Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 8.3.8(2). Electrocochleografie - ECochG
 Auteur: Schoonhoven
 Revisie: mei 2011

Inhoud:

8.3.8.1(2). Opstelling en uitvoering

8.3.8.2(2). De plaats van electrocochleografie in de kliniek en aanvullende mogelijkheden

8.3.8.3(2). Differentiaaldiagnostiek van (retro)cochleaire laesies

8.3.8.4(2). Objectieve audiometrie

 

8.3.8.1(2). Opstelling en uitvoering

Met electrocochleografie (ECochG onderzoek) worden de fysiologische responsies van de cochlea gemeten. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een elektrode die zich (bij voorkeur zo dicht mogelijk) in de nabijheid van de cochlea bevindt, zoals een op het promontorium geplaatste transtympanale naaldelektrode (Fig.1). De naaldelektrode is gefixeerd in een over de oorschelp heen geplaatste constructie.


Fig.1. Schematische weergave van de opstelling voor het verrichten van een ECochG onderzoek. De CAP’s worden afgeleid van het promontorium. De trechter in de uitwendige gehoorgang fixeert de elektrode.


Met het oog op de vereiste ontspanning van de patiënt (om stoorsignalen t.g.v. van spieractiviteit te vermijden) en de soms lange duur van het onderzoek wordt bij volwassenen meestal een lichte sedatie toegepast, bij kleine kinderen (ondiepe) algehele anesthesie.


Als stimuli worden kliks of korte toonstoten met frequenties van 500 tot 8000 Hz gebruikt. De via de naaldelektrode verkregen responsies hebben groottes in het 0.1-10 mV bereik. Ze worden versterkt, gefilterd en gemiddeld om de signaal-ruisverhouding te verbeteren. Met toonstoten kan op directe wijze frequentiespecifieke informatie verkregen worden, d.w.z. betrekking hebbend op dat frequentiegebied van de cochlea dat specifiek voor de betreffende stimulusfrequentie gevoelig is. Dezelfde responsies kunnen ook, zij het met een ongunstiger signaal-ruisverhouding, worden geregistreerd met een non-invasieve extratympanale elektrode die tegen de gehoorgangwand of direct op het trommelvlies wordt geplaatst.


 


8.3.8.2(2). De plaats van electrocochleografie in de kliniek en aanvullende mogelijkheden

Electrocochleografie heeft altijd zowel een direct klinisch diagnostisch als een wetenschappelijk doel gediend. De wetenschappelijke betekenis ervan kunnen we afmeten aan de ermee verkregen inzichten in de fysiologie van de menselijke cochlea en met name de afwijkingen daarin bij verschillende soorten gehoorstoornissen. De diagnostische betekenis kan worden afgemeten aan de mate waarin de resultaten van het onderzoek bijdragen aan het stellen van een diagnose, het te voeren (therapeutisch dan wel nader diagnostisch) beleid en, in de derde plaats, nadere bepaling van de aard en ernst van een (reeds gediagnostiseerde) aandoening. Het laatste is uiteraard van belang om een progressie van de ziekte of het effect van therapie vast te stellen. Het diagnostisch belang van electrocochleografie ligt echter in hoofdzaak in de bijdrage aan de differentiaaldiagnostiek van onbegrepen of onduidelijke gehoorverliezen, en op het gebied van bepalen van responsiedrempels bij zeer ernstig slechthorende kinderen om daarop vervolgens een revalidatiebeleid af te stemmen. Deze onderwerpen worden hierna achtereenvolgens besproken.


In aanvulling op andere tests biedt ECochG -onderzoek de mogelijkheid informatie omtrent de (dys)functie van de cochlea in de verwerking van bovendrempelige geluiden te verkrijgen die in beginsel nuttig gebruikt kan worden bij audiologische revalidatie, zoals bijvoorbeeld de cochleaire frequentieselectiviteit. Een groot deel van de bekende cochleaire beschadigingen berust namelijk op dysfunctie en/of structurele laesies van haarcellen. Zie verder literatuur.


 


8.3.8.3(2). Differentiaaldiagnostiek van (retro)cochleaire laesies

Een specifieke otologische afwijking die in de electrocochleografie veel aandacht heeft gekregen is de ziekte van Menière, die naar men aanneemt wordt gekenmerkt door een - fluctuerende - verhoging van de vloeistofdruk in de cochlea, de ‘endolymfatische hydrops’ die na langere tijd ook tot verlies van haarcellen leidt.


Daarnaast wordt de KNO-arts (en de audioloog) regelmatig geconfronteerd met gehoorverliezen waarvan de oorzaak onbekend is. Dan wordt vaak volstaan met het uitsluiten van retrocochleaire pathologie. Toch zal in veel gevallen zowel de arts als de patiënt behoefte hebben aan een duidelijker diagnose c.q. prognose. Denk hierbij aan (sterk) progressieve slechthorendheid, plotselinge doofheid, audiogrammen van een ongebruikelijke vorm, atypische Menière-beelden, wisselende gehoorverliezen en gehoorverliezen bij diffuse neurologische afwijkingen etc. Electrocochleografie kan daar in een aantal gevallen een duidelijke bijdrage aan leveren. Correlatie van de electrocochleografische met audiometrische en andere bevindingen zal bijdragen aan de gedachtevorming omtrent de differentiaaldiagnose. Zo kan bijvoorbeeld informatie verkregen worden over de conditie van haarcellen, cochleaire frequentieselectiviteit en over eventuele neurale afwijkingen zoals pathologische adaptatie. Differentiatie van perifeer auditieve laesies met behulp van electrocochleografie is mogelijk omdat verschillende soorten afwijkingen van het binnenoor zich op verschillende wijze manifesteren in CAP en/of SP. In Par.8.3.8.2(3) worden voor verschillende ziektebeelden de responsies geïllustreerd. In Par. 8.3.8.3(3) worden enkele interpretatieproblemen besproken. In Par.8.3.8.4(3) wordt kort specifiek ingegaan op de ziekte van Menière.


Tenslotte lijken er ziektebeelden te bestaan die niet zozeer haarcellen als wel synaptoneurale processen beïnvloeden, leidend tot een verminderde synchronie van het neurale vuurgedrag. Over dit type fysiologische afwijkingen, tegenwoordig vaak aangeduid als auditieve neuropathie, is onze kennis nog zeer onvolledig.


 


8.3.8.4(2). Objectieve audiometrie

Vóór de opkomst van de hersenstamaudiometrie (BERA) was electrocochleografie de enige objectieve methode voor het bepalen van hoordrempels bij kinderen waarbij (ernstige) slechthorendheid werd vermoed, of bij andere patiënten die niet in staat zijn tot het produceren van een betrouwbaar toonaudiogram, zoals b.v. bij verstandelijk gehandicapten. Een belangrijk deel van deze diagnostiek is overgenomen door de BERA. Hoewel dat onderzoek weliswaar geen gedetailleerde frequentiespecifieke drempelbepaling oplevert, geeft het in het algemeen voldoende gegevens voor het vaststellen van revalidatiebeleid indien er sprake is van gehoorverliezen niet groter dan ongeveer 70 dB. Grotere verliezen zijn echter met BERA onderzoek niet betrouwbaar in kaart te brengen. Er kan dan gekozen worden voor ECochG onderzoek, dat een nauwkeurige en frequentiespecifieke drempelbepaling oplevert bij verliezen tot 100 à 110 dB. In wezen gaat het dan niet zozeer om het objectiveren van de slechthorendheid - dat het kind ernstig slechthorend is, is in het algemeen voldoende bekend uit observatieaudiometrie, of uit elders verricht BERA onderzoek - als wel om het vaststellen van de mate van restgehoor. Kennis daarvan is van groot belang voor het bepalen van het verdere revalidatiebeleid. Een resultaat hiervan wordt gepresenteerd in Fig.2.


Fig.2. Electrocochleografie als methode voor drempelmeting bij een slechthorend jong kind; drempelmeting bij 1000 Hz (a), bij 2000 Hz (b) en bij 4000 Hz (c); de vergelijking van de ECochG drempels met de later gemeten subjectieve drempels is te zien in (d); let op de verschillende tijdschalen in (a), (b) en (c); uit Schoonhoven et al. 1999

Deze figuur toont voorbeelden van drempelmetingen bij de frequenties 1 kHz, 2 kHz en 4 kHz 000 Hz (a, b, c) bij een ernstig slechthorend jong kind (leeftijd 1;6 jaar) en een vergelijking van het ‘ECochG audiogram’ met het later verkregen (subjectieve) toonaudiogram. Er blijkt een zeer goede overeenkomst te bestaan tussen beide metingen. De overeenkomst blijkt ook voor afzonderlijke frequenties goed. Electrocochleografie is daarom bij zeer kleine kinderen een betrouwbare methode om het restgehoor te bepalen en daarop/vervolgens de verdere audiologische begeleiding af te stemmen.


Electrocochleografische drempelbepaling kan ook in het bijzonder van belang zijn indien bij zeer jonge kinderen het plaatsen van een cochlear implant wordt overwogen. Zeker indien voor het inbrengen van intracochleaire elektrodes wordt gekozen die naar verwachting de cochleaire restfunctie ernstig bedreigen, zal men er zeer zeker van willen zijn dat geen bruikbaar restgehoor aanwezig is. Om dat vast te stellen wordt op verschillende plaatsen electrocochleografie gebruikt, waarbij zelfs meer gevoelige meetmethoden dan de gebruikelijke transtympanale, bijvoorbeeld door het plaatsen van een elektrode op het ronde venster, in ontwikkeling zijn. Zie verder niveau 3.


 


 

8.3.8.1(3). Aanvullende mogelijkheden van ECochG -onderzoek

Verwezen wordt naar Eggermont, 1977, Harrison et al., 1981 en Rutten, 1986. Recent bestaat er ook toenemende belangstelling voor intra-operatieve monitoring (Par.8.3.8.5(3)) van de conditie van de cochlea met electrocochleografie bij diverse soorten operaties.


 


8.3.8.2(3). Responsie-eigenschappen van de pathologische cochlea - voorbeelden

Om een en ander te illustreren worden in Fig.1, 2 en 3 vergelijkbare responsieseries getoond als voor een normaal oor (Hfdst.4.4.1), nu echter voor patiënten met achtereenvolgens primaire sensorineurale laesies, de ziekte van Menière, en een brughoektumor.


Fig.1. Electrocochleografische registraties op 2000 Hz toonstoten in een patiënt met een eenzijdig sensorineuraal gehoorverlies (uit Schoonhoven, Boerhave Cursus 1996)


Fig.2. Electrocochleografische registraties op 2000 Hz toonstoten in een patiënt met de ziekte van Menière (uit Schoonhoven, Boerhave Cursus 1996)


Fig.3. Electrocochleografische registraties op 2000 Hz toonstoten in een patiënt met een kleine brughoektumor in de porus acousticus (uit Schoonhoven, Boerhave Cursus 1996)


De eerste afwijking die wordt gevonden is de responsiedrempel, gedefinieerd als de geluidssterkte waarbij een responsieamplitude van 0.1 mV wordt gevonden. Deze drempel blijkt (behalve uiteraard bij retrocochleaire laesies (Fig.3) zeer goed overeen te komen met het toonaudiogram, reden waarom electrocochleografie een betrouwbare methode is om op objectieve wijze een audiogram te bepalen. Bij sensorineurale laesies zijn de CAP latenties (bij vergelijking van responsies bij hetzelfde absolute geluidsniveau) gelijk aan die in een normaal oor (Fig. 4). Bij cochleaire laesies wordt veelal een abnormale steilheid van de amplitude I/O curve gevonden (Fig. 4 en 5). Deze steilheid is sterk gecorreleerd met het verschijnsel loudness recruitment. Beide worden verklaard doordat ten gevolge van beschadiging van buitenste haarcellen de drempelcurven van afzonderlijke vezels hun gevoelige tip verliezen zodat een zacht geluid geen enkele, maar een hard geluid al snel een groot aantal vezels tegelijk activeert, zoals geïllustreerd in Fig. 4 (Evans, 1975). Een steile I/O curve vormt dus een directe aanwijzing voor laesies op het niveau van de buitenste haarcellen. Grootheden als drempel en I/O curve kunnen frequentiespecifiek worden bepaald.


Fig. 4. Schematische neurale verklaring van loudness recruitment cq steile I/O curven bij beschadiging van buitenste haarcellen. (naar Evans, 1975).

De sommatiepotentiaal (SP) tenslotte, afkomstig van (vooral de buitenste) haarcellen, zal in sensorineurale laesies klein of afwezig zijn (Fig.1), terwijl bij de ziekte van Menière (Fig.2) veelal een vergrote en/of verbrede SP wordt gevonden. Dit wordt toegeschreven aan een toegenomen asymmetrie in de fysiologische responsie van de haarcellen die het gevolg zou zijn van een endolymfatische hydrops. Doordat de SP het best kan worden gemeten op hoge intensiteit zal, ook bij stimulatie met toonstoten, de responsie gedomineerd worden door de basale winding en/of de frequentiespecificiteit van de SP- bepaling dus beperkt zijn. De absolute SP en CAP amplitudes hangen enigszins af van de exacte positie van de meetelektrode, reden waarom dikwijls niet de absolute SP-amplitude als diagnostisch criterium voor de ziekte van Menière wordt gebruikt, maar de SP/CAP ratio. Deze wordt meestal bepaald voor klikstimuli op hoge intensiteit (90 dB). Met name deze grootheid kan ook extratympanaal eenvoudig en betrouwbaar gemeten worden. Normaal wordt een SP/CAP ratio van 0.15 tot 0.35 gevonden; hogere waarden pleiten voor de ziekte van Menière (volgens de literatuur worden die bij tweederde van de Menière patiënten gevonden), terwijl bij haarcellaesies de SP/CAP ratio (nagenoeg) tot nul is gereduceerd. De (relatieve) verhoging van de SP bij Menière patiënten is dikwijls ook te zien in de sterke verbreding van de SP/CAP golfvorm (Fig.2 t.o.v. Fig.1). Een andere afwijking bij de ziekte van Menière betreft de golfvorm van de smalle band responsie, die in ongeveer de helft van de patienten trifasisch is i.p.v. bifasisch zoals normaal of bij sensorineurale laesies. Een voorbeeld daarvan wordt gegeven in Fig.5.


Fig. 5. Smalle band responsies in een normaal oor, bij de ziekte van Menière, en bij een brughoek- tumor (uit Schoonhoven, Boerhave Cursus 1996)

Bij retrocochleaire laesies zoals brughoektumoren worden electrocochleografisch in veruit de meeste gevallen uitgesproken cochleaire afwijkingen gevonden doordat de tumor de vaatvoorziening van de cochlea beknelt en secundaire haarcellaesies ontstaan ten gevolge van zuurstoftekort. Is dat (nog) niet het geval, dan worden potentialen gevonden die als gevolg van de verstoorde neurale geleiding sterk verbreed zijn en daardoor een verhoogde latentie hebben (Fig.3). De smalle band responsie blijkt dan vaak monofasisch te zijn (Fig.5). De SP is normaal (of in een later stadium afwezig), en amplitude input/output curven zijn normaal waarbij een drempel gunstiger dan het audiogram kan worden aangetroffen (Fig.3). Hoewel uiteraard de elektrofysiologische diagnostiek van


  Haarcelverlies Menière Retrocochleair
CAP drempel Verhoogd conform audiogram Verhoogd conform audiogram Soms discrepantie met audiogram
SP Zeer klein Zeer groot, vooral bij 2000 Hz Klein tot normaal
SP-CAP ratio
(hoge intensiteit klik)
Zeer klein Verhoogd Klein tot normaal
I-O curve Steil Steil Normaal tot steil
CAP latentie Normaal Normaal tot licht verlengd Sterk verlengd
Vorm CAP-SP complex Normaal Verbreed t.g.v. grote en brede SP Sterk verbreed t.g.v. abnormale neurale geleiding
Smalle band respons Normaal bifasisch trifasisch monofasisch

Tabel I. Overzicht van diagnostische informatie in de electrocochleografie (uit Schoonhoven, Boerhave Cursus 1996)


brughoektumoren grotendeels is overgenomen door de ABR kan ook daarbij electrocochleografie nog altijd een belangrijke rol spelen (Dauman et al., 1988a). Een ander fenomeen dat op neurale stoornissen wijst is een verminderde synchronisatie van de responsie, blijkend uit het feit dat slechts op stimulusniveaus aanzienlijk boven de audiometrische drempel een duidelijk zenuwresponsie meetbaar is.


De diverse electrocochleografische bevindingen bij verschillende ziektebeelden zijn samengevat in Tabel I. Voor achtergronden van de verschillende diagnostische aspecten zij verwezen naar literatuur zoals Eggermont et al. (1974), Spoor en Eggermont (1974), Ruben et al. (1976), Eggermont (1976), Eggermont en Odenthal (1977), Coats (1981), Gibson et al. (1983), Dauman et al. (1988a,b), Ruth et al. (1988) en Schoonhoven et al. 1999.


 


8.3.8.3(3). Problemen bij de interpretatie van de responsies

Als duidelijk voorbeeld van de bijdrage van electrocochleografie aan de differentiaaldiagnostiek worden in Fig.6 enkele meetresultaten gepresenteerd in twee oren met een nagenoeg identiek audiogram, aflopend van 40 dB in de lage tot 70 dB in de hoge tonen. Het betreft twee patiënten met een asymmetrisch perceptief verlies, beide met tinnitus en atypische duizeligheidsklachten. Uitgebreide audiometrie gaf vergelijkbare resultaten. Electrocochleografisch werden in beide oren normale CAP latenties gevonden en steile I/O curven met drempels conform het audiogram, wijzend op cochleaire lokalisatie van de afwijking. De golfvorm van het CAP/SP complex was echter zeer verschillend voor de twee patiënten. In patiënt A werden normale golfvormen gezien met een kleine tot afwezige SP resp. kleine SP/CAP ratio. De smalle band potentialen waren normaal bifasisch. In patiënt B echter werden zeer brede potentialen gevonden die worden gedomineerd door een zeer grote SP. De CAP/SP ratio was omstreeks 0.5. Er werden diverse trifasische smalle band potentialen gevonden. Conclusie is dan ook dat bij patiënt B hoogstwaarschijnlijk sprake is van de ziekte van Menière, terwijl patiënt A een gehoorverlies heeft, primair gekenmerkt door haarcellaesies op grond van een andere (vooralsnog onbegrepen) etiologie. Dit geeft een duidelijke differentiatie van pathologie die op basis van conventionele audiometrie of anderszins niet mogelijk was.


Fig. 6. Enkele electrocochleografische registraties in twee patiënten met een eenzijdig perceptief verlies met vergelijkbaar audiogram en anamnese (zie tekst). De fysiologische responsies voor patiënt A wijzen op primaire haarcelbeschadigingen, die in patiënt B op de ziekte van Menière tumor (uit Schoonhoven, Boerhave Cursus 1996)

Bij interpretatie van de gegevens dient men zich er van bewust te zijn dat geen enkele electrocochleografische afwijking uniek bij een bepaald ziektebeeld voorkomt (Tabel I) en er dus altijd sprake zal zijn van een waarschijnlijkheidsdiagnose op grond van een aantal waarnemingen. Retrospectief onderzoek over de eerste jaren van electrocochleografie heeft aangegeven dat in ongeveer een derde van de gevallen het onderzoek wezenlijke nieuwe informatie met betrekking tot de diagnose opleverde, in een derde nadere ondersteuning van een reeds waarschijnlijke geachte diagnose heeft gegeven, en dat in de resterende gevallen onbegrepen gehoorverliezen ook na electrocochleografie onbegrepen bleven (Rietema, 1979). Met de huidige kennis van de mogelijkheden en beperkingen van electrocochleografie wordt de indicatie voor het onderzoek kritischer gesteld, waardoor we mogen aannemen dat genoemde getallen gunstiger zijn. Dit neemt niet weg dat nader onderzoek zinvol is naar de vraag of a-priori kan worden aangegeven in welke gevallen en in welke fase van de ziekte (denk aan het fluctuerend beloop van de ziekte van Menière (Schoonhoven et al., 1990) de met het onderzoek verkregen diagnostische informatie maximaal is.


 


8.3.8.4(3). Diagnostisch en wetenschappelijk onderzoek naar de ziekte van Menière

Traditioneel is veel electrocochleografisch onderzoek verricht naar de ziekte van Menière. De bevinding dat de sommatiepotentiaal veelal verhoogd c.q. verlengd, dan wel de SP/CAP ratio verhoogd is, is in de literatuur sterk gekoppeld aan het veronderstelde bestaan van een endolymfatische hydrops. Zo is o.a. aangetoond dat bij Menière patiënten de abnormaal grote sommatiepotentiaal afneemt tijdens de glycerol dehydratie test (Dauman et al., 1986), en dat in het begin van de ziekte zowel de grootte van de SP als de helling van de I/O curven en de bijbehorende drempels fluctueren in nauwe correlatie met het audiogram (Schoonhoven et al., 1990).


Electrocochleografische bevindingen bij proefdieren waarbij langs chirurgische weg een hydrops is opgewekt vertonen inderdaad vergaande overeenkomsten met de bevindingen bij patiënten: een wisselend perceptief gehoorverlies voor de lage tonen gepaard gaande met een wisselend verhoogde SP, met op langere termijn haarcelverlies, ook basaal, en uiteindelijk een constant matig groot vlak verlies. Het wetenschappelijk denken over de etiologie van de ziekte van Menière is in de loop der jaren dan ook sterk bepaald door de resultaten van electrocochleografisch onderzoek (voor een overzicht zie Horner, 1991).


 


8.3.8.5(3). Intraoperative monitoring

In de literatuur is toenemende belangstelling voor toepassing van electrocochleografie bij intraoperatieve monitoring. Naast toepassingen bij binnenoorchirurgie bij de ziekte van Menière die in de Nederlandse KNO-cultuur van weinig belang lijken (Gibson, 1991; Arenberg, 1991) betreft het vooral brughoekoperaties waarbij naar sparing van het gehoor wordt gestreefd. ECochG onderzoek lijkt daarvoor meer geschikt dan bijvoorbeeld BERA, omdat bij het laatste een zodanig groot aantal middelingen gemaakt moet worden dat ten minste enkele minuten verstrijken voordat terugkoppeling kan worden gegeven over veranderingen in de functionele toestand van cochlea en hersenstam ten gevolge van chirurgische manipulaties, veranderingen die op die tijdschaal in het algemeen al niet meer reversibel zijn. Daarbij komt dat het besef is ontstaan dat gehoorsparend opereren bij brughoektumoren minstens evenzeer bepaald wordt door het sparen van de cochleaire bloedtoevoer als door het functioneel intact laten van de gehoorzenuw. Om daarover terugkoppeling te kunnen geven op de vereiste korte tijdbasis is electrocochleografie in principe zeer geschikt (Møller en Janetta, 1984; Levine et al., 1984; Stanton et al., 1989). Uit de recente literatuur op dit gebied is nog geen optimaal protocol hiervoor naar voren gekomen. Naar verwachting zal de komende jaren meer duidelijkheid ontstaan over hoe een dergelijk protocol eruit zou moeten zien en wat de mogelijkheden en beperkingen van deze vorm van intraoperatieve monitoring zijn.


 


8.3.8.6(3). Objectieve audiometrie bij zeer jonge kinderen

Voor een uitgebreide vergelijking van de relatie tussen de ECochG drempels met de later , via toonaudiometrie - verkregen subjectieve drempels bij jonge ernstig slechthorende kinderen zie Schoonhoven et al. (1999).


 


Literatuur

  1. Arenberg IK. Intraoperative electrocochleographic monitoring of inner ear surgery for endolymphatic hydrops. A review of cases. Acta Otolaryngol 1991; Suppl 485: 53-64.
  2. Boerhave Cursus. KNO-Audiologie Academisch Ziekenhuis Leiden, 1996.
  3. Coats AC. The summating potential in Menière’s disease. I. Summating potential amplitude in Menière and non-Menière ears. Arch Otolaryngol 1981; 107: 199-208.
  4. Dauman R, Aran JM, Portmann M. Summating potential and water balance in Menière’s disease. Ann Otol Rhinol Laryngol 1986; 95: 389-395.
  5. Dauman R, Aran JM, Charlet de Sauvage R, Portmann M. Clinical significance of the summating potential in Menière’s disease. Am J Otol 1988a; 9: 31-38.
  6. Dauman R, Aran JM, Portmann M. Limits of ABR and contribution of transtympanic electrocochleography in the assessment of cerebellopontine angle tumours. Clin Otolaryngol 1988b; 13: 107-114.
  7. Eggermont JJ. Electrocochleography. In: Keidel WD, Neff WB (eds), Handbook of Sensory Physiolol. Auditory system, part 3, Clinical and special topics. Berlin 1976, pp. 625-705.
  8. Eggermont JJ. Compound action potential tuning curves in normal and pathological human ears. J Acoust Soc Am 1977; 62: 1247-1251.
  9. Eggermont JJ, Odenthal DW, Schmidt PH, Spoor A. Electrocochleography. Basic principles and clinical application. Acta Otolaryagol 1974; Suppl 316: 1-84.
  10. Eggermont JJ, Odenthal DW. Potentialities of clinical electrocochleography. Clin Otolaryngol 1977; 2: 275-286.
  11. Evans EF. The sharpening of cochlear frequency selectiviry in the normal and abnormal cochlea. Audiology 1975; 14: 419-442.
  12. Gibson WPR, Prasher DK, Kilkenny GP. Diagnostic significance of transtympanic electrocochleography in Menière’s disease. Ann Otol Rhinol Laryngol 1983; 92: 155-159.
  13. Gibson WPR. The use of intraoperative electrocochleography in Menière’s surgery. Acta Otolaryngol 1991; Suppl 485: 65-73.
  14. Harrison RV, Aran JM, Erre J.P. AP tuning curves from normal and pathological human and guinea pig cochleas. J. Acoust. Soc. Am. 1981; 69: 1374-1385.
  15. Horner KC. Old theme and new reflections: Hearing impairment associated with endolymphatic hydrops. Hear Res 1991; 52: 147-156.
  16. Levine RA., Ojemann RG, Montgomery WW, McGaffigan PM.). Monitoring auditory evoked potentials during acoustic neuroma surgery: insights in the mecha- nism of hearing loss. Ann Otol Rhinol Laryngol 1984; 93: 116-123.
  17. Møller AR, Janetta PJ. Monitoring auditory nerve potentials during operations in the cerebellopontine angle. Otolaryngol Head Neck Surg 1984; 92: 434-439.
  18. Rietema SJ. The clinical significance of electrocochleography. Thesis, Leiden, 1979.
  19. Ruben RJ, Elberling C, Salomon, G, (eds). Electrocochleography. Baltimore, 1976.
  20. Ruth RA, Lambert PR, Ferraro JA. Electrocochleography: methods and clinical applications. Am J Otol 1988; 9: 1-11.
  21. Rutten WLC. The influence of cochlear hearing loss and probe tone level on compound action potential tuning curves in humans. Hear Res 1986; 21: 195-204.
  22. Schoonhoven R, Schmidt PH, Eggermont JJ. A longitudinal electrocochleographic study of a case of long standing bilateral Lermoyez’s syndrome. Eur Arch Otorhinolaryagol 1990; 247: 333-339.
  23. Schoonhoven R, Lamoré PJJ, de Laat JAPM, Grote JJ. The prognostic value of electrocochleography in severely hearing-impaired infants. Audiology 1999; 38: 141-154.
  24. Spoor A, Eggermont JJ. In Hirsh SK, Eldredge DH, Hirsh IJ, Silverman SR (eds), Hearing and Davis: Essays honoring Hallowell Davis. Electrocochleography as a method for objective audiogram determination. Saint Louis, Missouri, 1976; pp. 411-418.
  25. Stanton SG, Cashman MZ, Harrison RV, Nedzelski J.M, Rowed D.W. Cochlear nerve action potentials during cerebellopontine angle surgery: relationship of latency, amplitude, and threshold measurements in hearing. Ear Hear 1989; 10: 23-28.

© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie