.2.1.2.(2). Gevoeligheid voor frequentie

Men kan de sterkte van een geluid, uitgedrukt in dB SPL, zo klein maken dat dit geluid nét niet meer hoorbaar is. Het geluidsniveau (de termen ‘geluidssterkte’ en ‘geluidsni­veau’ zijn gelijkwaardig) waarbij dit optreedt noemen we de absolute drempel van dit geluid. Voor zuivere tonen is deze absolute drempel afhankelijk van de frequentie van de toon, zoals te zien is in Fig.1. In de figuur is de drempel voor één oor weergegeven (de ‘monaurale’ drempel).


Fig.1. Gevoeligheidsgebied van het gehoor; de blauwe curve geeft de maximale gevoeligheid als functie van de frequentie; de bovenste lijn markeert de pijngrens; tevens zijn voor een aantal frequenties de normwaarden (zie verder) aangegeven.

De drempel is het laagst (laagste dB SPL waarde) voor frequenties rond de 1 en 2 kHz en loopt op naar lagere en hogere frequenties. Voor lage en hoge frequenties in het ‘audio-gebied’ is de gevoeligheid van ons gehoor dus minder dan voor de frequenties daar tussen in. In het algemeen kan men dus zeggen dat het oor gevoelig is voor frequenties tussen de 20 en 20.000 Hz. Voor frequenties rond de 1 en 2 kHz is de gevoeligheid 40 dB groter dan bij 100 Hz en 20 dB groter dan bij 10.000 Hz (10 kHz).


Maakt men de geluidssterkte van een toon (of van elk willekeurig geluid) steeds maar groter dan komt er een moment waarop het geluid pijn gaat doen aan de oren. Deze ‘pijnsensa­tie’ treedt op, onafhankelijk van de frequentie, voor een geluid van ongeveer 140 dB SPL. Het gebied van frequenties tussen 20 en 20.000 Hz en geluidsniveaus tussen de absolute drempel en de pijngrens (dus alle hoorbare en geen pijn veroorzakende geluiden) noemt men het ‘gehoorveld’.


Voor zeer lage tonen is het menselijk oor niet gevoelig. Deze trillingen kunnen niet worden gehoord maar wel worden gevoeld (tactiele waarneming. Tonen tot een frequentie van ongeveer 400 Hz kunnen zowel gehoord als gevoeld worden.


 


2.2.1.3.(2). Gehoordrempel

Het laagste geluidsniveau (dB SPL) waarbij een geluid nog hoorbaar is heet de absolute drempel van dit geluid. De gehoordrempel onder verschillende condities gemeten worden. Biedt men bij de bepaling van de drempel de tonen aan via een hoofdtelefoon, dan spreekt men van een ‘Minimal Audible Pressure’ (MAP). In Fig.1 werd het geluid aan één oor aangeboden. Dit levert de monaurale MAP. Wanneer op deze wijze de drempel voor beide oren tegelijk wordt bepaald verkrijgt men de binaurale MAP. Deze ligt ongeveer 2 dB lager dan de monaurale MAP, als gevolg van de samenwerking tussen de twee oren. Men kan de tonen ook aanbieden via een luidspreker in een ‘vrije-veld’ situatie. Men spreekt dan van een ‘Minimal Audible Field’ (MAF). De MAF drempel ligt gemiddeld 10 dB lager dan de monaurale MAP.


In de ‘vrije-veld’ situatie (‘Free Field’ - FF) zijn - volgens de definitie - geen reflecties aanwezig. Hier is alleen een direct geluidsveld en de drempel wordt bepaald voor zuivere tonen. Wanneer er wél reflecties aanwezig zijn spreekt men van een ‘diffuus geluidsveld’ (‘Diffuse Field’ - DF). In dit geval wordt de gehoordrempel bepaald met ruisbanden met een breedte van 1/3 octaaf, teneinde de beïnvloeding van het geluidsniveau op de plaats van de luisteraar door staande golven (‘knopen’ en buiken’) te vermijden. 


De gehoordrempels voor de zuivere tonen met frequenties 125 Hz, 250 Hz, 500 Hz, 1000 Hz, 2000 Hz, 4000 Hz en 8000 Hz vormen de basis van de toonaudiometrie bij een audiologisch onderzoek. Om te bepalen of iemand een gehoorverlies heeft of niet moet de gehoordrempel gestandaardiseerd zijn. Tabel I geeft de gemiddelde monaurale drempelwaarden, in dB SPL, voor een groep normaalho­renden Deze groep bestaat geheel uit jeugdige volwassenen zodat vermeden wordt dat er sprake is van presbyacusis. Deze waarden gelden voor een Telephonics TDH 39 telefoon en een B&K 4152 standaard coupler (NEN-ISO 389-1, 1996). Voor een B&K 4153 coupler gelden andere waarden.


125 Hz 250 Hz 500 Hz 1000 Hz 1500 Hz 2000 Hz 3000 Hz 4000 Hz 6000 Hz 8000 Hz
45 25.5 11.5 7 6.5 9 10 9.5 15.5 13

Tabel I. Gemiddelde waarden van de normale (monaurale) gehoordrempel in dB SPL, gemeten met een TDH 39 hoofdtelefoon, volgens de norm NEN-ISO 389-1 (1996), voor een B&K 4152 standaard coupler bij de aangegeven frequenties.


Tabel II geeft de gemiddelde gehoordrempel bij jeugdige normaalhorenden in het ‘vrije veld’ MAF). Het gaat hier om binaurale gehoordrempels.


125 Hz 250 Hz 500 Hz 1000 Hz 1500 Hz 2000 Hz 3000 Hz 4000 Hz 6000 Hz 8000 Hz
22 11 4 2 0.5 -1.5 -6.0 -6.5 2.5 11.5

Tabel II. Gemiddelde waarden van de normale (binaurale) gehoordrempel in dB SPL, in een ‘vrij geluidsveld’, volgens de norm NEN-ISO 389-7 (1996), bij de aangegeven frequenties.


Normaalwaarden voor frequenties boven de 8000 Hz zijn er (nog) niet. Deze hoge frequenties worden toegepast in de ‘hoogfrequent-audiometrie’ (Hfdst.8.3.15). Een probleem bij het verkrijgen van normwaarden is hier de grote variabiliteit van de drempels als gevolg van de variatie in de plaatsing van de koptelefoon op het hoofd.



2.2.1.4.(2). Bepaling van de gehoordrempel

Er is bij de absolute drempel van een geluid geen scherpe grens tussen horen en niet-horen. Bij een geluidsniveau ver genoeg boven de drempel zal het geluid, wanneer men het een aantal keren aanbiedt, in alle gevallen hoorbaar zijn (100% waarnemingskans). Wordt het geluidsni­veau kleiner gemaakt dan zal de waarnemingskans geleidelijk afnemen tot 0%. Het verloop van de waarnemingskans als functie van het geluids­niveau is weergegeven in Fig.2. Een dergelijke curve heet een ‘psychometrische curve’. Voor de drempel wordt het geluidsniveau genomen waarbij het geluid in 50% van de gevallen hoorbaar is. We zien dat het grensgebied tussen horen en niet-horen vrij groot is (15 dB).


Fig.2. De waarnemingskans van een toonstootje van 200 ms als functie van de sterkte er van in het gebied tussen ‘wel horen’ en ‘niet meer horen’. Figuur ontleend aan Rodenburg, 1975.

Een gangbare procedure om de gehoordrempel voor een geluid te bepalen is dit geluid bij een aantal lage geluidssterktes enkele malen aan te bieden en telkens de proefper­soon of de patiënt te vragen of het geluid gehoord wordt. Het geluidsniveau waarbij ‘ja’ en ‘nee’ min of meer even vaak voorkomen is de drempel. Men noemt dit de ‘ja-nee methode’. Een nauwkeuriger methode is de zogenaamde ‘gedwongen-keuze’ methode (in het Engels: ‘Forced-Choice’ methode). Hierbij markeert men met naast elkaar geplaatste lampjes twee tijdsintervallen. Eerst gaat lampje 1 aan en daarna lampje 2. Het geluid echter komt òf wanneer lampje 1 òf wanneer lampje 2 aan is. De proefpersoon weet niet in welke van de twee intervallen, maar weet alleen dat het altijd komt en even vaak in het eerste interval als in het tweede. De proefpersoon moet steeds aangeven in welk tijdsinterval het geluid werd aangeboden. Het antwoord kan zijn ‘goed’ of ‘fout’. De waarnemings­grenzen lopen nu van 100% goed (altijd gehoord) tot 50% goed (de ‘gokkans’, dus geen enkele keer gehoord). De drempel ligt daar tussenin, dus bij 75% score. De ‘ge­dwongen-keuze methode’ kent een aantal varianten.


Wanneer voor een individueel persoon bij een bepaalde frequentie de drempel significant hoger ligt dan de ISO-norm is er sprake van een gehoorverlies. De afwijking wordt uitgedrukt in ‘dB Hearing Level’ (dB HL). De al dan niet aanwezige afwijkingen voor de verschillende frequenties worden genoteerd in een ‘audiogram’. Dit is een grafiek waarin horizon­taal de frequentie is uitgezet en naar beneden het gehoorverlies in dB HL. Fig.3 geeft een voorbeeld van een (toon)audiogram. Een normaal gehoor correspondeert dus met een rechte lijn bij 0 dB HL.


Fig. 3. Weergave van de gehoordrempel in een ‘audiogram’; de afwijking van gehoordrempels van de normwaarden (dB HL) voor de verschillende frequenties naar beneden uitgezet; een waarde op de verdikte lijn bij 0 dB HL correspondeert dus met een normaal gehoor

 


2.2.1.5(2). Links

http://webstore.ansi.org/RecordDetail.aspx?sku=ISO%20389-7:2005 - Informatie van het ANSI (American National Standards Institute) over standaards en normen; goede toelichting, maar de normbladen zijn alleen tegen betaling te downloaden.


 


 

2.2.1.1(3). Normering

De ISO-norm is de internationale normering, verstrekt door de ‘International Organisation for Standardisation’.


De NEN-norm is de Nederlandse normering.


Voor verdere informatie over normen en voorschriften in de audiologie zie het vroegere ‘Audiologisch Vademecum’ van de Nederlandse Vereniging voor Audiologie. Een hoofdstuk over het meten van geluid en de ijking van geluidsniveaus in dit leerboek is in voorbereiding.


 


Literatuur

  1. De website van de Nederlandse Vereniging voor Audiologie (http://www.ned-ver-audiologie.nl/).
  2. Rodenburg M. Klinische Audiologie. Leiden: Stafleu, 1975.
  3. Roeser RJ. Audiology Desk Reference. New York: Thieme, 1996.

© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie