Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 3.2.2(2). Anatomie van het binnenoor en het evenwichtsorgaan
 Auteur: Kapteyn, Lamoré
 Revisie: februari 2016

Dit hoofdstuk is een bewerking van het dictaat Anatomie en Fysiologie van H. Gallé dat vroeger deel uitmaakte van de leerstof van de opleiding tot audiologie-assistent.


Inhoud:

3.2.2.1(2). Inleiding

3.2.2.2(2). Het benige labyrint

3.2.2.3(2). Het vliezige labyrint

3.2.2.4(2). Het orgaan van Corti

3.2.2.5(2). Innervatie en vascularisatie van de cochlea

3.2.2.6(2). Links


 

3.2.2.1(2). Inleiding

Het binnenoor of ‘labyrint’, afgebeeld in Fig.1, heeft een grillige structuur en ziet er inderdaad als een labyrint uit. Het bevat zowel het receptorsysteem van het evenwichtsorgaan (het bovenste gedeelte rechts in Fig.1 dat in het vervolg van dit hoofdstuk apart wordt besproken) als dat van het gehoororgaan (het onderste gedeelte, het slakkenhuis). De kanalen, booggangen en de gang in de slakkenhuisstructuur bevinden zich in uitsparingen (van diezelfde vormen) in het pars petrosa van het os temporale (het rotsbeen).


Fig.1. Positie van het binnenoor en evenwichtsorgaan ten opzichte van het middenoor en uitwendig oor.
De nummer geven het volgende aan:
1 & 2: Uitwendige gehoorgang
3: Antrum van het mastoïd
4: Nervus facialis, nervus acusticus en nervus vestibularis
5: Buis van Eustachius
Figuur ontleend aan Roeser, 1996.


In het geheel van het labyrint zijn twee onderdelen te onderscheiden:


  • Het benige labyrint

  • Het vliezige labyrint dat zich in het benige labyrint bevindt


Het benige labyrint omvat ruimten die uitgespaard zijn in het rotsbeen, het pars petrosa van het os temporale. Het is gevuld met ‘perilymfe’ (buitenvloeistof). Hierin zweeft het vliezige labyrint dat gevuld is met ‘endolymfe’ (binnenvloeistof). Het benige labyrint is embryonaal ontstaan uit het mesenchym. Dat is weefsel gevormd door embryonale cellen van het mesoderm (een deel van het embryo). Het vliezige labyrint is afkomstig uit het labyrintblaasje. Dat is een instulping van de buitenkant van de hoofdzijde van het embryo, het kopectoderm. Voor de embryonale ontwikkeling wordt verwezen naar Hfdst.3.1.2(2). Het verschil in herkomst van het benige en vliezige labyrint geeft de verklaring voor het verschil van samenstelling van de peri- en endolymfe. De twee onderdelen van het benige labyrint worden achtereenvolgens besproken.


De laatste twee paragrafen van dit hoofdstuk zijn specifiek gericht op het gehoororgaan, namelijk de anatomie van het orgaan van Corti en de innervatie van de cochlea.

 


3.2.2.2(2). Het benige labyrint

De ruimten van het benige labyrint zijn te onderscheiden in de volgende delen, geschetst in Fig.2:


  • De ‘aquaeductus vestibuli’ (soms ook ‘aquaeductus cochlearis’ genoemd) die de ‘ductus endolymphaticus’ van het vliezige labyrint omgeeft

  • Het ‘vestibulum’ dat de ‘utriculus’ en de ‘sacculus’, van het vliezige labyrint omgeeft

  • De booggangen (‘canalis semicircularis anterior’, ‘canalis semicircularis posterior’ en ‘canalis semicircularis lateralis’ die de respectievelijke ‘ductus semicirculares’ omgeven

  • De cochlea die de ‘ductus cochlearis’ van het vliezige labyrint omgeeft


Het benige labyrint is gevuld met ‘perilymfe’. Perilymfe is een extracellulaire vloeistof met veel Na+- en weinig K+-ionen. Dit wijkt af van de ionenhuishouding in cellen waarin juist meer K+-ionen dan Na+- ionen voorkomen, maar komt wel overeen met de samenstelling van de hersenvloeistof (‘liquor cerebrospinalis’. In het binnenoor vult de perilymfe de ruimte tussen het vliezige labyrint en de wand van het benige labyrint, de ‘perilymfatische ruimte’. Het is nog niet opgehelderd waar perilymfe wordt gevormd en weer wordt afgevoerd of opgenomen in het weefsel (geresorbeerd). De perilymfatische ruimte staat via de aquaeductus vestibuli in verbinding met de ‘sub-arachnoïdale ruimte’. Dit is de met vloeistof (‘liquor cerebrospinalis’) gevulde ruimte rondom de hersenen. De samenstelling van perilymfe lijkt sterk op deze vloeistof.


Fig.2. De componenten van het benige en vliezige labyrint. Figuur getekend door dr. FG Wouterlood, www.anatomie-amsterdam.nl.


 


3.2.2.3(2). Het vliezige labyrint

Het vliezige labyrint ligt in het benige labyrint en is geheel omsloten door perilymfe (Fig.2). Er zijn vier delen te onderscheiden die wezenlijk verschillende functies hebben:


  1. De ductus endolymphaticus en de ‘saccus endolymphaticus’ in de aquaeductus vestibuli van het benige labyrint

  2. De utriculus en de sacculus in het vestibulum van het benige labyrint

  3. De ductus semicirculares in de booggangen van het benige labyrint

  4. De ductus cochlearis in het slakkenhuis van het benige labyrint.


Het vliezige labyrint is gevuld met ‘endolymfe’ (binnenvloeistof). Endolymfe is een extracellulaire vloeistof waarvan de samenstelling veel lijkt op die van cellen welke veel K+-ionen en weinig Na+-ionen bevatten. Endolymfe komt alleen voor in het labyrint en wordt daar, in het vliezige labyrint, op verschillende plaatsen geproduceerd, zoals in de cochlea door de stria vascularis. Het wordt dan toegevoegd aan de inhoud van de ductus cochlearis. Het vocht stroomt verder naar de sacculus, de utriculus en de halfcirkelvormige kanalen en wordt geresorbeerd in de sacculus endolymphaticus.


  1. De ductus endolymphaticus

    De ductus endolymphaticus is een buisvormige uitloper van het vliezige labyrint in de aqueductus vestibuli, het in het bot uitgespaarde kanaal. Deze uitloper eindigt in de ‘saccus endolymfaticus’ en is met endolymfe gevuld. Daaromheen is perilymfe aanwezig.


  2. De utriculus en de sacculus

    De utriculus en de sacculus, geschetst in Fig.3, vormen samen de ‘statolietorganen’. Zij verzorgen de lichaamsoriëntatie ten opzichte van de zwaartekracht. Het betreft dus primair het handhaven van het houdingsevenwicht bij stilstaan.


    Fig.3. Schets van het vliezige labyrint met daarin, donker gearceerd, de zes groepen zintuigcellen. Figuur getekend naar voorbeeld Gallé, 1979.


    Ze zien er uit als afgeplatte blaasjes (‘maculae’, respectievelijk de ‘macula utriculi’ en de ‘macula sacculi’) en zijn gevuld met endolymfe. De macula utriculi is wat gebogen en ligt, wanneer het hoofd rechtop gehouden wordt, hoofdzakelijk in een horizontaal vlak. De macula sacculi is ook wat gebogen, maar ligt wanneer het hoofd rechtop gehouden wordt hoofdzakelijk in een verticaal vlak. In elke macula bevindt zich onder een gelatine-achtige structuur een groep haarcellen met detecterende buigzame ‘haartjes’, zoals geïllustreerd in Fig.4. De haren van de haarcellen steken uit in deze gelatine-achtige structuur. Om de haarcellen heen bevinden zich steuncellen. De haarcellen, de feitelijke zintuigcellen, hebben elk 50 tot 100 stereocilia en één kinocilium. Aan de buitenzijde van de plaat van op gelatine lijkend materiaal bevindt zich het 'otolietmembraan'. Daarop zijn kalkkristallen, bestaande uit calciumcarbonaat, vastgehecht. Deze worden ‘otolieten’, ‘oorstenen’ of ‘otoconiën’ genoemd. In de maculae bevinden zich ook de overgangen van zintuigcellen naar de zenuwvezels.


    Fig.4. Detail van de macula utriculi. Figuur getekend door dr. FG Wouterlood, www.anatomie-amsterdam.nl.


    Wanneer men rechtop staat, zonder te bewegen, trekt de zwaartekracht aan de oorstenen die in de gelatineachtige koek liggen. De haartjes staan dan enigszins gebogen, afhankelijk van de richting van de zwaartekracht ten opzichte van hun basisbevestiging. Bij een positieverandering van het hoofd ten opzichte van de zwaartekracht verplaatsen de oorstenen zich ten opzichte van de onderlaag (en dus ten opzichte van de basis van de cilia). De verandering in de mate van buiging van de cilia veroorzaakt een stimulatie van de haarcellen.Deze geven veranderende elektrische potentialen af die worden omgezet in actiepotentialen. De actiepotentialen worden via de nervus vestibularis (N.VIII) doorgegeven aan de hersenen. Wanneer het hoofd een externe versnelling ondergaat worden de otolietsystemen ook gestimuleerd omdat dan de resultante van de ondervonden versnelling en de zwaartekracht uit een andere richting komt dan het geval was vóórdat die versnelling (of vertraging) optrad. Doordat de wat gebogen maculae zich in twee loodrecht op elkaar staande vlakken bevinden kunnen veranderingen van versnellingen, dus veranderingen van de richting van de momentane (schijnbare) zwaartekracht in alle richtingen worden gedetecteerd.


  3. De ductus semicirculares (halfcirkelvormige kanalen)

    Het vestibulaire systeem bevat naast sensoren voor rechtlijnige versnellingen, de zojuist besproken otolietsystemen, sensoren die rotaties detecteren. De drie halfcirkelvormige kanalen (ductussemicirculares) bestaan uit vliezige buizen omgeven door in het bot uitgespaarde booggangen (halfrondlopende tunnels). Deze drie kanalen liggen in loodrecht op elkaar staande vlakken zoals bij de wanden van een kubus.Met een halfcirkelvormig kanaal kan een verandering van een draaibeweging in het vlak van dat kanaal waargenomen worden. Hiertoe is het kanaal gevuld met een vloeistof, de endolymfe. Als het hoofd gaat bewegen zal de vloeistof door de traagheid van de massa achterblijven ten opzichte van de benige wand. Deze verplaatsing heeft tot gevolg dat een heel licht beweegbaar afsluitend klepje in het kanaal, de cupula, waarvan de basis vastzit aan de benige wand, meebuigt. De buiging veroorzaakt een elektrische potentiaal die omgezet wordt in actiepotentialen.Door middel van de drie halfcirkelvormige kanalen kan elke verandering van een draaibeweging van het hoofd in de ruimte worden waargenomen. Het voorste kanaal (canalis anterior, ook wel superior) en het achterste (canalis posterior) staan vrijwel verticaal. Het zijwaartse kanaal (canalis lateralis), dat het dichtst bij de gehoorgang komt, ligt meer horizontaal, onder een hoek van 30 graden schuin omhoog naar achter-boven. De voorste- en de achterste kanalen hebben een klein gemeenschappelijk gedeelte het ‘crus commune’ (Fig.3).


    Elk halfcirkelvormig kanaal bezit een verwijding, de ampulla, met daarin een verhoging met steuncellen en haarcellen, de ‘crista ampullaris’ waarop de cupula staat, geschetst in Fig.5. De cupula die de ampulla afsluit heeft een gelatine-achtige buigzame structuur waarin zich de haartjes (de cilia en het kinocilium) van de haarcellen bevinden. Bij een verandering van de hoofdstand verplaatst de vloeistof in de halfcirkelvormige kanalen zich enigszins ten opzichte van de wand. Dit heeft tot gevolg dat de cupula mee wil buigen. Dit kan omdat de cupula vanuit de basis op de crista heel buigzaam is. De crista bevat zintuigcellen (haarcellen) die een beweging van de cupula registreren en omzetten in een veranderende elektrisch. spanning. Deze informatie wordt afgeleverd aan dendrieten en vervolgens axonen (zenuwvezels) waarvan de cellichamen in het ‘ganglion vestibulaire’ liggen. Het spirale ganglion bevindt zich in de ‘meatus acusticus internus’ (inwendige gehoorgang). De actiepotentialen die in de zenuwuiteinden worden gegenereerd worden via de ganglioncellen doorgegeven naar de hersenen.


    Fig.5. Doorsnede door een ductus semicircularis ter plaatse van de ampulla (links boven) en doorsnede door een crista ampullaris en cupula (rechts). Figuur getekend door dr. FG Wouterlood, www.anatomie-amsterdam.nl.


    De zenuw vanuit het evenwichtsorgaan (nervus vestibularis) voegt zich bij de gehoorzenuw (nervus cochlearis) en de dan ontstane gezamenlijke zenuw (nervus vestibulocochlearis, N.VIII) loopt via de inwendige gehoorgang naar de hersenstam. Deze inwendige gehoorgang is dus een doorgang in het os temporale vanaf het zintuig naar de binnenkant van de schedel. Voor inzicht in de precieze situering van de meatus acusticus internus wordt verwezen naar Hfdst.3.2.1(3), Par.1.


  4. De ductus cochlearis (scala media)

    De cochlea is een kanaal, uitgespaard in het rotsbeen, spiraalvormig opgerold als een slakkenhuis. Het is een onderdeel van het benige labyrint. Het is dus gevuld met perilymfe. De cochlea telt bij de mens 2¾ windingen. De lengte bedraagt 35mm en het oppervlak van de doorsnede gemiddeld 3 mm2. Fig.6 toont de doorsnede door een cochlea van boven naar beneden.


    Fig.6. Doorsnede door een menselijke cochlea. Figuur getekend naar voorbeeld Gallé, 1979.


    De buisvormige ruimte is in de lengterichting in twee compartimenten verdeeld door een scheidingswand, die naar de top van het slakkenhuis spiraliseert. Deze heet de ‘lamina spiralis’. De dunne plaat draait als een wenteltrap rond een holle kern (‘modiolus’). De lamina spiralis is aan de binnenkant (in de kern) benig maar wordt naar de buitenkant toe meer membraneus. De buitenrand van de lamina spiralis is het ‘basilaire membraan’. Een en ander is geschematiseerd afgebeeld in Fig.7.


    Fig.7. Schematische doorsnede door het midden van de cochlea. Aangegeven zijn de modiolus (de ‘holle’ kern) en de lamina spriralis die daar omheen draait. De ganglioncellen bevinden zich in de holle ruimten direct aan het begin van de lamina spiralis. Figuur ontleend aan Netter, 1991/92.


    Het compartiment aan de bovenkant van de scheidingwand(de kant van het ovale venster, de opstijgende trap van de cochlea) heet ‘scala vestibuli’. De scala vestibuli is een voortzetting van het perifere vestibulaire deel van het binnenoor, het vestibulum. Het compartiment aan de onderkant van de scheidingswand (de kant van de dalende trap,de ‘scala tympani’), eindigt bij het ronde venster dat is afgesloten door een membraan waarachter zich (van binnenuit gezien) de middenoorholte bevindt. Aan de top van de cochlea houdt de lamina spiralis op en is er een verbinding tussen de twee scalae. Deze verbinding heet het ‘helicotrema’.


    In de scala vestibuli bevindt zich een uitloper van het vliezige labyrint die met de lamina spiralis mee draait en wel aan de buitenzijde daarvan, boven het basilaire membraan. Deze structuur heet ‘scala media’ of ook wel ‘ductus cochlearis’. Deze scala media bevat in feite de structuur die de omzetting van mechanische energie in neurale signalen verzorgt. De scala media (de ductus) is gevuld met endolymfe en is direct verbonden met de ruimten van de utriculus, de sacculus en de halfcirkelvormige kanalen.


    In de scala media bevindt zich het orgaan van Corti met de haarcellen die de mechanische geluidstrillingen omzetten in elektrische signalen. Deze genereren op hun beurt in de zenuwcellen van het ‘ganglion spirale’ actiepotentialen die worden doorgegeven aan de hogere gehoorcentra in de hersenstructuren. Dit zeer gevoelige en subtiel werkende systeem van haarcellen ligt in de scala media, heel beschermd door de inbedding in perilymfe binnen het hardste bot dat ons lichaam heeft, het rotsbeen.


    Een meer gedetailleerde dwarsdoorsnede door een winding van de cochlea wordt uitgebeeld in Fig.8. Op elke doorsnede zijn de drie compartimenten te zien: de met perilymfe gevulde scala vestibuli boven de lamina spiralis, daar onder de scala tympani en er tussenin de scala media (in het midden langs de buitenkant). Links zijn de zenuwcellen in het ganglion spirale en de daarmee verbonden vezels van de nervus cochlearis getekend. In de modiolus lopen de vezels van de gehoorzenuw (nervus cochlearis), die zich vertakt over de benige rand, zodat spiraalsgewijs de uiteinden alle haarcellen kunnen bereiken.


    Fig.8. Doorsnede door een cochlea. De ductus cochlearis (scala media) is het driehoekige compartiment, begrensd door het membraan van Reissner, het basilaire membraan en de stria vascularis. Figuur getekend naar voorbeeld Gallé, 1979.


    De scala media heeft een driehoekige doorsnede. De drie wanden hebben elk een eigen naam en functie:


    De binnenwand, aan de kant van de as van het slakkenhuis (de modiolus), wordt het ‘membraam van Reissner’ (‘membrana vestibularis van Reissner’) genoemd. Het is een heel dunne scheidingswand tussen perilymfe en endolymfe. De buitenwand heet de ‘stria vascularis’. Deze structuur is rijk aan bloedvaten en heeft een functie bij de stofwisseling van de cochlea. De onderwand is vastgehecht op het basilaire membraan (‘membrana basilaris’). In deze onderwand lopen zenuwvezels tot aan het orgaan van Corti met de zintuigcellen dat op dit membraan is gesitueerd. Binnen de scala media bevindt zich nog het ‘tectoriaal membraan’ (‘membrana tectoria’, ook wel ‘dakmembraan’ genoemd). Dit is een buigzame voortzetting van de benige spiraal, zich uitstrekkend óver de haarcellen in het orgaan van Corti.

 


3.2.2.4(2). Het orgaan van Corti

Het orgaan van Corti (‘organum spirale’) bestaat uit een cellenstructuur op de buitenzijde (van de modiolus uit gezien) van de lamina spiralis op het basilaire membraan. Het orgaan van Corti strekt zich uit over de hele lengte van de cochlea. Naast enkele holten en zenuwvezels treffen we er de haarcellen aan. Bovenop de haarcellen staan - op dezelfde wijze als bij de andere onderdelen van het labyrint - stereocilia. Kinocilia ontbreken echter. De haarcellen worden omgeven door steuncellen.


Fig.9 laat zien dat de haarcellen in de lengterichting van de cochlea (horizontaal in de figuur) gerangschikt staan in rijen. Aan de buitenkant, gezien vanuit de modiolus (onder in Fig.9), bevinden zich bij de mens 3 rijen ‘buitenste haarcellen’ (‘outer hair cells’ - OHC). Aan de binnenkant staat nog een rij ‘binnenste haarcellen’ (‘inner hair cells - IHC). In totaal zijn er 12 á 19.000 buitenste en 3 á 4.000 binnenste haarcellen in een cochlea.


Een doorsnede door het orgaan van Corti is afgebeeld in Fig.10. Het gaat dus om een uitvergroting van Fig.8. Boven de haarcellen bevindt zich het zo-even benoemde tectoriaal membraan. Tussen het tectoriaal en de top van de haarcellen bevindt zich een gelatineuze laag. Hierin steken de stereocilia van de haarcellen.


Fig.9. Gedeelte (bovenaanzicht) van het orgaan van Corti met de drie rijen buitenste haarcellen (OHC) en de éne rij binnenste haarcellen (IHC). In deze foto is het tectoriaal membraan verwijderd. De indicatie ‘Ph’ heeft betrekking op de ‘phalangeale’ cellen, een van de typen steuncellen. De horizontale richting in de figuur is de lengte richting van de cochlea. Figuren: © Researchlaboratorium KNO, UMC Utrecht. Zelfde figuren als in Fig.7 van Hfdst.6.1.1(2).


Fig.10. Schematische doorsnede door het orgaan van Corti. Figuur getekend door dr. FG Wouterlood, www.anatomie-amsterdam.nl.


Aan de basis van elke haarcel bevinden zich één of meer zenuwvezels. De cellichamen van deze zenuwvezels bevinden zich in het ganglion spirale. In de ganglioncellen worden de actiepotentialen gegenereerd die de informatie, afkomstig van de haarcellen, via de gehoorzenuw doorgeven aan de hogere hoorcentra. De gehoorzenuw loopt in de holle as van de cochlea, de modiolus waar het ganglion spirale omheen spiraliseert samen met de lamina spiralis waarop de haarcellen zijn gesitueerd.


De functie van het orgaan van Corti is het omzetten van de geluidstrillingen in elektrische signalen die de basis vormen van de neurale informatie voor de hogere hoorcentra. De mechanische energie, aangeboden vanuit het middenoor, wordt door de beweging van de stapes omgezet in een vorm van een drukgolf in vloeistof (hydraulische energie). Deze wordt achtereenvolgens door de perilymfe van de scala vestibuli en scala tympani getransporteerd en veroorzaakt een transversale lopende golf langs het basilaire membraan. De plaats waarop de uitwijking maximaal is hangt af van de aangeboden frequentie(s) van het geluid. Dit is een direct gevolg van de verandering van de mechanische eigenschappen van het basilaire membraan tijdens het omhoog spiraliseren. Aan de basis is het membraan relatief stijf en strak ingeklemd in steuncellen. Het is daar smal (100 µm). In het verloop echter naar de top van de cochlea wordt het soepeler en minder stijf ingeklemd. De breedte bedraagt uiteindelijk 500 µm. Over datzelfde traject, van basis naar apex, neemt de lengte van de haarcellen geleidelijk toe en de diameter van de cellen af. Deze veranderende mechanische eigenschappen bewerkstelligen dat het basilaire membraan, bij aangeboden trillingen van verschillende frequenties, op verschillende plaatsen optimaal gaat bewegen.


De bewegingen hebben een mechanische verplaatsing van de stereocilia van de haarcellen t.o.v. het tectoriaal membraan tot gevolg. Dit leidt tot een depolarisatie van de met de haarcellen verbonden uitlopers van de ganglioncellen, de dendrieten. Vervolgens worden in ganglion spirale actiepotentialen gegenereerd en doorgegeven, via de vezels van de gehoorzenuw naar de hersenstam. Het transductieproces in de cochlea en de specifieke rol van de buitenste haarcellen daarbij worden beschreven in Hfdst.4.3.1(2) en Hfdst.6.2.1(2).


De wijze waarop het orgaan van Corti bevestigd is op het basilaire membraan wordt, in aanvulling op de weergave in Fig.10, verder verduidelijkt in Fig.11.


Fig.11. Het orgaan van Corti en het basilaire membraan. OHC = buitenste haarcel en IHC = binnenste haarcel. Figuur getekend naar voorbeeld in Gallé (1979). Een figuur met meer details bevindt zich in niveau 3 van dit hoofdstuk.


De haarcellen in het vliezige labyrint, d.w.z. in de statolieten, in de crista en in de cochlea, hebben grotendeels dezelfde structuur. Men ziet steeds een cellichaam met kern en aan de top van de cel een aantal in lengte afnemende haren (stereocilia). Aan één kant van het groepje stereocilia bevindt zich een langer uitsteeksel het kinocilium. Dit onderdeel ontbreekt in de cochlea.


Alle haarcellen zijn via ganglioncellen verbonden met zenuwvezels. Deze verenigen zich tot òf de nervus vestibularis (alleen evenwicht) òf de nervus cochlearis (gehoor). Samen vormen zij de achtste hersenzenuw (N.VIII). Langs deze weg wordt de informatie ter bewerking aangevoerd aan de hogere auditieve centra tot aan de cortex.


 


3.2.2.5(2). Innervatie en vascularisatie van de cochlea

De bases van de haarcellen zijn via ongeveer 30.000 ganglioncellen verbonden met de gehoorzenuw. Het aantal neuronen is dus groter dan het aantal zintuigcellen. Dit komt omdat meerdere (tussen de 10 en 20) zenuwvezels die de informatie naar de hogere hoorcentra leiden (de afferente zenuwvezels) synaptisch contact maken met één (binnenste) haarcel. Dit zijn de radiale ‘type I’ neuronen. Zie Fig.12. Voor de buitenste haarcellen geldt het omgekeerde. Hier spiraliseren de afferente dendrieten in basale richting en maken daarbij contact met meerdere buitenste haarcellen. Dit zijn de spirale ‘type II’ neuronen. Deze groep vezels (dendrieten hier) heet de ‘Outer Spiral Bundle’ - OSB).


Fig.12. Afferente innervatie van de binnenste (IHC) en buitenste (OHC) haarcellen. OSB staat voor ‘Outer Spiral Bundle’. De type I vezels zijn verreweg in de meerderheid en maken contact met de binnenste haarcellen, meerdere vezels (tussen 10 en 20) met één haarcel. Voor de type II vezels geldt het omgekeerde. Figuur ontleend aan Pickles, 2007.


Voor de volledigheid dient hier ook genoemd te worden dat vanuit de hogere hoorcentra een terugkoppeling plaatsheeft naar de haarcellen. Dit gebeurt door het neergaande neurale systeem, de efferente zenuwvezels. De innervatie van de efferente zenuwvezels bij de binnenste haarcellen is anders dan bij de buitenste haarcellen. Bij de buitenste haarcellen eindigen de zenuwuiteinden van zowel de efferente als de afferente zenuwvezel op het cellichaam zelf. Bij de binnenste haarcellen eindigen de efferente uiteinden op de afferente zenuwuiteinden vlak bij de plaats waar deze op het cellichaam aansluiten. Voor de betekenis van het efferente neurale systeem raadplege men Hfdst.3.3.1(2).


De bloedverzorging van het binnenoor verloopt uit de ‘arteria cerebelli inferior anterior’ (‘acia’) via de arteria basilaris en de arteria labyrinthi (arteria auditiva interna) die zich wisselend kan vertakken in meestal drie gedeelten, de arteria vestibularis, de arteria cochlearis en de arteria vestibulo-cochlearis. Tussen het arteriële en het veneuze systeem is een capillair systeem gelegen dat vooral in de stria vascularis in de cochlea een belangrijke metabole functie vervult.

 


3.2.2.6(2). Links


http://www.anatomie-amsterdam.nl/sub_sites/anatomie-zintuigen/zintuig_start.htm

(anatomie van de zintuigen - website van de afdeling ‘Anatomie en Neurowetenschappen’ van het VUMC)


http://faculty.plattsburgh.edu/roger.hamernik/CDS_344/PDF_Files/Auditory2.pdf


(anatomie van de verschillende structuren van het binnenoor - zeer duidelijke plaatjes)


http://www.anatomie-amsterdam.nl. (website 'Ontwikkeling en Anatomie van Zintuigen', webmaster dr. Floris Wouterlood VUMC Amsterdam, 2003).



3.2.2.1(3). Orgaan van Corti

Fig.1. Het orgaan van Corti en het basilaire membraan. OHC = buitenste haarcel en IHC = binnenste haarcel. Figuur getekend naar voorbeeld in Gallé (1979).


Literatuur

  1. Bredberg G, Ades HW, Engstrom H. Scanning electron microscopy of the normal and pathologically altered organ of Corti. Acta Otolaryngol 1972 (Suppl.);301:3-48.
  2. Durrant JD, Lovrinic JH. Bases of Hearing Science. The Williams & Wilkins Company, Baltimore, 1995.
  3. Gallé H. Dictaat Anatomie en Fysiologie voor de Opleiding tot Audiologie-Assistent. Utrecht, 1979.
  4. Netter FH. ‘Atlas of human anatomy’. Vol I (Nervous system). Ciba Geigy Corp., 1991/92.
  5. Pickles JO. Illustrations of the Inner Ear. Graceville Press, Graceville. 2007.
  6. Pickles JO. An introduction to the physiology of hearing. Emerald, 2008.
  7. Roeser RJ. Audiology Desk Reference. Thieme New York – Stuttgart, 1996.
  8. Roeser RJ, Valente M, Hosford Dunn H. Audiology: Diagnosis. Thieme New York etc., 2000.
  9. Spoendlin H. Structural basis of peripheral frequency analysis. In ‘Frequency analysis and periodicity detection in hearing’ Plomp R, Smoorenburg GF (eds.) Sijthoff Leiden, 1970.

© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie