Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 3.2.1(2). Anatomie van het uitwendige oor en het middenoor
 Auteur: Kapteyn, Lamoré
 Revisie: februari 2016

Dit hoofdstuk is een bewerking van het dictaat Anatomie en Fysiologie van H. Gallé dat indertijd gebruikt werd in de opleiding tot audiologie-assistent.


Inhoud:

3.2.1.1(2). Inleiding - Locatie van het gehoororgaan

3.2.1.2(2). Het uitwendige oor

3.2.1.3(2). Het middenoor

3.2.1.4(2). Links


 

3.2.1.1(2). Inleiding - Locatie van het gehoororgaan

Het gehoororgaan is ingebed in het benig deel van de zijkant van het hoofd, het 'os temporale' ook wel het 'slaapbeen' genoemd (Fig.1). Dit benige deel is opgebouwd uit drie onderdelen die op volwassen leeftijd één geheel vormen.


  1. Het ‘pars squamosa’ vormt het bovenste deel van de zijkant van het hoofd en biedt bescherming aan de hersenen.
  2. Het 'pars petrosa' (het 'rotsbeen' - meer mediaal in Fig.1) ligt op de grens van de middelste en de achterste schedelgroeve. In het mediale deel van dit bot is het labyrinth met het binnenoor gesitueerd. Dit bot heeft aan de laterale zijde veel luchthoudende holtes. Het is ‘gepneumatiseerd’. Het middenoor is in dit gedeelte gelegen. Door het achtervlak van het pars petrosa loopt de ‘interne gehoorgang’ (‘meatus acusticus internus’). Daardoorheen lopen o.a. de nervus facialis (N.VII), de nervus vestibulocochlearis N.VIII), de nervus intermediofacialis en het bloedvat dat het binnenoor voedt, de arteria labyrinthi. Zie voor een uitgebreidere beschrijving niveau 3 van dit hoofdstuk.
  3. Het 'pars tympanica', het lagere ('inferior') deel, vormt de basis voor het uitstekende 'processus zygomaticus'. In het onderste deel daarvan ligt de gewrichtskom van het kauwgewricht en in het hogere deel de jukboog. Het is het gedeelte dat rondom de (uitwendige) gehoorgang is gelegen. De oorschelp is te beschouwen als een kraakbenig aanhangsel of uitstulping aan het os temporale.

Fig.1. De lokalisatie van het gehoororgaan in de schedel. Figuur getekend naar voorbeeld in Gallé (1979).


Bij de bespreking van het uitwendige oor en het middenoor wordt gebruik gemaakt van Fig.2.


Fig.2. Indeling van het perifere gedeelte van het gehoororgaan. De verschillende onderdelen worden in dit en andere hoofdstukken besproken. Figuur getekend naar voorbeeld in Gallé (1979).


 


3.2.1.2(2). Het uitwendige oor

Het uitwendige oor is onder te verdelen in:


  1. De oorschelp
  2. De gehoorgang
  3. Het trommelvlies als grensvlak met het middenoor

Deze onderdelen worden achtereenvolgens besproken.


1. De oorschelp

De oorschelp of 'auricula', in detail afgebeeld in Fig.3, is een uitwendige huidplooi, bestaande uit een skelet van elastisch kraakbeen, een golvend oppervlak met richels en holten en een aanhangsel, de oorlel ('lobulus'), dat geen kraakbeen skelet heeft. De buitenrand heet de 'helix'. De diepste impressie is de 'concha'. Deze wordt aan de voorzijde geflankeerd door een verhevenheid, de 'tragus'.


Fig.3. De oorschelp (auricula). Figuur getekend door dr. FG Wouterlood, www.anatomie-amsterdam.nl.


De oorschelp bevindt zich excentrisch rond de gehoorgangopening en zit onder een hoek van c.a. 30 graden vast aan het hoofd. De schelp is met twee ligamenten (voor en achter) aan het slaapbeen bevestigd. Er zijn rudimentaire spiertjes aanwezig, maar die kunnen geen beweging bewerkstelligen. De innervatie en vascularisatie van de oorschelp worden besproken in Par.3.2.1.1 van niveau 3.


2. De gehoorgang

De kraakbenige oorschelp zet zich met de huidbedekking voort in het buitenste deel van de uitwendige gehoorgang, de 'meatus acusticus externus', te zien in Fig.2. Dit is een buisvormig kanaal met een lengte van ongeveer 25 mm en een doorsnede van 6 tot 8 mm. Het kanaal wordt afgesloten door het trommelvlies, het 'membrana tympani'. De resonantiefrequentie van de gehoorgang is 2000 à 3000 Hz. Dit frequentiegebied komt overeen met de frequenties die belangrijk zijn voor het verstaan van spraak.


Het eerste derde deel van de gehoorgang heeft een kraakbenige wand. Het dieper liggende (tweederde) deel ligt in het 'os temporale' (aangegeven in Fig.1 en Fig.2) en heeft een benige wand. Aan de achterzijde (posterior) maakt deze wand deel uit van het het mastoïd (het ‘pars mastoïdea’ van het os temorale). De bekleding van het eerste deel bestaat uit huid waarin zweet- en talgklieren voorkomen (de glandulae ceruminosae). Ook zijn er haartjes in de gehoorgang die door hun beweging het oorsmeer (cerumen) naar buiten kunnen transporteren.


De gehoorgang heeft een enigszins S-vormig verloop. Van buiten naar binnen gaande is de richting horizontaal, éérst naar voren, in de richting van de neus ('anterior'), en vervolgens naar achteren ('posterior'). Daarna maakt de buis weer een flauwe bocht naar voren, maar ook naar beneden tot het afsluitend trommelvlies. De voorwand (neuszijde) van de gehoorgang heeft een directe relatie met het daarnaast liggende kaakgewricht. De klinische betekenis is dat artrose van het kaakgewricht zich vaak manifesteert als oorpijn. Mechanische bewegingen van het kaakgewricht kunnen een vervorming van de voorwand veroorzaken en de verplaatste lucht in de oorgang kan dan als geluid worden waargenomen. De gehoorgang kan volledig tot het trommelvlies worden geïnspecteerd door de oorschelp licht naar achteren en naar boven te trekken.


3. Het trommelvlies (' membrana tympani')

Het trommelvlies sluit de uitwendige gehoorgang af en vormt tevens de laterale begrenzing van de middenoorholte (Fig.4). Het is gevat in een aan de bovenzijde onderbroken kraakbenige (fibreuze) ring, de 'annulus'. Het staat onder ongeveer 60 graden in de gehoorgang, scheef op het vóór-achter vlak, het 'sagittale' vlak. Vanuit de gehoorgang gezien kijkt men er schuin van onderen tegen aan. Dit is goed te zien in Fig.2. Het trommelvlies is enigszins trechtervormig met een opening van 135 graden met de punt, de 'umbo', naar binnen. Het is glad en halfdoorzichtig, zodat de malleus en de incus enigszins zichtbaar zijn. De innervatie en vascularisatie van het trommelvlies worden besproken in Par.3.2.1.2(3).


Fig.4. Linker illustratie: buitenaanzicht van het trommelvlies (rechter oor). Rechter illustratie: de structuren die zich direct achter het trommelvlies bevinden. Figuur getekend door dr. FG Wouterlood, www.anatomie-amsterdam.nl.


 


3.2.1.3(2). Het middenoor

Het middenoor is een holte in het bot (het rotsbeen) met daarin de gehoorbeenketen. Dit is een mechanische structuur die de trilling van het trommelvlies overbrengt naar het binnenoor. Het middenoor bevat een aantal onderdelen die achtereenvolgens besproken zullen worden:


  1. De middenoorholte
  2. De buis van Eustachius
  3. De gehoorbeentjes
  4. De aangezichtszenuw
  5. De chorda tympani

1. De middenoorholte

De middenoorholte ('cavum tympani'), ook wel 'trommelholte' genoemd, is gelegen in het rotsbeen, het pars petrosa van het os temporalis, zoals te zien is in Fig.2. De holte heeft de vorm van een verticaal staande dubbel bolle schijf met een hoogte van ongeveer 15 mm en een dwarse afmeting tussen trommelvlies en de wand met het binnenoor van slechts c.a. 7 mm. Meer details zijn te zien in Fig.5. De wand naar het binnenoor heet het 'promontorium' en is goed te zien in Fig.8 van dit hoofdstuk, als de 'bobbel' aan de voorzijde van het ovale en ronde venster.


Fig.5. Schema van het middenoorsysteem. Let er op dat het ligament bij de voetplaat van de stapes ringvormig is ('annulare'). Figuur getekend door dr. FG Wouterlood, www.anatomie-amsterdam.nl.


De holte heeft een inhoud van ongeveer 1 cm3 , is gevuld met lucht en bekleed met secreet producerend slijmvlies. Voor het grootste deel is dat 'kubisch epitheel', maar aan de voorzijde is het 'trilhaarepitheel'. Het slijmvlies wordt geïnnerveerd door de 'nervus glossopharyngeus' (N.IX).


De middenoorholte wordt verdeeld in drie compartimenten, zoals schematisch aangegeven in Fig.5. Het bovenste deel wordt het 'epitympanum' genoemd, het middelste deel is het 'mesotympanum' en het onderste deel het 'hypotympanum'. De grenzen tussen de drie compartimenten zijn in Fig.5 gemarkeerd door de horizontale lijnen aan de rechterzijde van de figuur.


In het epitympanum, het bovenste gedeelte van de middenoorholte, aan de hersenzijde van het mesotympanum, bevindt zich de toegang ('aditus') tot de grote eerste luchtcel in het mastoïd, het 'antrum' (getekend in Fig.2 en Fig.5). Het antrum staat in verbinding met de luchthoudende cellensysteem in de 'processus mastoïdeus' van het os temporale, zoals aangegeven in Fig.1.


In het mesotympanum hangt tussen trommelvlies en ovale venster (Fig.5) de gehoorbeenketen bestaande uit drie botjes: de hamer ('malleus'), het aambeeld ('incus') en de stijgbeugel ('stapes'). In het mesotympanum loopt ook een zenuwbundel, de 'chorda tympani' (zie verder). In de achterwand, aan de kant van het binnenoor boven het ovale venster, bevindt zich een botkanaal waarin de aangezichtszenuw ('nervus facialis' - N.VII) loopt.


In het onderste deel van de trommelholte, het hypotympanum, ligt de opening van de verbinding van de middenoorruimte met de neus-keelholte (nasopharynx) via de buis van Eustachius ('tuba auditiva'). De begrenzingen van de middenoorholte zijn nader beschreven in niveau 3 van dit hoofdstuk Hfdst.3.2.1, Par.3.


Er zijn in totaal zes kleine arteriën die aan de bloedvoorziening van het middenoor bijdragen. De belangrijkste is de 'arteria tympanica anterior', een tak van de 'arteria maxillaris' die het trommelvlies vasculariseert.


2. De buis van Eustachius

De buis van Eustachius ('tuba auditiva') vormt de verbinding tussen de middenoorholte en de neus-keelholte ('nasopharynx'), zoals getekend in Fig.2. Het skelet bestaat aan de middenoorzijde uit bot en aan de neus-keelzijde uit elastisch kraakbeen. De lengte bedraagt c.a. 35 mm, waarvan 2/3 kraakbenig is. Bij de volwassene loopt de buis vanuit het oor schuin naar beneden, zodanig dat de uitgang in de neus-keelholte 1 tot 2,5 cm lager ligt dan het middenoorgedeelte. Bij kleine kinderen is de buis korter en is het verloop meer horizontaal. De uitmonding in de neus-keelholte ligt relatief laag.


Normaal wordt de met slijmvlies beklede tuba afgesloten gehouden door het elastische kraakbeen, maar bij slikken of geeuwen gaat de buis even open. Dit wordt bewerkt door twee slikspieren die aan de buitenwand gehecht zijn, de 'musculus tensor veli palatini' en de 'musculus levator veli palatini'. In het slijmvlies zijn slijmcellen en trilhaarcellen aanwezig zoals die ook voorkomen in het epitheel van de neus en de luchtwegen. De slag van de trilharen, bedoeld voor de afvoer van stoffen, is naar de uitmonding in de neus-keelholte gericht.


3. De gehoorbeentjes

In het mesotympanum hangt tussen trommelvlies en ovale venster (Fig.5) de gehoorbeenketen. De drie botjes: hamer, aambeeld en stijgbeugel, worden op verschillende manieren op hun plaats gehouden. Allereerst zijn de hamersteel en de stijgbeugel bevestigd aan respectievelijk het trommelvlies en het ovale venster. Verder bevinden zich tussen de gehoorbeentjes en de wanden van de middenoorholte vezelbundeltjes (ligamenten), twee voor de hamer, één voor het aambeeld en een ringvormig ligament waarmee stijgbeugelvoetplaat gekoppeld is aan het ovale venster (in Fig.5 zijn niet alle ligamenten getekend). Tenslotte zijn er twee middenoorspiertjes. De 'musculus tensor tympani' is verbonden met de steel ('manubrium') van de hamer en loopt parallel aan de wand van de buis van Eustachius ('tuba auditiva'). De 'musculus stapedius' is verbonden met de stijgbeugel en loopt langs de wand van de middenoorholte.


De gehoorbeentjes zijn ontstaan uit het weefsel ('mesenchym') van de kieuwbogen en wel de hamer en het aambeeld uit dat van de eerste kieuwboog en de stijgbeugel uit dat van de tweede kieuwboog, zoals beschreven in Hfdst.3.1.2(2). Dat verklaart het verschil in innervatie. De botjes zijn bekleed met slijmvlies waarin zeer kleine bloedvaatjes liggen.


Achtereenvolgens worden de hamer, het aambeeld en de stijgbeugel besproken. We maken daarbij gebruik van Fig.6.


Fig.6. De gehoorbeenketen. Figuur getekend door dr. FG Wouterlood, www.anatomie-amsterdam.nl.


  • De hamer (malleus)

    De steel van de hamer of malleus is verbonden met de collageenvezels in het trommelvlies. Het botje hangt aan twee ligamenten die bevestigd zijn aan de kop van de hamer, het 'ligamentum mallei laterale' en het 'ligamentum mallei superius'. De ophanging is zodanig dat het draaipunt en het zwaartepunt samenvallen, waarbij de kop als tegengewicht fungeert. Als het trommelvlies en dus de hamersteel naar binnen bewegen gaat de hamerkop met de kop van de het aambeeld, die tegen de hamerkop aanligt naar buiten. Het draaipunt van het aambeeld ligt op de zelfde hoogte als dat van de hamer. De hamer en het aambeeld roteren samen ongeveer evenwijdig aan het trommelvlies. Aan de steel van de hamer is een spiertje bevestigd dat horizontaal door de middenoorholte via een opening in het bot van de binnenwand (als via een katrol) overgaat in het eigenlijke spiertje, de 'musculus tensor tympani'. Deze musculus tensor tympani loopt schuin naar beneden náár en vervolgens in de bovenwand van de buis van Eustachius. De innervatie verloopt via een takje van de 'nervus trigeminus' (N.V). Bij contractie wordt de malleus naar mediaal getrokken en het trommelvlies gespannen.


  • Het aambeeld (incus)

    Het aambeeld (de 'incus') heeft vanuit een bolvormig lichaam, het 'corpus incudis', dat tegen de hamerkop aanligt, een korter (het 'crus breve') en een langer uitsteeksel (het 'crus longum'). Het aambeeldlichaam hangt met een ligament (het 'ligamentum incudus superius') aan het dak van de middenoorholte. De uitsteeksels staan onderling loodrecht op elkaar. Het bovenste korte uitsteeksel wijst horizontaal naar achteren (posterior) en is met een ligament, het 'ligamentum incudus posterius', verbonden met de achterwand van de middenoorholte. Het lange uitsteeksel wijst meer verticaal, bijna evenwijdig aan de hamersteel en is verbonden met de bovenkant van de stijgbeugel. De verbindingen met hamer en stijgbeugel bestaan uit gewrichtjes.


  • De stijgbeugel (stapes)

    De stijgbeugel (de 'stapes') bestaat uit een kopje ('caput stapedis'), een boog (de 'crus') en uit een voetplaat ('basis stapedis') die in het ovale venster van het binnenoor ligt. De stapesvoetplaat is met een circulair ligament beweeglijk bevestigd aan het ovale venster. Dit ligament is rondom niet gelijk. Aan de voorkant (anterior) is het slapper dan aan de achterkant. Aan de hals van de stapes hecht een peesje dat overgaat in de eigenlijke spier (de musculus stapedius), die in een benig kanaaltje in de achterwand van de middenoorholte ligt. De musculus stapedius brengt een kanteling van de stapes tot stand, zoals geschetst in Fig.7.


  • Fig.7. Beweging van de stapes als gevolg van een contractie van de musculus stapedius. Figuur getekend naar voorbeeld in Gallé (1979).


    Het spiertje is afkomstig uit het mesenchym van de tweede kieuwboog waarin het gehoorbeentje is ontstaan en wordt daardoor geïnnerveerd door een branchiomotorisch takje van de aangezichtszenuw.


4. De aangezichtszenuw

De aangezichtszenuw (nervus facialis, N.VII) verdient in het kader van het middenoor extra aandacht. Bij het beschrijven van het verloop van deze zenuw wordt gebruik gemaakt van Fig.8.


Fig.8. De mediale wand van de middenoorholte. De middenoorbeentjes zijn hier weggelaten. De nummers geven het volgende aan:
1. Ronde venster
2. Verdikking van de rand van het ovale venster, waar de nervus facialis doorheen loopt
3. Antrum van het mastoïd
4. Aditus ad antrum
5. Luchthoudende cellen in het mastoïd
6. Opening voor de nervus stapedius vanuit de nervus facialis
7. Opening voor de chorda tympani (zie verder) naar de middenoorholte
8. Promontorium
9. Opening voor de nervus facialis - foramen stylomastoideum
10. Ovale venster
Figuur ontleend aan Roeser (1996).


De aangezichtszenuw loopt in de binnenwand (mediale wand) van de middenoorholte in een benig kanaal, in doorsnede getekend in Fig.5 en als verdikking bij nr. 2 in Fig.8, vlak boven het ovale venster. Vervolgens buigt hij ongeveer 90 graden naar beneden (de 'bocht in het kanaal). Hij komt in Fig.8 door het ‘foramen stylomastoideum’ naar 'buiten' en vervolgt zijn weg vlak achter de musculus stapedius door. Het is dus een verloop in drie trajecten. De belangrijkste functie van de nervus facialis is de verzorging van de motoriek van het gezicht (mimiek). Wat betreft het gehoor is de zenuw vooral belangrijk als oorsprong van de motorische innervatie van de musculus stapedius. Verder takt de direct hierna te bespreken 'chorda tympani' af van de nervus facialis. De hoofdstam van de aangezichtszenuw bevat vanuit de kieuwstreek komende motorische vezels voor de tong- en kaakspieren en voor de mimische spieren.


5. De chorda tympani

De 'chorda tympani' is een zenuwbundel die smaakvezels bevat, afkomstig uit het voorste tweederde gedeelte van de tong en ook vezels die de speekselklieren innerveren. Voorts lopen er autonome (parasympathische) vezels die de beweging van de ingewanden beïnvloeden (visceromotorische vezels). Deze beïnvloeding komt tot stand door activering van de productie van speekselklieren mediaal van de onderkaak en onder de tong, respectievelijk 'glandulae submandibularis' en 'glandulae sublingualis'.


De chorda tympani takt af van de nervus facialis waar deze zenuw zich in het tweede traject bevindt (de canalis facialis). Hij komt via een nauwe doorgang (nr. 7 in Fig.8) in de middenoorholte en loopt met een boog door deze holte, vlak achter de hamersteel langs, naar voren, zoals geschetst in Fig.9. Vervolgens komt de chorda via een spleet in de bodem van het de middenoorholte in een naar beneden lopend kanaal (de ‘fossa infratemporalis’) en voegt zich dan bij de vijfde hersenzenuw, de nervus lingualis (N.V).


Fig.9. Verloop van de chorda tympani. Men ziet hier de achterkant van het trommelvlies. Figuur ontleend aan Spalteholz, 1961.


 


3.2.1.4(2). Links

http://www.anatomie-amsterdam.nl. (website 'Ontwikkeling en Anatomie van Zintuigen', webmaster dr. Floris Wouterlood VUMC Amsterdam, 2003).


Inhoud:

3.2.1.1(3). Locatie van het gehoororgaan

3.2.1.2(3). Innervatie en vascularisatie van de oorschelp

3.2.1.3(3). Anatomie en innervatie van het trommelvlies

3.2.1.4(3). Anatomie en innervatie van het middenoor


 

3.2.1.1(3). Locatie van het gehoororgaan

Een goed inzicht in de ligging van zowel de meatus acusticus externus (uitwendige gehoorgang) als de meatus acusticus internus geeft Fig.1. Het os temporale is afgebeeld in Fig.1a. Fig.1b laat de ingang in het os temporale van de buitenzijde zien (meatus externus). De meatus acusticus internus is de doorgang vanuit het benige labyrint, door het pars petrosa, naar de binnenkant van de schedel. Fig.1c toont het os temporale gezien vanuit binnenkant van de schedel. Via deze doorgang lopen o.a. de nervus acusticus, en nervus facialis, respectievelijk de N.VIII en de N.VII.


Fig.1. Positie van het 'os temporale' van de mens (rechter oor) in de schedel (a). Afbeelding (b) toont het bot vanuit een lateraal gezichtspunt (van buiten naar binnen). Afbeelding (c) laat het bot zien vanuit een medaal gezichtspunt (van binnen naar buiten). Het betreft hier dus de rechter binnenwand van de schedel. De betekenis van de afkortingen is als volgt:
EAM — meatus acusticus externa
IAM — meatus acusticus interna
Sq — pars squamosa
Mas — mastoïd
Tym — pars tympanica
Pet — pars petrosa
ZP — processus zygomaticus
Getekend naar voorbeelden in Durrant and Lovrinic (1977).


 


3.2.1.2(3). Innervatie en vascularisatie van de oorschelp

Het grootste deel van de oorschelp wordt sensibel geïnnerveerd door de 'nervus auricularis magnus', afkomstig uit de 'plexus cervicalis' (Fig.2). Een klein deel aan de bovenzijde wordt geïnnerveerd door de 'nervus occipitalis minor' eveneens afkomstig uit de plexus cervicalis. De tragus wordt geïnnerveerd door de 'nervus auriculo temporalis' (tak van N.V). De concha, de gehoorgang en de buitenste laag van het trommelvlies worden geïnnerveerd door een sensibel takje van de 'nervus vagus' (N.X). Dit takje wordt 'ramus auricularis nervi vagi' genoemd. De vascularisatie van de oorschelp wordt verzorgd door takjes van de 'arteria temporalis superfacialis' en door bloedvaatjes die direct afkomstig zijn van de 'arteria carotis externa'.


Fig.2. Innervatie van de oorschelp. Figuur getekend door dr. FG Wouterlood, www.anatomie-amsterdam.nl.


 


3.2.1.3(3). Anatomie en innervatie van het trommelvlies

Het trommelvlies is opgebouwd uit drie lagen die samen 0,1 mm dik zijn:


  1. Een buitenlaag die een voortzetting is van de dunne huid van de gehoorgang (ectodermale oorsprong) met een sensibele innervatie door de 'nervus trigeminus' (N.V) en de 'nervus vagus' (N.X).
  2. Een dikkere middenlaag bestaande uit fibreus bindweefsel met bloedvaten en zenuwen (mesoderme oorsprong). In deze laag lopen in de radiale richtingen stugge vezels en circulair elastische vezels. Dit maakt het vlies vrij stug en levert daarmee een goede overbrenging van de geluidstrillingen.
  3. De binnenste laag bestaat uit een enkellagig zeer dun slijmvlies van entodermale oorsprong. Dit wordt sensibel geïnnerveerd door de nervus glossopharyngeus (N.IX). Mechanische prikkeling van het trommelvlies kan reflexen van de 'nervus vagus' veroorzaken, zoals een hoestreflex, overgeven en verandering van hartritme.

Het trommelvlies zit met de 'annulus fibrosus' vast in een groef aan het einde van de gehoorgang (Fig.3). Het deel dat door de annulus wordt omvat heet 'pars tensa'. Boven de aanhechting van de hamersteel heeft het vlies een slap gedeelte, het 'pars flaccida' of ook wel het 'membraan van Shrapnell' genoemd. Vooronder is door de schuine stand van het vlies - bij belichting - de driehoekige 'lichtreflex van Politzer' zichtbaar. De vorm van het trommelvlies met de relatieve stijfheid en de slappe buitenrand waar stugge vezels ontbreken doet sterk denken aan een luidsprekerconus. Vanuit de gehoorgang toont het gezonde trommelvlies parelgrijs en er door heen is de aanhechting van de hamersteel te zien.


Door middel van een assenstelsel, met de richting van de hamersteel als basis en loodrecht hierop een lijn door de umbo wordt het trommelvlies in vier kwadranten verdeeld. In het achter-boven ('posterior-superior' - IV) kwadrant zijn soms het doorschemerende lange been van de incus, de 'chorda tympani', en de stijgbeugel waar te nemen. In het achter-onder ('posterior-inferior' - III) kwadrant tekent zich vaag de nis af van het ronde venster.


Fig.3. Linker illustratie: buitenaanzicht van het trommelvlies (rechter oor). Rechter illustratie: de structuren die zich direct achter het trommelvlies bevinden. Figuur getekend door dr. FG Wouterlood, www.anatomie-amsterdam.nl.


De trillingsvorm van het trommelvlies is dezelfde als die van de conus van een luidspreker. De uitwijkingen zijn zeer klein, in de orde van grootte van 10-8 cm. Relatief zijn ze onderaan het grootst. Het membraan scharniert als het ware om zijn bovenrand (Fig.3).

 


3.2.1.4(3). Anatomie en innervatie van het middenoor

De middenoorholte ('cavum tympani') heeft vier wanden: lateraal, anterior, mediaal en posterior. Verder heeft het een dak en een bodem. Deze begrenzingen zijn nader te beschrijven. Daarbij wordt gebruikgemaakt van Fig.4 (zelfde figuur als Fig.8 in niveau 2):


Fig.4. De mediale wand van de middenoorholte. De middenoorbeentjes zijn hier weggelaten. Het ronde venster bevindt zich bij nr. 1 en het ovale venster bij nr. 2. Zelfde figuur als Fig.8 in niveau 2 van dit hoofdstuk. De verschillende (genummerde) onderdelen worden besproken in de tekst. Figuur ontleend aan Roeser, 1996.


  1. De buitenwand of laterale wand ('paries membranaceus') wordt voor het grootste gedeelte gevormd door het trommelvlies.


  2. De vóórwand of anteriore wand ('paries caroticus') wordt gevormd door een dunne botlamel die de middenoorholte scheidt van de arteria carotis interna. Er is maar één opening in deze wand: het 'ostium tympanicum' van de buis van Eustachius. Deze opening bevindt zich enigszins boven de bodem van de middenoorholte (nr. 3 in Fig.4).


  3. De binnenwand of mediale wand (‘paries labyrinthicus’ - het middengebied in Fig.4) wordt gevormd door verschillende structuren. Onderscheiden worden - van boven naar beneden - de benige wand van het buitenste kanaal van het evenwichtsorgaan (de 'canalis semicircularis lateralis', nr. 4), de benige wand van het kanaal van de aangezichtszenuw ('canalis facialis', nr. 5), het ovale venster ('fenestra vestibuli', nr. 2), de benige wand van de basale winding van de cochlea (het 'promotorium', nr. 6) en het ronde venster ('fenestra cochleae', nr. 1).


    Aan het verloop van de nervus facialis door de os temporale kunnen drie delen worden onderscheiden. Dit onderscheid is gebaseerd op het feit dat de nervus facialis in zijn traject in het os temporale tweemaal een hoek van 90 graden maakt, eerst in het transversale vlak en vervolgens in het frontale vlak. In het eerste, horizontaal verlopende, deel van dit traject (in de 'meatus acusticus internus') loopt de zenuw samen met de nervus vestibulocochlearis (N.VIII) en de arteria labyrinthi. In het tweede horizontale deel, dat zich in de paries labyrinthicus bevindt, is de zenuw gelegen in een nauw benig kanaal. Op de grens van het eerste en tweede deel bevindt zich het sensibele 'ganglion geniculi'. Het derde, het verticale deel, is ook gelegen in een nauw benig kanaal dat eindigt in het 'foramen stylomastoideum'.


  4. De achterwand of posteriore wand ('paries mastoideus', nr. 7). Daarin bevindt zich boven in de opening naar de luchthoudende cellenstructuur van het mastoïd, de 'aditus ad antrum mastoideum' (nr. 8). Deze opening geeft dus toegang tot het 'antrum mastoideum' (nr. 9) en is reeds ontwikkeld bij de geboorte. Het antrum zet zich voort in de luchthoudende cellen ('cellulae mastoideae') in het 'os mastoideum'. Deze pneumatisatie van het mastoïd voltrekt zich vanaf het tweede levensjaar en verder vooral in de puberteit. Bij veelvuldige oorontstekingen kan dit proces belemmerd worden en komt slechts een beperkte pneumatisatie tot stand.


  5. Het dak wordt gevormd door de benige craniale begrenzing, de 'paries tegmentalis' of het 'tegmen tympani' (nr. 10).


  6. De bodem ('paries jugularis', nr. 11) heeft een nauwe relatie met het bloedvat, de 'vena jugularis interna'. Verder komt de zenuw die de sensibele innervatie verzorgt van de slijmvliezen van het middenoor (nervus tympanicus, tak van de nervus glossopharyngeus, N.IX) de middenoorholte binnen via een opening in de bodem.



Literatuur


  1. Durrant JD, Lovrinic JH. Bases of Hearing Science. The Williams & Wilkins Company, Baltimore, 1977.
  2. Gallé H. Dictaat Anatomie en Fysiologie voor de Opleiding tot Audiologie-Assistent. Utrecht, 1979.
  3. Roeser RJ. Audiology Desk Reference. Thieme New York – Stuttgart, 1996.
  4. Roeser RJ, Valente M, Hosford Dunn H. Audiology: Diagnosis. Thieme New York etc., 2000.
  5. Spalteholz, W. Handatlas und Lehrbuch der Anatomie des Menschen. Teil II, Abbildungen. Scheltema & Holtema NV, Amsterdam, 1961.

© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie