Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 7.4.3(2). Slechthorendheid en akoestiek
 Auteur: Houtgast, Wit
 Revisie: december 2012

Inhoud:

7.4.3.1(2). Inleiding

7.4.3.2(2). STI en de grenzen voor het spraakverstaan

7.4.3.3(2). STI in de praktijk


 

7.4.3.1(2). Inleiding

In Hfdst.5.5.1. is besproken hoe de akoestische eigenschappen van een ruimte de overdracht van het spraaksignaal  – negatief – beïnvloeden. Bij deze beïnvloeding spelen door de wanden gereflecteerd geluid, galm, echo's en storend achtergrondgeluid een grote rol. We hebben gezien dat de STI een goede beschrijving geeft van de mate waarin de overdracht van het spraaksignaal als gevolg van deze factoren is verslechterd.


De STI is een objectieve grootheid en dus niet gekoppeld aan de mate van slechthorendheid van de luisteraar. Op voorhand is natuurlijk wel te zeggen dat, wanneer de STI aangeeft dat de overdracht van spraak matig is, dit voor een slechthorende in nog ernstiger mate zal gelden. We denken hierbij vooral aan nagalm en storend achtergrondgeluid. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt besproken hoe de STI een voorspelling kan geven van de mate waarin slechthorenden in een ruimte spraak kunnen verstaan en hoe daarin, door het nemen van verstandige akoestische maatregelen, verbetering kan worden aangebracht. In Hfdst.5.5.1. werd alleen globaal aangegeven hoe goed of slecht voor een bepaalde STI het spraakverstaan was. In dit hoofdstuk worden de grenzen voor het spraakverstaan kwantitatief bepaald, zowel voor normaalhorenden als slechthorenden en hoe de STI verbeterd kan worden.


 


7.4.3.2(2). STI en de grenzen voor het spraakverstaan

De getrokken lijnen in Fig.1 zijn – theoretisch bepaalde - lijnen van gelijke STI, respectievelijk voor de waarden 0.3, 0.5 en 0.7. Alle combinaties van nagalm (verticale as) en S/N verhouding voor het achtergrondlawaai (horizontale as) op een bepaalde lijn hebben dezelfde STI. Men kan nu bij normaalhorenden voor verschillende combinaties van galm en achtergrondlawaai bepalen waar de grens ligt voor het spraakverstaan van eenvoudige zinnen. Voor deze grens neemt met de combinatie waarbij nog 50% van de zinnen correct verstaan wordt. De rondjes in de figuur geven aan waar men dan uitkomt. Hier is gebruik gemaakt van jonge proefpersonen teneinde presbyacusis te vermijden. 


Fig 1. De getrokken curven geven de theoretische lijnen van constante STI als functie van de nagalmtijd T en  signaal-ruis verhouding t.o.v. het achtergrondgeluid.  De onderbroken lijnen geven de combinaties aan van nagalmtijd en signaal-ruis verhouding waarbij 50%  van de zinnen verstaan wordt bij normaalhorenden (rondjes) en bij een groep slechthorenden. (figuur ontleend aan Houtgast en Steeneken, 1985).


Men kan, op dezelfde wijze als zojuist beschreven, het spraakverstaan ook meten bij slechthorenden. Natuurlijk is daarbij de mate van slechthorendheid een factor. De kruisjes in Fig.1 geven de uitkomst voor een groep ouderen met presbyacusis.


Fig.1 leert ons dat in een ruimte met akoestisch storende eigenschappen, b.v. een werkplek, slechthorenden een hogere STI vragen dan normaalhorenden om op dezelfde wijze spraak te verstaan als normaalhorenden.


 


7.4.3.3(2). STI in de praktijk

In Par.1 van niveau 3 van dit hoofdstuk wordt aan de hand van een voorbeeld besproken hoe de hierboven aangegeven uitgangspunten in de praktijk kunnen worden toegepast.


In beginsel kan de STI benadering met vrucht worden toegepast om, in maat en getal voorspelbaar en verifieerbaar, de akoestische omstandigheden op de werkplek zodanig aan te passen dat voor een (enigszins) slechthorende een redelijke mate van spraakverstaan wordt bereikt.  Daarbij moet echter bedacht worden dat er een aantal generalisaties zijn gemaakt die eigenlijk onvoldoende experimenteel zijn onderbouwd. Alléén voor presbyacusis is vastgesteld dat de STI bepalend is voor het spraakverstaan en de vereiste verbetering van de STI waarde is alléén bepaald bij de drempel voor 50% verstaan van zinnen. Een brede toepassing van het STI concept voor slechthorenden vereist nader onderzoek van deze aspecten.


Voor verificatie van de gerealiseerde STI waarde is apparatuur in de handel waarmee in de praktijk de STI waarde kan worden gemeten.  Hiermee kan worden nagegaan of het gestelde doel is bereikt.



 

7.4.3.1(3). STI in de praktijk

We gaan nu na hoe de in het voorafgaande aangegeven uitgangspunten in de praktijk kunnen worden toegepast. Als voorbeeld beschouwen we het aanpassen van 'de akoestiek' aan een individuele slechthorende. Dit omvat de volgende stappen.


Hoeveel hoger – dan normaal - moet de STI zijn voor slechthorenden?

Om na te gaan hoeveel hoger de STI moet zijn in vergelijking tot die bij normaalhorenden wordt het spraakverstaan in lawaai bepaald. Wordt hiertoe de methode van Plomp gebruikt (Plomp, 1979 en Plomp and Mimpen, 1986), dan kan de vereiste verbetering in STI afgeleid worden uit de drempelwaarde voor het verstaan van spraak in ruis, d.w.z. uit de signaal-ruis verhouding waarbij 50% van eenvoudige zinnen correct wordt verstaan. Voor normaalhorenden ligt die drempelwaarde tussen de - 4 en  -5 dB. De STI bij de drempel voor normaalhorenden is 0.35 (Fig.1). Voor de slechthorende zal een hogere drempel gevonden worden, b.v. tussen de + 1 en 2 dB. Het verschil met normaalhorenden, de 'D-term' van Plomp (Plomp, 1986), bedraagt dan dus 6 dB. Dit verschil kan vertaald worden in termen van STI door de regel dat elke toename van de signaal-ruis verhouding met 3 dB een verhoging van de STI met 0.l betekent. Deze slechthorende eist dus een STI van 0.55 voor dezelfde prestatie, aan de drempel, als normaalhorenden bij een STI van 0.35.


Wat is de vereiste STI van deze overdracht?

We gaan er van uit dat een STI van 0.5 voor normaalhorenden een net aanvaardbare situatie oplevert. Wanneer we voor een slechthorende een situatie willen nastreven die daarmee vergelijkbaar is, dan wordt die bereikt bij een STI waarde die een factor 0.55/0.35 hoger is, dus bij STI is 0.79. We nemen hier dus aan dat de hierboven gevonden factor 0.55/0.33 als maat voor de handicap in termen van een vereiste STI toename ook voor andere STI waarden geldt; dit is niet experimenteel onderbouwd. Men zou ook het verschil 0.55-0.35 als maat kunnen nemen.


Hoe kan de vereiste STI worden bereikt?

De STI wordt onder meer bepaald door de afstand tussen spreker en luisteraar, het spectrum van het aanwezige stoorlawaai, de sterkte daarvan en door de akoestiek van de ruimte. In Houtgast et al. (1980) is beschreven hoe de effecten van mogelijke maatregelen kunnen worden doorgerekend en 'op papier' de vereiste STI waarde kan worden gerealiseerd. Het hier gehanteerde voorbeeld, een STI van 0.79, is overigens een waarde die in de praktijk slechts bereikt zal kunnen worden bij een korte afstand tussen spreker en luisteraar en bij weinig stoorlawaai e.d.. Dit illustreert dat het compenseren van de slechthorendheid door een verbetering van de STI natuurlijk niet tot in het extreme kan worden doorgevoerd. Bij een zeer ernstige handicap wordt de vereiste STI waarde zelfs onrealistisch.


Verificatie van de gerealiseerde STI-waarde

Met de RASTI apparatuur van de firma Bruel & Kjaer kan in de praktijk de STI waarde worden gemeten en kan dus worden nagegaan of het gestelde doel is bereikt.



Literatuur

  1. Bruel & Kjaer Technical Review No.3, on RASTI, 1985.
  2. Duquesnoy AJ, Plomp R. Effect of Reverberation and Noise on the Intelligibility of Sentences in Cases of Presbyacusis.  J Acoust Soc Am 1980;68:537-544.
  3. Houtgast T, Steeneken HJM, Plomp R. Predicting Speech Intelligibility in Rooms from the Modulation Transfer Function. 1. General Room Acoustics.  Acustica 1980;46:60-72.
  4. Houtgast T. The Effect of Ambient Noise on Speech Intelligibility in Classrooms.  Applied Acoustics 1981;14:15-25.
  5. Houtgast T, Steeneken HJM.  A Review of the MTF Concept in Room Acoustics and Its Use for Estimating Speech Intelligibility in Auditoria.  J Acoust Soc Am 1985;77:1069-1077.
  6. Plomp R. A Signal-to-Noise Ratio Model for the Speech Reception Threshold of the Hearing Impaired.  J Speech and Hearing Research 1986;29:146-154.
  7. Plomp R, Mimpen AM.  Improving the Reliability of Testing the Speech Reception Threshold for Sentences.  Audiology 1979;18:43-52.

© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie