Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 7.3.2(2). Oorzaken van doofheid
 Auteur: Lamoré
 Revisie: maart 2011

Inhoud:

7.3.2.1(2). Inleiding

7.3.2.2(2). Erfelijke niet-syndromale, gehoorstoornissen (categorie 1)

7.3.2.3(2). Gehoorstoornissen als onderdeel van een syndroom (categorie 2)

7.3.2.4(2). Complexe of multifactoriele aandoeningen en congenitale virale syndromen (categorie 3)

7.3.2.5(2). Verworven aandoeningen (categorie 4)

7.3.2.6(2). Verwijzingen

7.3.2.7(2). Links

 

7.3.2.1(2). Inleiding

In het voorliggende Hfdst.7.3.2 wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste oorzaken van doofheid en slechthorendheid. Het hoofdstuk is vooral bedoeld als wegwijzer bij het verwerken van de enorme hoeveelheid informatie op dit gebied in boeken en websites. De oorzaken van doofheid en de oorzaken van slechthorendheid worden hier in eenzelfde hoofdstuk behandeld omdat, zoals gemotiveerd in Hfdst.7.1.1(2), een splitsing in twee ‘graden’ van slechthorendheid niet zinvol is. Veel aandoeningen, zeker wanneer ze gerelateerd zijn aan een genetisch defect, hebben een variërende expressie. Oorzaken van doofheid en slechthorendheid komen tevens aan de orde in Hfdst.6.2.3(2) in het kader van de pathologie van het centrale auditieve systeem en in Hfdst.7.2.2(2) in het kader van de patho-anatomie en pathofysiologie van het gehoor.


Fig.1 geeft een overzicht van de verschillende oorzaken van doofheid. Aan de hand van dit schema worden de meest voorkomende oorzaken besproken. Er zijn vier hoofdgroepen:


  1. Erfelijk en Niet-Syndromaal
  2. Erfelijk en Syndromaal
  3. Niet-Erfelijk
  4. Verworven

De prevalentie van de verschillende groepen aandoeningen is vaak niet vast te stellen omdat een registratie voor de bevolking als geheel ontbreekt. Een van de problemen bij een breder onderzoek naar oorzaken is de interpretatie van de resultaten. Het is soms niet mogelijk vast te stellen of een verworven aandoening inderdaad verworven is of mogelijk terug te voeren is op een erfelijke progressieve slechthorendheid. Daarnaast is er de categorie ‘oorzaak onbekend’ waaraan zowel een erfelijke als een verworven gehoorstoornis ten grondslag kan liggen. De in dit hoofdstuk vermelde percentages zijn afkomstig van onderzoeken op scholen voor dove en slechthorende kinderen en mogen als relatief betrouwbare schattingen beschouwd worden. Niettemin lopen deze schattingen in de literatuur sterk uiteen. Zo wordt het aantal syndromale oorzaken soms geschat op 1/3 en het aantal en niet–syndromale oorzaken op 2/3 van het totaal. Globaal kunnen de onderlinge prevalentie percentages voor de categorieën ‘erfelijk’, ‘verworven’ en ‘oorzaak onbekend’ gesteld worden op:


Erfelijke gehoorstoornissen 50%
Verworven gehoorstoornissen 25%
Oorzaak onbekend 25%

 

Fig.1. Overzicht van de verschillende categorieën oorzaken van doofheid en slechthorendheid. Hier en daar zijn onderlinge prevalenties vermeld. Betekenis van de afkortingen:

 S  ‘Syndromaal’
 NS  ‘Niet-Syndromaal’
 AR  ‘Autosomaal recessief’
 AD  ‘Autosomaal dominant’
 X  ‘X-geN GEbonden’
 M  ‘Mitochondriaal’
De nummers hebben betrekking op de vier hoofdcategorieën , besproken in de tekst. Data gedeeltelijk ontleend aan pagina op de website www.genetests.org door Smith, Green, van Camp, 2004.

 

Uitgaande van het schema in Fig.1 worden achtereenvolgens de volgende categorieën oorzaken van doofheid en slechthorendheid besproken:


  1. Erfelijk en niet-syndromaal
    1.1. Autosomaal dominant
    1.2. Autosomaal recessief
    1.3. X-gen gebonden
    1.4. Mitochondriaal

  2. Erfelijk en syndromaal
    2.1. Autosomaal dominant
    2.2. Autosomaal recessief
    2.3. X-gen gebonden

  3. Complexe of multifactoriele aandoeningen en congenitale virale syndromen

  4. Verworven aandoeningen

De grenzen tussen de blokken in Fig.1 en tussen de zojuist gegeven categorieën zijn niet altijd scherp. Een aandoening waarbij een gehoorverlies optreedt is bijvoorbeeld in sommige gevallen zowel autosomaal dominant als autosomaal recessief en van sommige syndromen zijn alleen bepaalde varianten erfelijk. Met behulp van de gegeven categorieën kan echter wel een goed en gestructureerd overzicht verkregen worden.


Op dit moment zijn er al 450 gehoorstoornissen bekend die deel uitmaken van een syndroom en 70 niet-syndromale gehoorstoornissen. In dit hoofdstuk worden alleen de meest voorkomende oorzaken besproken.


 


7.3.2.2(2). Erfelijke niet-syndromale, gehoorstoornissen (categorie 1)

1.1. Autosomaal dominant


Het merendeel van de erfelijke niet-syndromale autosomaal dominante gehoorstoornissen is postlinguaal en van progressieve aard. Het gehoor is gedurende de eerste levensjaren nog (nagenoeg) normaal, maar er ontwikkelt zich een gehoorverlies, hetzij vanuit de lage frequenties, hetzij vanuit het middenfrequentiegebied, hetzij vanuit de hoge frequenties. De aandoening waarbij het gehoorverlies zich ontwikkelt vanuit de hoge tonen is uitvoerig beschreven, o.a. door Huizing (1966, 1972) en van den Wijngaart (1982). Hierbij is rond het 30 ste levensjaar sprake van een ernstig perceptief gehoorverlies (beiderzijds). Het is nog niet bekend welke locus of welk gen uit de reeks van kandidaten voor dit type progressief gehoorverlies verantwoordelijk is.


Slechts een zeer klein deel van deze autosomaal dominante gehoorstoornissen is prelinguaal (de loci DFNA3, DFNA6, DFNA14 en DFNA38). Locus DFNA3 van deze reeks wordt beschreven als een al bij de geboorte aanwezig matig tot ernstig perceptief gehoorverlies in de hoge tonen, van progressieve aard en is een gevolg van mutaties in de genen GJB2 (13q11-q12) en GJB6 (13q12). De loci DFNA6, DFNA14 en DFNA38 zijn geassocieerd met een aangeboren perceptief en progressief gehoorverlies in de lage tonen (<2000 Hz). In 75% van deze gevallen is een mutatie van het gen WFS1 (4p16.1) verantwoordelijk.


Een ander voorbeeld binnen de categorie ‘autosomaal dominant’, beschreven in Cremers et al., 1982, is een dominant erfelijke congenitale perceptieve slechthorendheid als gevolg van een dysplasie van de cochlea. De aandoening kan zowel eenzijdig als tweezijdig optreden en is het gevolg van een aanlegstoornis van de vliezige cochlea. De evenwichtsfunctie is meestal niet aangetast.


Zoals hiervoor opgemerkt is het merendeel van de autosomaal dominante gehoorstoornissen postlinguaal. De mate van progressiviteit verschilt echter. Precieze getallen ontbreken, mogelijk als gevolg van de wisselende genetische expressie bij dit type aandoeningen. Voor de identificatie van de betrokken genen bij deze autosomaal dominante aandoeningen is familieonderzoek een belangrijk hulpmiddel. Van de niet-syndromale gehoorstoornissen is 20% autosomaal dominant.


1.2. Autosomaal recessief


Van de niet-syndromale gehoorstoornissen wordt 80% autosomaal recessief erfelijk overgedragen. De meeste autosomaal recessieve loci veroorzaken aangeboren zeer ernstige gehoorverliezen beiderzijds, meestal zonder verdere progressie. In principe kan een hele reeks DFNB loci verantwoordelijk zijn, maar men denkt dat de aandoening gerelateerd is aan mutaties in het GJB2 gen (‘gap junction beta 2’ gen, locus DFNB1, locatie 13q11-12). Het gen is ook bekend als het ‘connexine 26’ gen (Cx26), Connexine 26 is een eiwit dat er voor zorgt dat de celmembranen in het binnenoor voldoende doorgankelijk zijn voor transport van K+ van de ene cel naar de andere. Algemeen wordt aangenomen dat het GJB2 gen verantwoordelijk is voor de helft van de gevallen van – niet-syndromale - autosomaal recessief erfelijke doofheid. Daarnaast én in incidentele gevallen spelen andere genen een rol. Enkele mutaties van dit gen kunnen ook autosomaal dominant worden overgedragen.


De ernstige slechthorendheid (doofheid) waar het Cx26 gen voor verantwoordelijk is heeft, enkele uitzonderingen daargelaten, een aantal gemeenschappelijke kenmerken:


  • Het gehoorverlies is aanwezig bij de geboorte
  • In verreweg de meeste gevallen is er sprake van zeer ernstige slechthorendheid of doofheid
  • Er zijn geen andere medische problemen
  • De oorzaak is onbekend

Opvallend is dat – naar schatting – één op de 40 mensen drager is van het Cx26 gen. Deze hoge prevalentie is verontrustend. Wanneer een dove voldoet aan het profiel van de Cx26 doofheid en er een kinderwens is, kan een vraag naar de bepaling van het dragerschap verwacht worden. Gelukkig is het betreffende gen een ‘klein’ gen en is het daarom goed in kaart gebracht. Een analyse ervan met het oog op een Cx26 mutatie is dus relatief gemakkelijk.


1.3. X-gen gebonden


X-gen gebonden niet-syndromale gehoorstoornissen komen niet vaak voor. Een goed onderzochte locus is DFN3 (POU3F4, locatie Xq21.1). De aandoening is gekenmerkt door een reeds bij de geboorte aanwezig gemengd gehoorverlies waarbij de geleidingscomponent een gevolg is van een fixatie van de stapes. Stapeschirurgie is in dit geval niet mogelijk omdat opening van het ovale venster leidt tot algehele doofheid, als gevolg van het weglekken van perilymfe (‘perilymfatische gusher’). Dit laatste wordt veroorzaakt door een abnormale communicatie tussen de cerebrospinale vloeistof en de perilymfe in het binnenoor. De aandoening kan op basis van DNA onderzoek klinisch vastgesteld worden. Van de niet-syndromale gehoorstoornissen is slechts enkele procenten X- gebonden.


1.4. Mitochondriaal


Niet-syndromale mitochondriale gehoorstoornissen zijn nog weinig onderzocht, vooral omdat de penetrantie van deze loci gering is. Men denkt dat gehoorverlies als gevolg van ototoxiciteit door aminoglycosiden veroorzaakt wordt door het MTRNR1 gen. Omgevingsfactoren zoals lawaai kunnen hier van invloed zijn.


 


7.3.2.3(2). Gehoorstoornissen als onderdeel van een syndroom (categorie 2)

Inmiddels zijn meer dan 450 syndromen beschreven waarbij een gehoorstoornis optreedt. Enkele relatief vaak voorkomende syndromen worden besproken in volgorde van type erfelijke overdracht, op dezelfde wijze als hiervoor bij de niet syndromale gehoorstoornissen. Tabel I geeft een overzicht van de geschatte aantallen lijders aan de te bespreken syndromen. Er is in de literatuur en op de diverse websites geen uniformiteit in de wijze waarop de verschillende prevalenties worden opgegeven. Men gaat daarbij soms uit van het aantal pasgeborenen en soms van de totale bevolking in een bepaald land. In het eerste geval wordt vaak geen rekening gehouden met het zichtbaar worden van bepaalde kenmerken en in het tweede geval spelen sterftecijfers geen rol.


Categorie Aantallen→
Syndroom↓
Bevolking Geboorten
2.1. Autosomaal dominant 1. Waardenburg 400 250
2. BOR 400 200
3. Stickler 1800
4. Neurofibromatose 2 50 400
5. Treacher Collins   200
2.2. Autosomaal recessief 1. Usher 600 1200
2. Pendred 750
3. Jervell Lange-Nielsen 50
4. Biotinidase deficiëntie 300
2.3. X-gen gebonden 1. Alport 80 300
3.Multifactorieel 1. Goldenhar 350
2. CHARGE 1300
3. CMV (als geheel) 8000
4. Auditieve neuropathie 300

Tabel I. Overzicht van de geschatte aantallen binnen de bevolking in Nederland van lijders aan de te bespreken syndromen. De aantallen zijn gebaseerd op vermeldingen in de literatuur en op de diverse, ook buitenlandse, websites. In de kolom ‘bevolking’ is geschat vanuit de opgave voor het geheel van de bevolking en in de kolom ‘geboorten’ is, voor het schatten van de aantallen in Nederland, de opgave voor het aantal pasgeborenen als uitgangspunt genomen. Een verantwoording van de schattingen is te vinden in niveau 3 van dit hoofdstuk. Een redelijk complete opgave van de verschillende prevalenties is te vinden op www.geneclinics.org/ .


2.1. Autosomaal dominant 


Syndroom van Waardenburg
Het meest bekende autosomaal dominante syndroom in relatie tot doofheid is het syndroom van Waardenburg (locus WS). De aandoening wordt in het algemeen gekenmerkt door:


  1. Een verplaatsing naar lateraal van de binnenooghoeken, een verkorting van het mediale gedeelte van de oogspleet (dit laatste heet ‘dystopia canthorum’) en vaak een brede neusrug en/of doorlopende wenkbrauwen; de abnormaal grote afstand van de ogen heet ‘oculair hypertelorisme’
  2. Pigmentafwijkingen zoals een witte haarlok, ongelijke kleur van de irissen
  3. Een perceptief gehoorverlies.
  4. Vestibulaire afwijkingen in tweederde van de gevallen

Deze kenmerken zijn niet altijd alle vier aanwezig. Er zijn vier typen. Daarvan zijn WS I en WS II de bekendste. Bij WS I treedt dystopia canthorum op en bij WS II is dat niet het geval. WS I wordt in 25 % van de gevallen gekenmerkt door ernstige perceptieve slechthorendheid of doofheid. Bij WS II wordt in 50 % van de gevallen slechthorendheid gevonden, maar deze is minder ernstig dan bij WS I. Slechthorendheid is dus niet altijd aanwezig. Vaak is er sprake van een eenzijdig gehoorverlies.


Het perceptieve gehoorverlies bij Waardenburg wordt veroorzaakt door een aanlegstoornis van de vliezige cochlea. Er zijn geen tekenen van progressie. Bij type I (WS I) is het gehoorverlies (in 25% van de gevallen dus) zeer ernstig tot totaal. Bij type II (WS II) is het gehoorverlies – indien aanwezig – minder ernstig. Wél komt herhaaldelijk eenzijdig zeer ernstig gehoorverlies voor. Verantwoordelijk voor de locus WS I zijn mutaties in het PAX3 gen. WS I en WS II kunnen op basis van DNA onderzoek van dit gen klinisch vastgesteld worden.


De prevalentie van het syndroom van Waardenburg is in de USA 1 per 40.000 inwoners. Het syndroom is de oorzaak van 2-3% van de gevallen van aangeboren doofheid (bron: www.emedicine.com/ped/topic2422.htm, gebaseerd op literatuur rond 1970).


Branchio-oto-renaal syndroom
Het branchio-oto-renale syndroom (locus BOR) is de tweede relatief vaak voorkomende aandoening waarbij het gehoor aangetast is. Het treedt op bij 1% van de kinderen met een aangeboren doofheid. De belangrijkste kenmerken en de bijbehorende frequenties van voorkomen zijn:


1. Gehoorverlies (meestal conductief verlies) 73%
2. Preauriculaire sinus (‘earpits’) 70%
3. Branchiogene halsfistel 60%
4. Oorschelpdysplasie (‘frommeloorschelp’ - ‘microtia’) 37%
5. Nierafwijkingen 9%

Een voorbeeld van een oorschelpdysplasie is te zien in Fig.1 van Hfdst.7.2.2(2). Het conductieve gehoorverlies (Fig.3 in datzelfde hoofdstuk) wordt veroorzaakt door een gehoorgangatresie en/of een dysplasie in de gehoorbeentjesketen. Het kan eenzijdig en tweezijdig aanwezig zijn. De nierafwijking varieert van een totale aplasie beiderzijds tot geringe afwijkingen.


In het algemeen geldt dat de expressie van de aandoening wisselend is. Lijders aan het BOR syndroom hebben in 40% van de gevallen mutaties in the EYA1 gen (chromosoom locatie 8q13). Kennelijk zijn er meerdere loci verantwoordelijk. In veel gevallen kan via DNA onderzoek de aanwezigheid van het BOR syndroom vastgesteld worden.


Stickler syndroom
De kenmerken en de bijbehorende frequenties van voorkomen zijn van het Stickler syndroom (‘spondyloepiphyseal dysplasia’, locus STL) zijn:


1. Progressief perceptief gehoorverlies in de hoge tonen 40%
2. Conductieve gehoorverliezen als gevolg van de anomalieën rond het palatum 50%
3. Zadelneus  
4. Verhemeltespleet  
5. Chronische gewrichtsontsteking die zich uitstrekt tot de rugwervels (‘osteoarthritis’)  

Er zijn drie typen, STL1 (COL2A1), STL2 (COL11A2) and STL3 (COL11A1). Bij STL1 en STL3 treedt ernstige oogafwijking (myopie) op. Dit kan leiden tot netvliesloslating. DNA onderzoek maakt het mogelijk de aanwezigheid van het Stickler syndroom vast te stellen. Het Stickler syndroom is via de genen COL11A1en COL11A2 verwant aan verschillende andere syndromen. Het lijkt erop dat bij de aantallen in Tabel I het Stickler syndroom ‘ruim’ is gedefinieerd.


Neurofibromatose
Neurofibromatose 2 (locus NF2) wordt gekenmerkt door een slechthorendheid die optreedt als gevolg van een vestibulair Schwannoom. De slechthorendheid ontwikkelt zich vanaf het 30ste levensjaar en kan zowel enerzijds als beiderzijds aanwezig zijn. Er is overeenkomst met ‘de ziekte van Recklinghausen’ (Hfdst.6.2.3). Bij de lijders aan dit syndroom bestaat een risico voor de vorming van andere hersentumoren. Bij de diagnostiek van NF2 wordt gebruik gemaakt van de bekende methoden voor het detecteren van retrocochleaire laesie, zoals BERA onderzoek, CT scanning en MRI. Verantwoordelijk voor de aandoening is een mutatie in het NF2 gen gelegen op de lange (q) arm van chromosoom 22, op positie12.2 (22q12.2). Als gevolg van deze mutatie wordt een afwijkend eiwit gevormd. Normaal is dit eiwit een tumor onderdrukker. Het afwijkende eiwit echter is onvoldoende in staat om een overmatige productie van de vorming van b.v. Schwann cellen tegen te gaan. De aandoening kan via DNA onderzoek vastgesteld worden, ook bij familieleden van de patiënt vóórdat de ziekte openbaar wordt. De incidentie bedraagt 1 op de 40.000 geboorten. Zie voor meer informatie http://ghr.nlm.nih.gov/gene=nf2.


Treacher Collins syndroom
Het Treacher Collins syndroom (locus TCOF1) is een autosomaal dominante congenitale aandoening die gekenmerkt wordt door verschillende afwijkingen in de vorm van de kaak en het gezicht. De aandoening heet daarom ook wel ‘Mandibulofaciale Dysostosis’ (‘aanlegstoornissen in het bot van de kaak en het gezicht’). Zo is er een sterk afwijkende stand van de ogen en de oogleden, als gevolg van een onderontwikkelde oogkasbodem in 75% van de gevallen. In eveneens 75% van de gevallen hebben de oorschelpen een abnormale vorm en staan ze laag ingeplant (oorschelpdysplasie). In 30%-50% van de gevallen (uit verschillende bronnen) is er sprake van een conductief gehoorverlies als gevolg van een anomalie en/of fixatie van de gehoorbeentjesketen en/of gehoorgangatresie. De afwijkingen zijn symmetrisch. Voor het overige zijn er geen afwijkingen. De geestelijke ontwikkeling is meestal normaal. Een duidelijk overzicht van de kenmerken van dit syndroom en van de mogelijkheden voor chirurgische correctie staan op de website van de landelijke patiënten en oudervereniging voor schedel en/of aangezichtsafwijkingen www.laposa.nl en op de website van het Tennessee Craniofacial Center, http://www.erlanger.org/body.cfm...AEArticleType=Disease.


Verantwoordelijk voor de aandoening is het ‘treacle’ gen TCOF1, locatie 5q32-q33.1. Dit gen produceert het eiwit ‘treacle’ dat werkzaam is tijdens de vroege ontwikkeling van de schedel en het aangezicht. De penetrantie van het gen is hoog, maar er is een grote variatie in de expressie van de aandoening. Dit kan ertoe leiden dat het syndroom soms niet herkend wordt. Kennelijk zijn er andere genen die de expressie van het treacle eiwit beïnvloeden. Het Treacher Collins syndroom wordt in 1 á 2% van de gevallen van aangeboren slechthorendheid en doofheid aangetroffen. Het syndroom kan gemakkelijk verward worden met andere syndromen waarbij een oculo-auriculo-vertebrale dysplasie (OAVD, zie verder) aanwezig is zoals het syndroom van Goldenhar. In het laatste geval is een afwijking (coloboom) aanwezig in het bovenste ooglid terwijl dit bij Treacher Collins in het onderste ooglid optreedt.


Otosclerose
Otosclerose komt tot stand als gevolg van een abnormale groei van sponsachtig botweefsel in het binnenoor. Dit botweefsel breidt zich steeds verder uit en vervangt het normale proces van botopbouw en botafbraak. Wanneer als gevolg van dit proces de stapes vast komt te zitten ontwikkelt zich een conductief gehoorverlies. Met behulp van stapeschirurgie is dit conductieve gehoorverlies geheel of gedeeltelijk op te heffen. De processen die bij de abnormale botontwikkeling een rol spelen kunnen ook een beschadiging van de haren van de haarcellen veroorzaken. Dan ontstaat een perceptief gehoorverlies. De gehoorverliezen zijn meestal tweezijdig. Het audiogram heeft meestal een vlakke of hoge tonenvorm. Het gehoorverlies wordt als regel niet groter dan 70 dB. Een voorbeeld van een audiogram is te zien in Hfdst.7.2.2(2). Tinnitus is een bekend bijverschijnsel. Otosclerose ontwikkelt zich in een langzaam tempo vanaf een leeftijd tussen de 15 en 45 jaar. De ziekte is niet te genezen. Otosclerose tast alleen de oren aan en geen andere delen van het lichaam.


Bij otosclerose is sprake is van een autosomaal dominante wijze van overerving. Recent is een eerste gen (TGBF1) ontdekt dat betrokken bij het ontstaan van otosclerose. Een afgeleide (versterkende) oorzaak van otosclerose is de aanwezigheid van het gen COLIA1. Dit gen veroorzaakt osteoporose. Mensen met deze aandoening hebben meer kans om otosclerose te ontwikkelen. De wijze van overerving van deze vorm van osteoporose (COLIA1) is autosomaal dominant . De penetrantie is beperkt en ligt waarschijnlijk tussen de 20% en 40 (zie ook Cremers et al.). De wisselende penetrantie en het wisselende verloop kunnen een gevolg zijn van omgevingsfactoren. Virale infecties leveren mogelijk ook een bijdrage.


In de praktijk wordt vaak onderscheid gemaakt tussen een ‘histologische’ otosclerose en een ‘klinische’ otosclerose. Bij een histologische otosclerose is de ziekte histologisch vastgesteld, maar hebben de ‘lijders’ en niet al te veel last van. Bij een klinische otosclerose vragen de patiënten hulp. De prevalentie van de histologische otosclerose in de leeftijdscategorie 30-50 jaar ligt tussen de 10% en 18% bij (blanke) mannen en tussen de 7% en 9% bij (blanke) vrouwen (overzichtsartikel door Menger en Tange, 2003, dus gebaseerd op eerder onderzoek). Een recente studie (Declau et al., 2001) geeft een lagere prevalentie voor histologische otosclerose: 3.4% voor de gehele onderzochte populatie. Voor de klinische otosclerose ligt de prevalentie, in de laatste publicatie,  tussen 0.30 en 0.38%. Dit is een factor 10 lager dan voor de histologische prevalentie. Voor de prevalentie van klinische otosclerose geldt (in beide publicaties) een man-vrouw verhouding van 1:2.


2.2. Autosomaal recessief


Usher syndroom
Het Usher syndroom (USH..) bestaat uit een combinatie van een aangeboren perceptief gehoorverlies (beiderzijds) en een zich ontwikkelende gestoorde visus als gevolg van ‘retinitis pigmentosa’ (RP). Het Usher syndroom kent drie typen en verschillende subtypen. In totaal zijn 9 genen verantwoordelijk. Tabel II geeft een overzicht. De penetrantie is volledig.


Functie
Type→ Gehoorverlies Evenwichtsfunctie Visus Gen
Usher Type IB (25%)
USH1B
Aangeboren, Ernstig tot zeer ernstig Functie abnormaal (aangeboren) RP MYO7A (myosine eiwit)
Usher Type IIA (45%)
USH2A
Aangeboren, gering tot ernstig Functie normaal RP USH2A gen
Usher Type IIIA
USH3A
Progressief Progressieve afname van functie RP USH3A gen

Tabel II. Kenmerken van de drie typen van het Usher syndroom.


In alle gevallen is de retinitis pigmentosa met het bijbehorende gezichtsverlies (nachtblindheid en kokerzien) van progressieve aard. Dit betekent dat lijders aan Usher type I voor de communicatie meer en meer zijn aangewezen op een CI en/of tactiele communicatie. RP is nog niet duidelijk aanwezig gedurende de eerste tien levensjaren. Funduscopie in die periode is dus weinig zinvol. Wel is het mogelijk met behulp van elektroretinografie (ERG) bij kinderen vanaf twee jaar abnormaliteiten in de functie van de fotoreceptoren vast te stellen. Na het tiende levensjaar begint de visus sterk te verminderen.


De aangeboren vestibulaire disfunctie zal zich uiten in een vertraagde motorische ontwikkeling tijdens de kinderjaren. Bij dit type is, voor de planning van de verdere ontwikkeling van het kind, vroege diagnostiek van het grootste belang. De prevalentie van het syndroom van Usher is 3.5 per 100.000 inwoners. Het syndroom is daarmee de meest voorkomende autosomaal recessieve syndromale gehoorstoornis. In de VS leidt de helft van de doofblinden aan het syndroom.


Moleculair genetische tests voor de vaststelling van het Usher syndroom op klinische basis zijn alleen beschikbaar voor type IIA en voor een subtype van III. Tests voor de overige typen van het Usher syndroom bevinden zich nog in de research fase.


Syndroom van Pendred
Het syndroom van Pendred is, wat frequentie van voorkomen betreft, het tweede autosomaal recessieve syndromale gehoorverlies. Kenmerken zijn een ernstig tot zeer ernstig gehoorverlies en struma. Het gehoorverlies is congenitaal en zal dus vroeg ontdekt worden. De slechthorendheid of doofheid gaat in de meeste gevallen gepaard met afwijkingen van het benige labyrint (Mondini dysplasie of een vergroot vestibulair aquaeduct) en een abnormale vestibulaire functie. De struma ontwikkelt zich in 40% van de gevallen in de vroege puberteit en voor het overige tijdens de volwassenheid. Het verantwoordelijke gen is SLC26A4 (locatie 7q22-q31). Moleculair genetische tests voor de vaststelling van het syndroom op klinische basis zijn beschikbaar. Er is naar schatting in 5% van de gevallen van aangeboren doofheid sprake van het syndroom van Pendred.


Jervell and Lange-Nielsen syndroom
Het Jervell en Lange-Nielsen syndroom is het derde meest frequent voorkomende syndroom. Het wordt gekenmerkt door een aangeboren ernstig perceptief gehoorverlies beiderzijds, hartritmestoornissen die bewusteloosheid en overlijden tot gevolg kunnen hebben en een verlengd QT interval in het elektrocardiogram. Als gevolg hiervan overlijden veel kinderen. De prevalentie van het syndroom wordt geschat op 3 gevallen per miljoen mensen. DNA onderzoek voor de vaststelling van het Jervell en Lange-Nielsen syndroom bevindt zich nog in de researchfase.


Biotinidase deficiëntie
Biotinidase deficiëntie (locus BTD, locatie 3p25) wordt veroorzaakt door een tekort aan biotine, een in water oplosbaar vitamine-B-complex, dat zoogdieren niet kunnen aanmaken. Het is een autosomaal recessief erfelijke ziekte. Bij deze deficiëntie moet via een dieet biotine toegediend worden. Wanneer bij een biotidinase deficiëntie de voorraad biotine in het lichaam uitgeput raakt treden neurologische verschijnselen op zoals stuipen en metabolisch coma. Er zijn twee vormen van de ziekte, een ernstige en een partiële.


Kinderen met een ernstige biotinidase deficiëntie, bij minder dan 10% van de normale activiteit, vertonen verschijnselen als hypotonie (spierslapte), alopecia ('vossenhuid', met haaruitval en kaalhoofdigheid) en huiduitslag. Tevens is er sprake van een gehoorverlies en van een ontwikkelingsachterstand. Bij kinderen met partiële biotinidase deficiëntie, bij 10-30% van de gemiddelde normale volwassenenactiviteit, is er het risico dat zich geleidelijk een gehoorverlies en een ontwikkelingsachterstand ontwikkelen, afhankelijk van de mate waarin de kinderen blootgesteld worden aan stress. Het gehoorverlies is niet reversibel. Progressieve of episodische ataxie en gehoorverlies zijn symptomen van dit syndroom. De incidentie van de ernstige vorm van de ziekte is 1 op 137.000, de incidentie van de partiële vorm 1 op 110.00 en de totale incidentie bedraagt 1 op 61.000. De carrier frequentie binnen de bevolking als geheel is 1 op 120. Voor verdere informatie over dit syndroom zie www.rug.nl/med/faculteit/.../Biotinidase.


1.3. X-gen gebonden


Syndroom van Alport
Het syndroom van Alport heeft als kenmerken o.a. een progressief perceptief gehoorverlies en een chronische nefritis met progressieve nierinsufficiëntie. De overerving is in 85% van de gevallen X-gebonden en voor de overige 15% autosomaal recessief. Het gehoorverlies is in het algemeen het grootst voor de hoge tonen, maar ook andere vormen van audiogram worden gevonden. De slechthorendheid komt bij mannen vaker voor dan bij vrouwen (50% vs. 30-40%). Ook de leeftijd waarop de slechthorendheid begint verschilt. Bij mannen is dit vanaf tien jaar en bij vrouwen vanaf 30 jaar. De audiologische uitkomsten wijzen op een cochleaire laesie. De prevalentie van de aandoening wordt geschat op 1 op de 200.000 inwoners.


 


7.3.2.4(2). Complexe of multifactoriele aandoeningen en congenitale virale syndromen (categorie3)

In het voorafgaande is gebleken dat voor eenzelfde syndroom meerdere genen verantwoordelijk kunnen zijn, dat de expressie van de genen sterk kan variëren en dat omgevingsfactoren, zoals lawaai en leefpatroon, een belangrijke rol spelen. Hoewel soms clustering optreedt in bepaalde families is in sommige gevallen zelfs niet duidelijk hoe de overerving plaats vindt. Dergelijke syndromen, die een gevolg zijn van meerdere – meestal onbekende – factoren en waarbij de wijze van overerving niet duidelijk is, worden ‘complexe’ of ‘multifactoriele’ aandoeningen genoemd. Behalve de multifactoriele aandoeningen waarbij een gehoorverlies optreedt zijn er congenitale ‘virale syndromen’ die slechthorendheid of doofheid tot gevolg (kunnen) hebben. Enkele van deze multifactoriele aandoeningen en virale syndromen worden in deze paragraaf besproken. Gemeenschappelijk bij de selectie daarvan voor deze bespreking is de combinatie van een onduidelijk patroon van overerving en een genetische deficiëntie. De lezer dient er rekening mee te houden dat in de literatuur de onderlinge afbakening van de multifactoriele aandoeningen, de virale syndromen en de aangeboren niet-syndromale en niet erfelijke gehoorstoornissen niet eenduidig is.


Syndroom van Goldenhar
Het syndroom van Goldenhar (ook syndroom van Goldenhar-Gorlin genoemd) is onderdeel van een meer algemeen syndroom, de ‘oculo-auriculo-vertebrale dysplasie’ (OAV of OAVD). Het is een aangeboren aandoening die het gevolg is van een stoornis in de ontwikkeling van het hoofd en de rugwervels tijdens de zwangerschap van de moeder. Er zijn ondermeer de volgende kenmerken:


  • Onderontwikkeling van de rugwervels en zijwaartse verkromming van de rug (scoliose)
  • Onderontwikkeling van verschillende delen van het hoofd, zoals de kaken, de wangen, de oren en de ogen (kleinere ogen dan normaal) en een asymmetrisch gezicht met een vergrote mond en lipspleet
  • Een gehoorgangatresie met als gevolg een conductief gehoorverlies (soms ook een perceptief gehoorverlies)
  • Een licht verstandelijke beperking (10 %)

Meestal zijn een of meer van deze kenmerken aan één kant van het lichaam aanwezig, maar soms zijn beide lichaamshelften aangedaan. De manier waarop de kenmerken tot uiting komen, kan van persoon tot persoon sterk verschillen.


De oorzaak van het syndroom van Goldenhar is onbekend. Er is niet één bepaald gen dat verantwoordelijk is. Meestal komt het voor het eerst in een familie voor. Als het eerste kind het syndroom van Goldenhar heeft, is de kans dat een tweede kind deze aandoening ook heeft, kleiner dan één procent. De incidentie is 1 op 45.000. Het syndroom komt bij jongens vaker voor dan bij meisjes. Voor enkele families zou er sprake zijn van een autosomaal dominante of autosomaal recessieve wijze van overerving.


Gehoorverlies (conductief en/of perceptief) komt bij de helft van de patiënten voor. De oorzaken zijn alle gerelateerd aan een of meer aspecten van de onderontwikkeling van het hoofd. De aandoening is niet te genezen, maar sommige afwijkingen aan het gezicht zijn chirurgisch te corrigeren. Meer informatie is te vinden in de eerder vermelde literatuur en op www.genetests.org/ en op www.laposa.nl/ .


CHARGE associatie
De CHARGE associatie is een aangeboren aandoening met een veelheid aan symptomen. Deze betreffen, aangeduid door de letters in het woord CHARGE, de ogen (Coloboom) het Hart en de nieren, een Atresie van de openingen van de neus naar de keel, een vertraagde (‘Retarded’) groei en ontwikkeling, een Genitale hypoplasie en afwijkingen aan de oren en het de evenwichtsorganen (‘Ears’), met slechthorendheid, evenwichtsstoornissen en achterstand in de motorische ontwikkeling als gevolg. De CHARGE associatie is geen familiaire aandoening. Het syndroom komt voor bij 1 op de 12.000 pasgeborenen. Dit is, vergeleken met de andere syndromen in Tabel I, een hoge waarde. Veel patiënten overlijden op jonge leeftijd. Recent is gevonden dat voor het CHARGE syndroom het ‘CHD-7’ gen ‘verantwoordelijk is. Dit gen is een ‘regulatiegen’. Regulatiegenen fungeren als schakelpaneel voor het activeren en deactiveren van andere genen. Storingen in regulatiegenen tasten orgaansystemen aan tijdens de vroege embryonale ontwikkeling, wanneer er nog niet veel differentiatie is. Het gevolg is dat de ontwikkeling van meerdere orgaansystemen verstoord raakt. Zie verder in dit verband ook www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/.


‘Enlarged Vestibular Aqueduct’ syndroom
De aqaeductus vestibuli is een nauw kanaal dat de verbinding vormt tussen het binnenoor en de hersenholte, zoals te zien in Fig.2 van Hfdst.3.2.2(2). Door dit kanaal loopt de ductus endolymphaticus voor het transport van endolymfe tussen de saccus die zich aan de hersenzijde bevindt en, aan de andere kant, de sacculus en de utriculus in het vestibulair systeem en de ductus cochlearis in de cochlea. Wanneer deze aquaeductus vestibuli wijder is dan 1.5 mm ontstaat het ‘Enlarged Vestibular Aqueduct’ syndroom (EVA). Het wordt gekenmerkt door een gehoorverlies dat al bij de geboorte aanwezig kan zijn, maar zich ook later kan ontwikkelen. Het gehoorverlies heeft een wisselend karakter en neemt toe bij sterke lichamelijke inspanning en een plotseling veranderende luchtdruk. Contactsporten en - zelfs kleine – hoofdtrauma’s kunnen het gehoorverder aantasten en soms is er sprake van plotsdoofheid. In het algemeen is de prognose voor wat betreft het gehoor slecht.


Het is aannemelijk dat de aandoening een gevolg is van het wegvallen van de bufferwerking van de aquaeductus vestibuli. Plotselinge drukveranderingen in cerebrospinale vloeistof op de saccus endolymphaticus worden niet langer ‘opgevangen’ door een nauwe aquaeductus vestibuli, maar worden onverzwakt doorgegeven naar de cochlea. Dit heeft beschadigingen tot gevolg. De beste methode om de afwijkende afmetingen van de aquaeductus vestibuli zichtbaar te maken is MRI. Het syndroom is twee keer zo vaak tweezijdig aanwezig als eenzijdig. De afwijking is niet operatief te herstellen (het maakt het alleen maar erger). In sommige gevallen is Cochleaire Implantatie zinvol gebleken. Gegevens met betrekking tot de mate waarin de vestibulaire functies zijn aangetast (wat te verwachten is) zijn niet bekend. Hetzelfde geldt voor de prevalentie van de aandoening. Binnenoorafwijkingen als bij EVA zijn geassocieerd met mutaties in het SLC26A4 gen, hetzelfde gen dat een rol speelt bij het syndroom van Pendred. Voor informatie: www.ivillage.com/experts/ent/qas/ en www.sma.org.sg/smj/4005/articles/4005cr2.html (met plaatjes van scans).


Mondini dysplasie
Een Mondini dysplasie is een onvolledig aangelegde cochlea. De basale winding ontbreekt. Het aantal windingen is dus geen 2½, maar 1½. In de overgebleven windingen bevindt zich geen modiolus. Deze ruimte wordt de ‘scala communis’ genoemd. Er is een brede verbinding met het – vergrote – vestibulum. De halfcirkelvormige kanalen zijn soms wijder dan normaal. Een Mondini dysplasie is een gevolg van een stagnatie in de embryonale ontwikkeling tijdens de zevende week van de zwangerschap.


Een Mondini dysplasie komt vaak voor in combinatie met andere gehoorstoornissen. Zo is er ook hier sprake van een ‘enlarged vestibular aqueduct’ en komen bij het syndroom van Pendred ook Mondini dysplasieën voor. Algemeen wordt aangenomen dat de dysplasie aan een groot aantal gehoorstoornissen met onbekende oorzaak ten grondslag ligt. De literatuur citerend is dit het geval bij 20- 25% van de perceptieve gehoorverliezen en bij 50% van de gehoorstoornissen met onbekende oorzaak. Een Mondini dysplasie is niet zonder risico voor infecties omdat cerebrospinale vloeistof kan lekken naar het middenoor (‘otorrhoea’) of naar de neusholte (‘rhinorrhoea’). Dit kan meningitis tot gevolg hebben. In een onderzoek door Ohlm et al. (1990) werd gevonden dat bij 67% van de patiënten met een terugkerende meningitis sprake was van een Mondini dysplasie. Een tweede risico voor infecties vormen de contactsporten. Voor verdere informatie en literatuur (o.a. Shah et al., 2001) wordt verwezen naar www.dizziness-and-balance.com/ en www.jpgmonline.com/.


Auditieve neuropathie
Auditieve neuropathie wordt gekenmerkt door de combinatie van een relatief slecht spraakverstaan (in relatie tot het toonaudiogram) en een normale functie van de buitenste haarcellen en dus door normale OAE's. Zowel het spraakverstaan als de gehoordrempels variëren sterk. BERA responsies zijn sterk afwijkend of geheel afwezig. De plaats van de laesie moet dus gezocht worden de auditieve schakels perifeer van de hersenstam, zoals in de binnenste haarcellen, in de verbindingen tussen de zenuwvezels in de cochlea en misschien in de hersenstam zelf. Het merendeel van de patiënten heeft hetzij kleine hetzij opvallende neurologische problemen. Auditieve neuropathie is niet aan leeftijd gebonden.


Het is niet duidelijk welke oorzaken de aandoening heeft. De afwezigheid van BERA responsies zou een gevolg kunnen zijn van desynchronisatie van de zenuwimpulsen in het perifere deel van het neurale auditieve systeem. Auditieve neuropathie dient niet verward te worden met ‘centrale auditieve stoornissen’ (Hfdst.8.3.11(2)), hoewel bepaalde kenmerken, zoals slecht spraakverstaan (met name in ruis) en aandachtsproblemen, in een bepaald opzicht overeenstemmen. Bij centrale auditieve stoornissen worden echter meestal wel normale BERA responsies gevonden. Auditieve neuropathie is dus een neurale aandoening en geen centrale stoornis. Risicofactoren voor auditieve neuropathie zijn een familiair belaste anamnese en hyperbilirubinaemie.


De incidentie van de aandoening wordt geschat op 1 tot 3 op de 10.000 geboorten. Auditieve neuropathieën zijn in verreweg de meeste gevallen tweezijdig. Het is niet onmogelijk dat in sommige gevallen van een ‘gewoon’ perceptief gehoorverlies een neuropathie een rol speelt. Betrouwbare gegevens zijn echter niet beschikbaar. In het verleden zijn er artikelen verschenen waarin melding wordt gemaakt van patiënten met een functionerend gehoor, maar waarbij eerder geen BERA responsies konden worden gemeten (wél OAE's).


Revalidatie van patiënten met een auditieve neuropathie is een probleem. Volwassen patiënten klagen vaak dat het dragen van hoortoestellen geen nut heeft. Om die reden is men in het algemeen terughoudend in het aanpassen van hoortoestellen bij kinderen met een auditieve neuropathie. Een lage versterking en een grote compressie worden noodzakelijk geacht.Wél hebben patiënten soms baat bij het gebruik van soloapparatuur in rumoerige omgevingen. Cochleaire Implantatie is niet zonder meer geïndiceerd.


Zie de sites www.deafness.about.com/cs/featurescauses/a/audneuropathy.htm en www.nidcd.nih.gov/health/hearing/neuropathy.asp.


Cytomegalie
Het cytomegalievirus (CMV) is een virus uit de groep van herpesvirussen. Het kan vooral een infectie geven in geval van weerstandvermindering. Niet minder dan 50 tot 80% van de volwassenen in Nederland draagt het virus bij zich, zonder dat er klachten zijn. Eventueel optredende klachten gaan meestal binnen enkele weken vanzelf weer over. Bij weerstandvermindering, zoals bij Aids, na orgaantransplantatie en bij chemokuren, kan de infectie complicaties geven aan het hart, het netvlies en de longen. Algemene kenmerken van de aandoening zijn stoornissen in de functies van lever en milt, en bloedarmoede. De ziekte wordt overgedragen van persoon op persoon via (intiem) contact.


De infectie kan ook optreden door besmetting tijdens de zwangerschap. Wanneer een vrouw tijdens de zwangerschap voor het eerst besmet raakt met het cytomegalievirus en zodoende een infectie doormaakt, is de kans dat ook het kind besmet raakt ongeveer 50%. Het aantal vrouwen dat tijdens de zwangerschap besmet raakt wordt voor de USA geschat op 2%. Van de levendgeborenen die tijdens de zwangerschap besmet raken heeft 5 tot 10% een min of meer ernstige aangeboren afwijking. Slechthorendheid en doofheid kunnen daar deel van uitmaken. De (perceptieve) slechthorendheid heeft altijd een progressief karakter.


De prevalentie van de aandoening is niet goed te aan te geven. Enerzijds geven recente schattingen aan dat meer dan 40% van de niet- opzichzelfstaande gehoorstoornissen met ‘oorzaak onbekend’ toegeschreven kan worden aan het CMV virus. Anderzijds geldt voor geïsoleerde gehoorstoornissen dat een direct verband met een CMV infectie zeer moeilijk vast te stellen is. Het is dus niet duidelijk op welke schaal CMV verantwoordelijk is voor op zichzelf staande gehoorstoornissen. Verder is een gehoorstoornis altijd gekoppeld aan een prenatale CMV infectie en niet aan een CMV infectie ná de geboorte. Uitgaande van de hiervoor gegeven schattingen kan men voor Nederland, met 200.000 geboorten per jaar, het totale aantal gevallen van CMV infectie bij pasgeborenen schatten als 1 op 1000. In de internationale literatuur vindt men een waarde van 1 op 3500. In Tabel I is uitgegaan van 1 op 2000. Zeker niet in al deze gevallen zal er sprake zijn van een gehoorstoornis. Zie ook www.medischestartpagina.nl/.


Rubella
Rubella (ook ‘Congenitaal Rubella Syndroom’ – CRS genoemd) is een gevolg van infectie door het rubella virus in de eerste zes maanden van de zwangerschap van de moeder. Gedurende de eerste 12 weken van de zwangerschap is de kans op besmetting meer dan 80%. Rubella zelf is niet ernstig, maar de combinatie van zwangerschap en infectie heeft ernstige gevolgen voor het kind. Deze kunnen zijn een intra-uteriene groeiachterstand met o.a. een aanlegstoornis van de cochlea, mentale retardatie, ernstige slechthorendheid (60-80 dB), een cataract, en microcefalie. De besmetting was vroeger vrij algemeen, maar de vaccinatieprogramma’s in de Westerse landen vanaf de 70er jaren van de vorige eeuw bij meisjes rond de leeftijd van 13 jaar heeft het aantal gevallen van CRS daar sterk doen afnemen. Aan het eind van de vorige eeuw was het aantal gevallen van CRS b.v. in de USA kleiner dan tien. Preventie door middel van vaccinatie is het enige middel om de ziekte terug te dringen. Verder informatie is o.a. te vinden op


www.e-gezondheid.be/.


 


7.3.2.5(2). Verworven aandoeningen (categorie 4)

Labyrinthitis en Meningitis
Labyrinthitis is een ontsteking van het binnenoor. Er zijn twee vormen, een virale en een bacteriële. De virale vorm komt het meest voor en is meestal eenzijdig. Soms zijn zowel het evenwichtsorgaan als de cochlea aangedaan en soms één van de twee. Het gehoorverlies is meestal ernstig tot zeer ernstig vooral in de hoge frequenties. Verwekkers zijn ondermeer het bofvirus, herpes zoster en het influenzavirus. Een risico voor een gehoorstoornis is met name aanwezig wanneer het bofvirus de verwekker van de virale meningitis is.


Een bacteriële meningitis is veel ernstiger. De oorzaak is de uitbreiding van een otitis media naar het labyrint. Het beeld is ernstige draaiduizeligheid met misselijkheid, braken, oorsuizen en doofheid. In 9% van de gevallen is er een totale uitval van het gehoor en het evenwichtsorgaan. Herstel van gehoor en evenwicht treden zelden op.


Meningitis is hersenvliesontsteking. Symptomen zijn hoge koorts, nekstijfheid en sufheid. Meningitis is gelokaliseerd in de subarachniodale ruimte rond de hersenen en het ruggenmerg. Een goede beschrijving van meningitis staat is te vinden in het boek van Schuknecht (1993).


Kernicterus
Kernicterus is een gele kleur van de huid die ontstaat bij een verhoogde concentratie van bilirubine (hyperbilirubinemie) in het bloed van het kind vlak na de geboorte. Het is een gevolg van een rhesusantagonisme. In dat geval treedt een schadelijke reactie op tussen het bloed van de moeder en het bloed van het kind. Een stapeling van bilirubine in de akoestische en motorische kernen van de hersenen veroorzaakt een perceptieve slechthorendheid en motorische stoornissen. Het gehoorverlies is meestal van de orde van grootte van 60-80 dB. De aandoening komt tegenwoordig in de Westerse landen door de ontwikkeling van verschillende preventieve en therapeutische methoden niet vaak meer voor. De belangrijkste behandeling van kernicterus bestaat uit wisseltransfusies waarbij het bloed van het kind vervangen wordt door bloed zonder bilirubine.


Anoxie tijdens de geboorte
Anoxie (zuurstofgebrek) direct vóór, tijdens of direct na de geboorte kan ondermeer een perceptief gehoorverlies voor de hoge tonen tot gevolg hebben. Meestal zijn de gevolgen voor het ontwikkelingsniveau en de motoriek ernstiger.


Het is al lang bekend dat er geneesmiddelen, chemicaliën en genotmiddelen zijn die de functies van het binnenoor en evenwichtsorgaan beschadigen. Men noemt dergelijke middelen ototoxisch. Voorbeelden zijn:


  • Antibiotica, met name de aminoglycosiden zoals neomycine
  • Middelen tegen kanker zoals cisplatinum
  • De meeste diuretica omdat nefrotoxisch meestal ook ototoxisch is
  • Aspirine
  • Middelen tegen malaria zoals kinine
  • Metalen zoals lood, kwik en arseen.
  • Koolmonoxide
  • Alcohol en nicotine
  • Industriële ‘schadelijke’ stoffen

De incidentie van ototoxiciteit als bijwerking van een geneesmiddel is in de Westerse landen niet groot en in veel gevallen, bij weloverwogen keuze en dosering is (gedeeltelijk) herstel mogelijk. Een risico is echter wél aanwezig in levensbedreigende situaties en de daarmee samenhangende langdurige klinische behandelingen. In het algemeen vormen combinaties van ototoxische invloeden een extra risico. Men kan hier denken aan een combinatie van ototoxische medicatie met lawaai, maar ook aan blootstelling aan een combinatie van schadelijke stoffen en lawaai.


Verdere informatie over ototoxiciteit is te vinden in Hfdst.7.4.1(2).

 

 

7.3.2.6(2). Verwijzingen

Enkele oorzaken van doofheid en slechthorendheid worden tevens besproken in Hfdst.6.2.3(2) in het kader van de pathologie van het centrale auditieve systeem en in Hfdst.7.2.2(2) in het kader van de patho-anatomie en pathofysiologie van het gehoor. De duizenden aan het onderwerp van dit hoofdstuk gerelateerde, voor het merendeel Amerikaans, websites bevatten een veelheid aan informatie en literatuur. Links naar enkele van deze sites worden vermeld in de volgende paragraaf. Wat de literatuur betreft geldt voor Nederland het boek ‘Erfelijke doofheid en slechthorendheid’ van Cremers e.a. (1982) als standaardwerk.

 

 

7.3.2.7(2). Links


Algemene informatie over ziekten en gezondheid

  1. www.gezondheid.be/ - Algemene informatie over ziekten en gezondheid
  2. www.medischestartpagina.nl/  - Breed opgezette site over ziekten, gezondheid en organisaties
  3. www.e-gezondheid.be/ - Informatie in het algemeen (voorlichtend) over gezondheid
  4. www.ivillage.com/  - ‘The Internet for women’ – o.a. informatie over ziekte en gezondheid
  5. www.emedicine.com/ped/topic2422.htm - Veel informatie over een groot aantal ziekten
  6. reference.allrefer.com/ - Encyclopedie
  7. www.diseasesdatabase.com/ - Uitgebreide database over ziekten
  8. www.medicinfo.nl/ - Informatie over gezond zijn, gezond blijven en wat men daar zelf aan kan doen ook informatie over ziekten, geneesmiddelen en preventie

Algemene informatie over genetica en ziekten met een genetische oorzaak

  1. http://www.nevenzel.com/04%20staringcollege/gen00.html - Geschiedenis van het DNA onderzoek en overzicht van wat de verschillende chromosomen doen
  2. www.rug.nl/med/faculteit/disciplinegroepen/kindergeneeskunde/liverdigestivemetabolicdiseases/enzyme/Biotinidase
  3. www.ghr.nlm.nih.gov/ - ‘Genetics Home Reference’ – algemene informatie over ziekten met een genetische oorzaak
  4. http://www.erfelijkheid.nl/node/455 - Onderwerpen in relatie tot erfelijkheid in het algemeen, zoals chromosomen en genen
  5. www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?db=OMIM - OMIMTM  (Online Mendelian Inheritance in ManTM)
  6. www.geneclinics.org/ - ‘Medical genetics information resource’
  7. www.ncbi.nlm.nih.gov/ - Website van het National Center for Biotechnology Information, U.S. National Library of Medicine

Erfelijke en congenitale gehoorstoornissen

  1. http://hearing.harvard.edu/info/GeneticDeafnessBookletV2.pdfArtikel ‘The Genetics of Deafness’ by Heidi L. Rehm
  2. www.telemedical.com/Teleaudiology/hearinglossgenetics3.htm  - Overzicht van de genetische oorzaken van gehoorstoornissen en korte beschrijvingen van de stoornissen
  3. www.tchain.com/otoneurology/disorders/hearing/cong_hearing.html  - Overzicht en heldere beschrijvingen van congenitale doofheden
  4. http://www.utmb.edu/otoref/grnds/Genetic-HL-2004-0317/Genetic-HL-slides-2004-0317.pdf  - Overzichtsartikel over (erfelijke) doofheid en de diagnostiek daarbij
  5. www.genetests.org/ - Website funded by the NIH and developed at the University of Washington, Seattle – via zoekfunctie (Smith, van Camp) naar drie pagina’s: 1. Nonsyndromic Hearing Loss and Deafness, DFNA3, 2. Nonsyndromic Hearing Loss and Deafness, DFNB1 en 3. Deafness and Hereditary Hearing Loss Overview 
  6. http://www.kno.nl/ - Informatie op KNO gebied
  7. www.deafness.about.com/cs/featurescauses/a/audneuropathy.htm - Informatie over auditieve neuropathie
  8. www.nidcd.nih.gov/health/hearing/neuropathy.asp - Informatie over auditieve neuropathie

Specifieke aandoeningen

  1. www.faces-cranio.org/Disord/Golden.htm - The National Craniofacial Association Tennessee – o.a. over het syndroom van Goldenhar
  2. www.laposa.nl/ - Website van de Landelijke Patiënten- en Oudervereniging voor

Schedel- en/of Aangezichtsafwijkingen

  1. www.sma.org.sg/smj/4005/articles/4005cr2.html (met plaatjes van scans).
  2. www.dizziness-and-balance.com/ - Op 6-11-2004 tijdelijk uit de lucht

Tijdschriften

  1. www.jpgmonline.com/ - Journal of Postgraduate Medicine (tijdschrift)
  2. Medline: www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/

 


 


7.3.2.1(3). Geschatte aantallen in Nederland van lijders aan de besproken syndromen


Categorie en syndroom
Aantal of percentage binnen bevolking Percentage van kinderen met aangeboren doofheid Aantal pasgeborenen
2.1. Autosomaal dominant
1. Waardenburg 1 op 40.000 (400) 2 á 3 % (250)  
2. BOR 1 op 40.000 (400)* 1 % (200) – 2.3%  
3. Stickler     1 op 7500 tot 10.000 (1800)
4. Neurofibromatose 2 1 op 2 á 500.000 (50)   1 op 40.000 (400)
5. Treacher Collins   1 á 2 % (200)  
6. Otosclerose 10% bevolking    
2.2. Autosomaal recessief
1. Usher 3.5 op 100.000 (600)   1 á 2 op 20.000 (1200)
2 Pendred   5% (750)  
3. Jervell Lange-Nielsen 3 op 1.000.000 (50)    
4. Biotinidase deficiëntie (totaal) 1 op 60.000 (300)    
2.3 X-gen gebonden
Alport 1 op 200.000 (80)   1 op 50.000 (300)
3. Multifactorieel
Goldenhar 1 op 45.000 (recent)    
CHARGE     1 op 12.000 (1300)
CMV (als geheel)     1 op 2000 (8000)
Auditieve Neuropathie     2 op 10.000 (300)

Tabel I. Overzicht van de geschatte aantallen binnen de bevolking in Nederland van lijders aan de besproken syndromen. De aantallen zijn gebaseerd op vermeldingen in de literatuur en op de diverse, ook buitenlandse, websites. In de kolom ‘bevolking’ is gerekend vanuit de opgave voor het geheel van de bevolking, in de kolom ‘aangeboren doofheid’ is uitgegaan van het aantal dove kinderen en in de kolom ‘geboorten’ is de opgave voor het aantal pasgeborenen als uitgangspunt genomen. Een verantwoording van de schattingen is te vinden in niveau 3 van dit hoofdstuk. Een redelijk complete opgave van de verschillende prevalenties is te vinden op http://www.geneclinics.org/.

 



Literatuur


  1. Barbi et al, 2003 Barbi M, Binda S, Caroppo S, Ambrosetti U, Corbetta C, Sergi P. A wider role for congenital cytomegalovirus infection in sensorineural hearing loss. Pediatr Infect Dis J 2003 Jan;22 (1):39-42.
  2. Van Camp G, Willems PJ, Smith RJ (1997) Nonsyndromic hearing impairment: unparalleled heterogeneity. Am J Hum Genet 60:758-64.
  3. Cremers CW, Marres HA, van Rijn PM (1991) Nonsyndromal profound genetic deafness in childhood. Ann N Y Acad Sci 630:191-6.
  4. Cremers CWRJ, Hageman MJ, Huizing EH. ‘Erfelijke doofheid en slechthorendheid’. Bohn, Scheltema & Holkema, Utrecht/Antwerpen, 1982).
  5. Declau F. Van Spaendonck M, Timmermans JP, Michaels L, Liang J, Qiu JP Van de Heyning P. Prevalence of Otosclerosis in an Unselected Series of Temporal Bones. Otology & Neurotology 2001;22:596-602.
  6. El-Schahawi M, et al. Two large spanish pedigrees with nonsyndromic sensorineural deafness and the mtDNA mutation at nt 1555 in the 12S rRNA gene. Evidence of heteroplasmy. Neurology 1997;48:453-.
  7. Fraser GR. The causes of profound deafness in childhood. Johns Hopkins University Press, Baltinore ans London, 1976.
  8. Hood, LJ. Neuropathy. The Hearing Journal 1998;51.
  9. Kraus N, Ozdamar O, Stein L, Reed N. 1984. Absent auditory brainstem response: Peripheral hearing loss or brain stem dysfunction? Laryngoscope 94: 400-406.
  10. Menger DJ, Tange RA. The aetiology of otosclerosis: a review of the litterature. Clin Otolaryngol Allied Sci.2003;28:112-120.
  11. Ohlms LA, Edward MS, Mason EO, Igarashi M , Alfred B R, Smith RJ. Recurrent Meningitis and Mondini Dysplasia. Arch Otolaryngol Head Neck Surg 1990; 116:608-612.
  12. Rehm HL. The Genetics of Deafness: Connexin 26 Testing. Website Alexander Graham Bell Association http://www.agbell.org/periodicals/rehm.cfm
  13. Schrauwen Y, Van Camp G. The etiology of otosclerosis: A combination of genes and environment. Laryngoscope 2010;120:1195-1202.
  14. Schuknecht HF. Pathology of the ear, 2nd edition. Lea & Febiger, Philadelphia, 1993.
  15. Shah SM, Prabhu SS, Merchant RH. Mondini defect. J Postgrad Med 2001;47:272-3
  16. Shapiro SM. Chronic bilirubin encephalopathy: diagnosis and outcome. Seminars in Fetal & Neonatal Medicine 2010;15:57–163. Journal homepage: www.elsevier.com/locate/siny.
  17. Shallop JK, Peterson A, Facer GW, Fabry LB, Driscoll CL. Laryngoscope. 2001 Apr;111(4 Pt 1):555-62.
  18. Worthington DW, Peters JF. 1980. Quantifiable hearing and no ABR: Paradox or error? Ear and Hearing 1:281-285.

© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie