Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 7.1.1(2). Slechthorendheid en doofheid – Overzicht
 Auteur: Lamoré
 Revisie: april 2014

Inhoud:

7.1.1.1(2). Inleiding

7.1.1.2(2). De mate van gehoorverlies 

7.1.1.3(2). Categorieën

7.1.1.4(2). Oorzaken, gevolgen, en storende invloeden

7.1.1.5(2). Classificaties en links


 

7.1.1.1(2). Inleiding

In het complexe gehoorsysteem kunnen afwijkingen aanwezig zijn of beschadigingen optreden. Deze kunnen een gevolg zijn van een ziekte van het gehoororgaan zelf (interne oorzaken), maar ook van schadelijke invloeden van de omgeving (externe oorzaken). In verreweg de meeste gevallen is het een gevolg van een verminderd gehoor (gehoorverlies). In enkele gevallen is een gehoorverlies niet aantoonbaar, maar zijn er wel problemen bij de interpretatie van het geluid. Rubriek 7 van het Nederlands Leerboek Audiologie beschrijft de verschillende categorieën van beschadigingen van gehoorsysteem, de oorzaken ervan (interne en externe oorzaken) en de gevolgen voor de betrokkenen en de omgeving. Het voorliggende Hfdst.7.1.1. is bedoeld als inleiding.


 


7.1.1.2(2). De mate van gehoorverlies 

Om (normaal)horenden een indruk te geven van de praktische consequenties van een bepaald gehoorverlies, zijn de gehoorverliezen ingedeeld volgens een schaal van toenemende zwaarte. Hierin is de mate van gehoorverlies gebaseerd op de uitkomst van toonaudiometrisch onderzoek. Er wordt gebruikt gemaakt van het gemiddelde gehoorverlies, in dB, bij de frequenties 500, 1000, 2000 en 4000 Hz. De indeling is een wat strikte benadering, want de mate van gehoorverlies wordt maar zeer ten dele bepaald door wat het toonaudiogram te zien geeft. Het spraakverstaan in stilte en het spraakverstaan in lawaai zijn meestal veel meer indicatief voor het functioneren van het gehoor. De hier volgende indeling moet dan ook met de nodige ‘vrijheid’ gehanteerd worden.


Normaal gehoor: -10 tot 15 dB


Licht gehoorverlies: 16 tot 40 dB
Men heeft moeite met het horen en/of verstaan van zachte spraak en fluisterspraak, van spraak van grotere afstand of van spraak in lawaaiige omgevingen.


Matig gehoorverlies: 41-55 dB
Men heeft moeite met het horen en/of verstaan van spraak op een normaal niveau van luidheid – zelfs op korte afstand, van spraak op een normale afstand – zelfs in een rustige omgeving. Ook het geluid van een telefoon kan slecht of helemaal niet te horen zijn.


Ernstig gehoorverlies: 56-70 dB
Men heeft moeite met het verstaan van luide spraak, het horen van sirenes van brandweer- en ziekenauto’s en het horen van het geluid van een dichtslaande deur.


Zeer ernstig gehoorverlies: 71-90 dB
Men heeft moeite met het horen van het geluid van een motor of van werkgereedschap. Nog wel enig spraakverstaan mogelijk, zeker in combinatie met spraakafzien.


Doofheid (ook wel ‘zeer ernstig gehoorverlies’ genoemd): 90 dB en meer
Geen spraakverstaan mogelijk op basis van alleen akoestische informatie.


 


7.1.1.3(2). Categorieën

Het is gebruikelijk ‘ziekten van het oor’ onder te verdelen in de volgende categorieën:


  1. Slechthorendheid (Leerboek Onderdeel 7.2)
    • Conductief gehoorverlies (geleidingsverlies)
    • Perceptief gehoorverlies
    • Gemengd gehoorverlies
    • Functioneel gehoorverlies
    • Centraal gehoorverlies
  2.  

  3. Doofheid (Leerboek Onderdeel 7.3)



Bij doofheid is meestal sprake van een zeer groot gehoorverlies. Het verschil tussen ‘slechthorendheid’ en ‘doofheid’ kan het beste gekarakteriseerd worden aan de hand van de mogelijkheden om te communiceren in gesproken taal. Slechthorenden kunnen dit (na geluidversterking), al dan niet met ondersteuning van het lipbeeld of van gebaren. Doven kost dit daarentegen de grootste moeite. Zij kiezen meestal voor het gebruik van gebaren (als aanvulling) of van Nederlandse Gebarentaal (zonder te spreken) De verschillende categorieën slechthorendheid worden hierna kort besproken


  • Bij een conductief gehoorverlies (geleidingsverlies) is er sprake van een storing in de overdracht (geleiding) van het geluid via de gehoorgang en de gehoorbeentjes in het middenoor naar het binnenoor. Een voorbeeld is een afsluiting van de gehoorgang door oorwas (cerumen) of een onderbreking van de gehoorbeentjes op basis van een ongeval of chronische middenoorontsteking. Een bijzondere vorm van een geleidingsslechthorendheid is de aandoening otosclerose, waarbij de stijgbeugel (stapes) gefixeerd raakt. Trillingen kunnen dan in sterk verminderde mate aan het binnenoor worden doorgegeven.


  • Bij een perceptief gehoorverlies bestaat er een storing in de verwerking van de trillingen op het niveau van de zintuigcellen in de cochlea en/of in het transport van de elektrochemische impulsen vanaf de haarcellen naar de akoestische hersenschors. Een perceptief gehoorverlies kan dus veroorzaakt zijn door een pathologie in de cochlea (‘cochleair gehoorverlies’), maar ook door een pathologie in ‘hogere’ gehoorcentra (‘retrocochleair gehoorverlies’). Voorbeelden van een perceptief gehoorverlies zijn: de meeste vormen van aangeboren slechthorenheid, ouderdomsslechthorendheid, lawaaibeschadiging, gehoorverlies door intoxicatie en plotsdoofheid. Een gehoorverlies wat veroorzaakt wordt doordat een tumor in de hersenstam druk uitoefent op de gehoorzenuw is een voorbeeld van een retrocochleair (perceptief) gehoorverlies.


  • Bij een gemengd gehoorverlies bestaat er zowel een stoornis in de overdracht (geleiding) van het geluid als in de verwerking van het geluid. Vaak gaat het in deze vorm van slechthorendheid om het resultaat van chronische middenoorinfecties, al dan niet in samenhang met middenooroperaties.


  • Bij een functioneel gehoorverlies kan de onderzoeker met zijn/haar audiometrische testbatterij geen gehoorverlies aantonen, terwijl de patiënt toch last heeft van een vermindering van het gehoor. Vaak ligt er een emotionele of psychische oorzaak aan deze vorm van gehoorverlies ten grondslag. Aan een psychogeen gehoorverlies, ook wel ‘centrale dysacusis’ genoemd, zou een stoornis in de verwerking van de geluidsimpulsen (blokkade) in de akoestische hersenschors ten grondslag liggen.


  • Bij een centraal gehoorverlies gaat het om een aandoening van het centrale zenuwstelsel. De interpretatie van het geluid is verstoord.


 


7.1.1.4(2). Oorzaken, gevolgen, en storende invloeden

Oorzaken
Bij het beschrijven van de verschillende oorzaken van doofheid en slechthorendheid is het lastig een heldere en sluitende indeling te maken. Verschillende aandoeningen waarbij het gehoor verminderd is, zoals erfelijke slechthorendheid en doofheid en het syndroom van Usher, zijn niet specifiek voor hetzij ‘slechthorendheid’ hetzij ‘doofheid’. Men spreekt echter wel weer van ‘aangeboren slechthorendheid’ en ‘prelinguale doofheid’ en van een ‘verworven perceptief gehoorverlies’ en ‘plotsdoofheid’. In Rubriek 7 van het leerboek is ervoor gekozen de oorzaken die duidelijk aan slechthorendheid gerelateerd zijn te bespreken in het kader van Onderdeel 7.2 (Hfdst.7.2.1 - ‘Oorzaken van Slechthorendheid’) en de aan doofheid gerelateerde oorzaken in Onderdeel 7.3 (Hfdst.7.3.2 – ‘Oorzaken van Doofheid’). Omdat doofheid in veel gevallen een erfelijke oorzaak heeft komen de gehoorstoornissen waaraan een genetisch (te traceren) defect ten grondslag ligt aan de orde in Hfdst.7.3.2(2) en slechts kort in Hfdst.7.2.1(2). Beide hoofdstukken hebben een wat algemener karakter dan de plaatsing in het betreffende onderdeel doet vermoeden.


Gevolgen
Slechthorendheid en doofheid hebben beide een grote invloed op het persoonlijk en sociaal functioneren. Bij kinderen betreft dit de sociaal-emotionele ontwikkeling en het functioneren in het onderwijs. Bij volwassenen is er de impact op de relaties (privé en in het werk). Een steeds terugkerend onderwerp in verband met doofheid is de wijze van communiceren (gesproken taal, ondersteuning met gebaren, of Nederlandse Gebarentaal). Deze onderwerpen komen in de betreffende hoofdstukken specifiek aan de orde.


De laatste jaren is er meer en meer aandacht gekomen voor het kwantificeren van de gevolgen van slechthorendheid, met als doel een ordening aan te brengen in de verschillende aspecten van een beperking van de lichamelijke en geestelijke toestand van een persoon, de zogenaamde ‘functionele gezondheidstoestand’. Het resultaat van deze inspanningen wordt besproken in Onderdeel 7.5 van Rubriek 7.


Storende invloeden
Tenslotte worden in Onderdeel 7.4. van het Leerboek de risico’s besproken van blootstelling aan hard geluid en schadelijke stoffen voor het blijvend goed functioneren van het gehoorsysteem en de (negatieve) invloed van de akoestiek van een ruimte op het spraakverstaan.


 


7.1.1.5(2). Classificaties en links

Een gestructureerd overzicht van de indelingen, de determinanten en het beloop van gehoorstoornissen is te vinden op de website van het Nationaal Kompas Volksgezondheid: http://www.nationaalkompas.nl/gezondheid-en-ziekte/ziekten-en-aandoeningen/zenuwstelsel-en-zintuigen/gehoorstoornissen/beschrijving/. Hierop staan ook de ICD codes (International Classification of Diseases): ICD-10-codes H90.0-H90.2.


Voor de volledigheid worden hier ook de 'Grades of hearing impairment' van de WHO vermeld (Tabel I). De audiometrische ISO waarden zijn de gemiddelden van de frequenties 500, 1000, 2000 en 4000 Hz. De 'Grades' 2, 3 and 4 gelden als 'disabling hearing impairment'. De omschrijvingen zijn in het Engels gehouden om mogelijke nuanceringen als het gevolg van een vertaling te vermijden. Zie ook:
http://www.who.int/pbd/deafness/hearing_impairment_grades/en/


Grade of impairment Corresponding audiometric ISO value Performance Recommendations
       
0 - No impairment 25 dB or better
(better ear)
No or very slight hearing problems. Able to hear whispers. No.
1 - Slight impairment 26-40 dB
(better ear)
Able to hear and repeat words spoken in normal voice at 1 meter. Counseling. Hearing aids may be needed.
2 - Moderate impairment 41-60 dB
(better ear)
Able to hear and repeat words spoken in raised voice at 1 metre. Hearing aids usually recommended.
3 - Severe impairment 61-80 dB
(better ear)
Able to hear some words when shouted into better ear. Hearing aids needed. If no hearing aids available, lip-reading and signing should be taught.
4 - Profound impairment, including deafness 81 dB or greater
(better ear)
Unable to hear and understand even a shouted voice Hearing aids may help understanding words. Additional rehabilitation needed. Lip-reading and sometimes signing essential.

Tabel I. De 'Grades of hearing impairment' van de WHO.


De grote variatie in functionaliteit, behorend bij eenzelfde gehoorverlies, leidt ertoe dat de twee in dit hoofdstuk gepresenteerde classificaties van gehoorverlies niet met elkaar in strijd zijn.   



© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie