Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 8.4.6(2). Spraakaudiometrie bij kinderen
 Auteur: Snik, Neijenhuis, Crul, Lamoré
 Revisie: oktober 2013

Inhoud:

8.4.6.1(2). Inleiding en overzicht

8.4.6.2(2). Nederlandstalige tests

  1. pDIN test (pediatric digits-in-noise)
  2. SAP test
  3. PAS test
  4. AAST test (‘Adaptiver Auditiver Sprachtest’)
  5. NVA lijsten - aanpassing voor gebruik bij kinderen
  6. Plomp-zinnen
  7. Versfeld-zinnen - aanpassing voor gebruik bij kinderen
  8. GN-testbatterij

8.4.6.3(2). Vlaamstalige tests

  1. Vlaamse opnamen voor spraakaudiometrie (bewerkingen van de Göttinger I en II tests)
  2. ASSE test (‘Auditory Speech Sounds Evaluation’)
  3. LIST en LINT

8.4.6.4(2). Testbatterijen voor auditieve verwerking (Neijenhuis)

8.4.6.5(2). Links


 

8.4.6.1(2). Inleiding en overzicht

In de veertiger jaren van de vorige eeuw zijn in diverse landen tests ontwikkeld om bij volwassenen het spraakverstaan te meten. Deze ‘spraakaudiometrie’ heeft als doel – nadat toonaudiometrie is verricht - gehoorproblemen verder te evalueren. Spraakaudiometrie richt zich op de twee belangrijkste aspecten van het spraakverstaan: de mate van spraakverstaan(vaardigheid) en het discriminatievermogen. De mate van spraakverstaan(vaardigheid) is het geluidsniveau waarbij 50% van het aangeboden spraakmateriaal (b.v. woorden) wordt verstaan. Dit wordt de ‘spraakverstaansdrempel’ of ‘spraakdrempel’ genoemd (uitgedrukt in dB SPL). Het discriminatievermogen daarentegen is het percentage woorden of klanken dat bij een bepaald geluidsniveau goed wordt verstaan. Het maximale percentage dat als functie van het geluidsniveau bereikt wordt heet de discriminatiescore. De discriminatiescore wordt gebruikt om klachten van slechthorende personen te objectiveren en om bij kinderen problemen met de auditieve verwerking op te sporen. De verschuiving van de spraakverstaansdrempel en de verschuiving van de gehoordrempel zijn beide een maat voor de verminderde gevoeligheid van het niet goed functionerende oor. Normaliter zullen die dus niet veel van elkaar verschillen. Het verschil wordt vaak gebruikt ter beoordeling van de mogelijkheden van verbeteringen van het spraakverstaan bij geluidsversterking.


In de zeventiger jaren is men begonnen de spraakaudiometrische tests aan te passen voor gebruik bij kinderen. Het grootste probleem bij het ontwikkelen van spraakmateriaal was het vermijden van het meten van de taalvaardigheid tijdens het testen. Daarom werd veelal gekozen voor monosyllaben uit het dagelijks taalgebruik als woordmateriaal. Soms zijn ook wel spondeeën en zinnen toegepast. Het gebruik van alledaagse monosyllaben bij kinderen vanaf ongeveer 7 jaar is te verdedigen omdat de woordkennis (het lexicon) geen belangrijke rol meer speelt. Spraakaudiometrische tests, ontwikkeld voor volwassen en bestaande uit monosyllaben, kunnen dus toegepast worden bij kinderen van 7 jaar en ouder.


Bij aanpassing van deze tests voor jongere kinderen is veelal gekozen voor een ‘gesloten’ uitvoering, waarbij voor de respons op het aangeboden woord gekozen moet worden uit een aantal alternatieven. Deze zijn beschikbaar in de vorm van afbeeldingen of objecten en zijn gekozen uit het (bekende) lexicon van jonge kinderen. Het betreffen vaak woorden die te maken hebben met voedsel, dieren en speelgoed.


Vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw hebben de ontwikkelingen op het gebied van Cochleaire Implantatie en de invoering van de neonatale gehoorscreening de vraag naar testmateriaal voor het spraakverstaan van (jonge) kinderen sterk doen toenemen. Men wilde de ontwikkelingen van de betreffende kinderen kunnen volgen, mede om argumenten te hebben een keuze voor een type onderwijs te maken. Verschillende test hebben, naast het bepalen van het spraakverstaan in stilte, de mogelijkheid het spraakverstaan in ruis te meten. Dit laatste is bv. van belang om het spraakverstaan in een klassensituatie te bepalen.


Achtereenvolgens worden de volgende vandaag de dag in gebruik zijnde Nederlands- en Vlaamstalige spraakaudiometrische tests voor jonge kinderen besproken:


Nederlandstalig


  1. De pDIN test (pediatric Digits-In-Noise)
  2. SAP test  (SpraakAudiometrie met Plaatjes)
  3. PAS test  (Peuter Adaptieve Spraakdrempel) 
  4. AAST  (Adaptiver Auditiver Sprachtest’) 
  5. NVA lijsten – kinderselectie
  6. Plomp-zinnen – oudere kinderen
  7. Versfeld-zinnen (Versfeld, 1998) – oudere kinderen en aanpassingen voor gebruik bij jongere kinderen
  8. GN-testbatterij – zeer ernstig slechthorende kinderen

Vlaamstalig


  1. De kinderlijsten van de CD-ROM ‘Vlaamse opnamen voor spraakaudiometrie’
  2. ASSE (Auditory Speech Sounds Evaluation)
  3. LIST en LINT

In Tabel I wordt een overzicht van de verschillende tests gegeven, met daarin enkele karakteristieken. Sommige van deze tests worden ook gebruikt voor het meten van het spraakverstaan van meervoudig gehandicapten.


Test (Nederlands) In stilte Leeftijden In ruis Leeftijden Materiaal en keuze
pDIN - - ja vanaf 3;6 jaar getallen en knoppen
SAP ja 3;6 tot 7 jaar ja vanaf 6 jaar woorden en plaatjes
PAS ja vanaf 3;6 jaar nvt - woorden en voorwerpen
AAST ja vanaf 4 jaar ja vanaf 4 jaar woorden en knoppen
NVA lijsten (selectie) ja vanaf 6 à 7 jaar ja vanaf 6 à 7 jaar woorden nazeggen
Plomp-zinnen nee referentie ja oudere kinderen zinnen nazeggen
Versfeld-zinnen
Versfeld-keywords
nee
nee
referentie
referentie
ja
ja
oudere kinderen
vanaf 6 à 7 jaar
zinnen nazeggen
keywords nazeggen
Test (Vlaams) In stilte Leeftijden In ruis Leeftijden Materiaal en keuze
‘Vlaamse opnamen
spraakaudiometrie’
ja
ja
Göttinger I
Göttinger II
nvt
nvt
3 tot 4 jaar
5 tot 6 jaar
woorden en plaatjes
woorden en plaatjes
ASSE (discriminatie)
ASSE (identificatie)
ja
ja
vanaf 0;10
2 tot 4 jaar
nvt
nvt
-
nvt
tweetallen fonemen
plaatje onomatopee
LIST
LINT
nee
nee
referentie
referentie
ja
ja
vanaf 6 à 7 jaar
vanaf 4 jaar
keywords nazeggen
getallen nazeggen

Tabel I. Overzicht van de verschillende te bespreken Nederlandstalige en Vlaamstalige tests voor het meten van het spraakverstaan bij kinderen. De vermelding ‘referentie’ geeft aan dat de betreffende test in dat geval alleen gebruikt wordt om na te gaan of uitvoering in de situatie met ruis niet te moeilijk is.



Aan het eind van het voorliggende hoofdstuk zal kort ingegaan worden op speciale Nederlandstalige tests om centraal auditieve problemen te onderzoeken bij kinderen met een (sub)normaal gehoor.


 


8.4.6.2(2). Nederlandstalige tests

  1. pDIN test (pediatric digits-in-noise)
    De pDIN test is een spraak-in-ruis test en gebaseerd op de ‘Digits-in-noise test’ voor volwassenen en oudere kinderen (Hfdst.8.3.5, Par.6). Bij deze DIN test, ontwikkeld in het VUMC (Smits, 2005) hoort de luisteraar drie getallen die gereproduceerd moeten worden. Via een adaptieve procedure wordt de drempel (SRT) bepaald. Deze test meet primair auditieve processen. Cognitieve processen spelen geen rol.


    In de pDIN test wordt gebruik gemaakt van hetzelfde spraakmateriaal als in de DIN test, maar in plaats van drietallen worden er losse cijfers aangeboden (geen 0). De drietallen blijken iets te veel van het geheugen van de kinderen te vragen. De adaptieve procedure voor de bepaling van de drempel mikt op 80%, dezelfde waarde als in de DIN test. Daardoor kunnen de SRT’s in de twee tests direct met elkaar vergeleken worden. De korte afnametijd (3 á 3½ minuut) maken de test is kindvriendelijk en weinig belastend. Het leereffect is gering.


    Normdata zijn verkregen door de test af te nemen bij 42 normaalhorende kinderen met leeftijden van 4 tot en met 12 jaar. Op grond daarvan is geconcludeerd dat de test afgenomen kan worden bij kinderen vanaf ongeveer 3½ jaar. Er is één oefenlijst nodig en de meetfout bedraagt iets minder dan 1 dB.


    De goede onderlinge correlaties van de SRT’s verkregen uit de DIN, de pDIN en de Plompzinnen maken het mogelijk voor kinderen, bij de SRT bepaling, de Plompzinnen en de daarin aanwezige cognitieve aspecten te vermijden. De test kan gebruikt worden om een hoortoestelaanpassing, het effect van Cochleaire Implantatie en het auditieve functioneren van een kind in een schoolklas te evalueren. De test geeft een zeer steile psychometrische curve en is dus zeer geschikt om een drempel te bepalen.


  2. SAP test
    De SAP test (‘SpraakAudiometrie met Plaatjes’) is bedoeld voor kleuters. De test is ontwikkeld in het begin van de tachtiger jaren, uitgaande van een selectie van twintig alledaagse woorden die bij kinderen in de betreffende leeftijdscategorie algemeen bekend zijn. Het zijn alle monosyllaben van het ‘medeklinker-klinker-medeklinker’ (in het Engels ‘Consonant-Vowel-Consonant’ - CVC) type. Bij elk woord is een voorstelling in de vorm van een tekening beschikbaar, welke samen met drie alternatieven gepresenteerd wordt. De alternatieven betreffen afbeeldingen van woorden met dezelfde klinker, zoals ‘noot’, ‘boot’, ‘rook’, ‘hoofd’. Met de twintig woorden zijn tien lijsten van elk tien woorden samengesteld. De lijsten zijn fonetisch gebalanceerd en de verstaanbaarheid van de woorden is gelijk. Dit is bereikt door bij een groep proefpersonen voor elk woord de spraakverstaansdrempel te bepalen en vervolgens de geluidsniveaus zodanig aan te passen dat de drempels gelijk werden. Indien het kind een woord gehoord heeft, moet hij/zij het bijbehorende plaatje aanwijzen. Dit wordt herhaald totdat tien woorden (een lijst) zijn aangeboden, waarna dit bij een andere intensiteit herhaald kan worden. De curve die het verband aangeeft tussen het percentage spraakverstaan en het geluidsniveau waarbij de woordjes zijn aangeboden heet het ‘spraakaudiogram’. Jonge kinderen vinden het aanwijzen van een plaatje leuker en gemakkelijker dan het nazeggen van een woord. Bovendien wordt het probleem van een onderzoeker die het jonge kind niet of onvoldoende verstaat, voorkomen. Ook kinderen met articulatieproblemen kunnen zo betrouwbaar getest worden.


    De SAP test is sinds 1984 beschikbaar en op grote schaal gebruikt voor klinisch onderzoek bij kinderen van 3 tot 7 jaar, maar ook bij oudere kinderen en volwassenen met een vergelijkbare mentale leeftijd. In 1994 is een revisie verschenen, de ‘SAP-R’, waarbij enige gedateerde woorden zijn vervangen. Deze test is eveneens beschikbaar op CDROM. Aan het normalisatie- en validatie-onderzoek namen 40 normaalhorende kinderen deel, in de leeftijd van 3 tot 7 jaar. Fig.1 geeft de gemiddelde score als functie van de sterkte van de aangeboden woorden.


    Fig.1. De gemiddelde score (percentage herkende woorden) bij de SAP-R test als functie van het geluidsniveau (dB SPL) voor een groep van 40 normaalhorende kinderen; de rode curve geeft de best fit; de gestippelde horizontale lijn geeft het kansniveau, in dit geval, bij een keuze uit 4 plaatjes, 25% (ontleend aan Crul, 1994).


    De gemiddelde spraakverstaansdrempel bedraagt 38 dB SPL. Een leeftijdseffect werd gevonden in de orde van grootte van 2 dB per jaar bij kinderen van 3;6 tot 6 jaar. Hiermee is geen rekening gehouden omdat dit klinisch gezien een beperkt effect is. De validiteit werd bestudeerd bij 28 kinderen met verdenking van een gehoorverlies. Toonaudiometrie liet, gemiddeld bij 0.5, 1, 2 en 4 kHz, een verlies zien variërend van 0 tot 85 dB. Fig.2 toont de relatie tussen het gehoorverlies en de verschuiving van de SAP spraakverstaansdrempel. Een hoge correlatiecoëfficiënt werd gevonden: 0.97. De best passende 45° lijn is aangegeven en accentueert de goede overeenstemming in de uitkomsten van toonaudiometrie en spraakaudiometrie m.b.v. de SAP-R test.


    Fig.2. De SAP-R drempel als functie van het gemiddelde toonaudiometrische verlies van 28 slechthorende kinderen; de gestippelde curve is de best passende regressielijn met een hellingshoek van 45°. Ontleend aan Snik, 2001 (zie ook Snik et al., 1997a).


    Het spraakverstaan in stilte is diagnostisch een belangrijke maat, maar het is geen goede indicator van het verstaan van spraak in alledaagse situaties. Storende bijgeluiden ontbreken namelijk. Het bepalen van het spraakverstaan onder dergelijke condities is van belang. Daarom is, in een experimentele studie, de SAP test ook toegepast om het spraakverstaan in ruis te bepalen. De testresultaten bleken leeftijdsafhankelijk. De test was goed toepasbaar bij kinderen vanaf 6 jaar. Zesjarige kinderen met een leerachterstand presteerden daarbij duidelijk slechter dan kinderen met een normale leerontwikkeling. Dit verschil was kleiner bij oudere kinderen. Linguïstische beperkingen leken daar de oorzaak van, zoals het niet vlot omzetten van de plaatjes in woorden, de woorden onthouden en daaruit het half verstane woord kiezen. Dit werd ondersteund door de observatie dat oudere kinderen die goed konden lezen, opvallend hogere scores behaalden indien gekozen kon worden uit vier geschreven woorden in plaats van uit vier plaatjes.


  3. PAS test
    De hiervoor besproken SAP-R test is volgens de handleiding bruikbaar bij kinderen vanaf ongeveer 3;6 jaar. Bij kinderen van jongere leeftijd, rond 3 jaar, werden duidelijk slechtere scores gevonden (verschuiving over ongeveer 10 dB). Bekend is dat kinderen in deze leeftijdscategorie beter responderen als de toch wat abstracte plaatjes vervangen worden door concrete objecten (voorwerpen). In Engeland heeft dit inzicht geleid tot de ontwikkeling van de ‘Automatic Toy Test’, welke in 1997 voor het Nederlands bewerkt is door Crul (http://repository.ubn.ru.nl/handle/2066/25568) en genoemd de ‘Peuter Adaptieve Spraakdrempel’ (PAS) test. De test bepaalt, zoals de naam zegt, de spraakverstaansdrempel. Hij bestaat uit twee series van acht woorden met bijbehorende objecten. De woorden zijn op dezelfde wijze gekozen en aangepast wat betreft geluidsterkte als de woorden van de SAP test. Het betreffen dus wederom monosyllaben van het medeklinker-klinker-medeklinker (CVC) type. Bij de testafname staan de objecten vóór het kind op tafel. Indien volgens de ouders bepaalde woorden niet gekend worden, kunnen deze woorden (en de bijbehorende objecten) verwijderd worden. Het targetwoord wordt gegenereerd door een computer in een draagzin, b.v. ‘pak eens een PAARD’. Daarbij is PAARD het targetwoord. Met een adaptieve procedure wordt de sterkte van de draagzin met targetwoord gemanipuleerd. Men vindt dan het geluidsniveau waarop de targetwoorden voor 71% correct worden geïdentificeerd.


    Ook voor de PAS test zijn een normalisatie en validatiestudie verricht. Bij 53 jonge kinderen met een normaal gehoor bleek de identificatiedrempel enigszins afhankelijk van de leeftijd. Voor de tweejarigen bedroeg de drempel gemiddeld 30 dB en voor vierjarigen en oudere kinderen 24 dB. De reproduceerbaarheid bleek hoog te zijn. Voor de validatiestudie werden 30 slechthorende kinderen met een gehoorverlies tussen 20 en 70 dB getest. De gemiddelde gehoordrempel bij 0.5, 1, 2 en 4 kHz en de PAS drempel bleken hoog gecorreleerd. Gemiddeld ligt de PAS drempel 20 dB boven de gehoordrempel. De PAS test wordt niet frequent gebruikt.


  4. AAST test
    De Nederlandstalige versie van de AAST test (‘Adaptiver Auditiver Sprachtest’ - Coninx, 2007) is een test waarin het spraakverstaan bepaald wordt van kinderen vanaf de leeftijd van 4 jaar. Er is een versie voor spraak in stilte en een voor spraak in ruis. Er wordt gebruik gemaakt van 6 woorden die op een beeldscherm aangeklikt kunnen worden. De bepaling van de drempel gebeurt adaptief, met in stilte stappen van -5/+10 dB (nauwkeurigheid 6 dB) en in ruis stappen van -2/+4 dB (nauwkeurigheid 2 dB). Het adaptieve verloop levert korte testduren van ongeveer 2 minuten per conditie.


    Er zijn leeftijdsafhankelijke normdata voor de tests, zowel voor de versie zonder ruis als ook voor die met ruis, in beide gevallen vanaf de leeftijd van 4 jaar. De interferentie met problemen op het gebied van woordenschat en articulatie is minimaal.


    Een nieuwe ontwikkeling voor de ruisversie van deze AAST test is de toepassing van ‘two-talker-noise’. Deze ruis wordt, na bewerking met HRTF, via de hoofdtelefoon in verschillende ruimtelijke condities aangeboden. De twee met elkaar sprekende kinderen bevinden zich bij 0, 90 of 225 graden. De testwoorden komen altijd van voren (0 graden). De testwoorden kunnen in pauzes van de two-talker-noise aangeboden worden, dan wel samenvallend met spraak. Aanvullende informatie is te vinden op de websites http://www.auritec.de/uploads/media/Sprachverfahren_EN_AAST.pdf en http://www.hno.uniklinik-bonn.de/ausbildung/fortbildung/20071010/Coninx.pdf


  5. De NVA lijsten - aanpassing voor gebruik bij kinderen
    Voor spraakaudiometrie bij volwassenen wordt alom gebruik gemaakt van de NVA lijsten, ook bekend als de ‘Bosman lijsten’. Deze zijn ontwikkeld in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Audiologie door Bosman (1989). Zij worden toegepast bij kinderen vanaf een ontwikkelingsleeftijd van 6 à 7 jaar. Het betreft een 60-tal lijsten met elk 13 monosyllaben. De lijsten 45 tot en met 60 zijn de zogenaamde kinderlijsten. Deze 15 kinderlijsten bestaan uit 5 lijsten met unieke woorden, 3 maal gerandomiseerd. De woorden zijn gekozen uit het oorspronkelijke materiaal door deskundigen uit het veld te laten kiezen welke woorden volgens hen algemeen bekend zijn bij kinderen van 6 jaar en ouder. Deze 15 lijsten zijn perceptief gelijkwaardig met de overige lijsten hoewel ze iets minder fraai fonetisch gebalanceerd zijn. Er is ook een spraak-in-ruis versie van deze kinderlijsten.


    Daarnaast is er de woorden-in-ruis test van de Eindhovense testbatterij van Simkens, die hoofdzakelijk wordt gebruikt in het kader van testbatterijen voor auditieve verwerking (de laatste paragraaf in dit hoofdstuk). Deze test bevat de in de vorige alinea besproken selectie, gemixt met ruis waarvan het spectrum hetzelfde is als het gemiddelde spectrum van de spraak. Er wordt gewerkt met een vast ruisniveau van 65 dB SPL. Er zijn 5 verschillende woordlijsten, een oefenlijst, en testlijsten voor het linker en rechter oor afzonderlijk, elk bij twee signaal-ruis verhoudingen.


  6. Plomp-zinnen
    Van de test met de Plompzinnen (spraak in ruis - zie ook Hfdst.2.9.1) bestaat geen kinderversie, maar oudere kinderen (vanaf 12 jaar) met een normale taalontwikkeling kunnen de test wel uitvoeren. Er wordt adaptief gemeten. Van de cliënten wordt gevraagde de hele zin na te zeggen. Wanneer tijdens de meting één woord onvolledig of fout nagezegd wordt, wordt de hele zin fout gerekend. Er wordt gemikt op de bepaling van de signaal-ruis verhouding waarbij 50% van de zinnen wordt verstaan. In de praktijk wordt de test niet vaak gebruikt, omdat juist bij de kinderen voor wie de test bedoeld is, zoals kinderen met een CI, de kennis van de gesproken taal vaak niet voldoende is.


  7. Versfeld-zinnen
    De Versfeld-zinnen (VUmc zinnen - beschikbaar op CDROM) hebben dezelfde vorm als de Plomp-zinnen. Ze zijn ontwikkeld (Versfeld et al., 1998) als uitbreiding (39) van de set Plomp-zinnen (10), voor de bepaling van het spraakverstaan in aanwezigheid van stationaire ruis. Het spectrum van de ruis is hetzelfde als het gemiddelde spectrum van de spraak. Ook hier is de opdracht de hele zin foutloos na te zeggen en wordt er adaptief gemeten. De meting in stilte dient daarbij als referentie. De test is bij de ontwikkeling niet bedoeld als test voor kinderen. De zinnen zijn relatief complex. Voor het testen van kinderen wordt de test soms wel gebruikt, maar dan wordt niet gescoord op het goed/fout nazeggen van de hele zin, maar op het reproduceren van de belangrijkste ‘keywords’ in een zin. De bepaalde scores moeten dan wel geijkt zijn bij een representatieve controlegroep. Meestal is het geluidsniveau van de zinnen 65 dB en het niveau van de ruis 60, 65 en 70 dB. In deze vorm is de test bruikbaar bij kinderen vanaf de leeftijd van 6 à 7 jaar.


  8. GN-testbatterij – zeer ernstig slechthorende kinderen
    Voor kinderen met een (nog) beperkte ontwikkeling van gesproken taal zijn de in de vorige paragrafen  besproken tests meestal te moeilijk. Om de vaardigheden in het discrimineren van spraak en de ontwikkeling daarin bij deze kinderen goed te documenteren is een testbatterij ontwikkeld is in het verleden een testbatterij ontwikkeld. Deze bevat negen verschillende tests, variërend van basale spraaktests, zoals het detecteren van suprasegmentele kenmerken van woorden en het discrimineren van klinkers (segmentele waarneming), tot een test gericht op open spraakverstaan. Deze testbatterij is ontwikkeld in samenwerking tussen het toenmalige ‘Instituut voor Doven’ te St. Michielsgestel en het Audiologisch Centrum Nijmegen en genoemd de ‘Gestel-Nijmegen’ (GN) test. De testitems worden live uitgesproken op een gecontroleerde sterkte van 70 dB SPL. De snelle ontwikkelingen op het gebied van Cochleaire Implantatie en het feit dat kinderen op steeds jongere leeftijd een CI krijgen hebben ertoe geleid dat de GN-test niet vaak meer wordt gebruikt. Voor de volledigheid wordt hij hier wel vermeld. Bij het gebruik dient men te bedenken dat elke subtest een beperkt toepassingsbereik heeft, maar dat de verschillende subtests elkaar aanvullen. Om adequaat om te gaan met bodem- en plafondscores is een procedure ontwikkeld. De testbatterij is beschikbaar in een computerversie. Informatie over vergelijkbare Amerikaanse tests op dit gebied is te vinden in niveau 3 van dit hoofdstuk.



 


8.4.6.3(2). Vlaamstalige tests

  1. De kinderlijsten van de CD-ROM ‘Vlaamse opnamen voor spraakaudiometrie’
    Op de CD-ROM ‘Vlaamse opnamen voor spraakaudiometrie’ staan twee kinderlijsten, bekend als de Göttinger I en Göttinger II lijsten. Het zijn Vlaamstalige versies van oorspronkelijk Duitse tests. De eerste versie verschenen in 1978. Ze zijn bedoeld voor het testen van het spraakverstaan in stilte van respectievelijk 3-/4- en 5-/6-jarigen. Kinderen moeten het woord dat ze gehoord hebben aanwijzen op een plaatje. De tests zijn dus vergelijkbaar met de Nederlandtalige SAP-test. De tests zijn in 1997 uitgebreid herijkt.


  2. ASSE test
    De ASSE test (‘Auditory Speech Sounds Evaluation’) is ontwikkeld door Govaerts en medewerkers in 2006 en is beschikbaar als een softwarepakket. Het is een Vlaamstalige test, bedoeld voor het meten van het spraakverstaan van preverbale kinderen. De auteurs richten zich speciaal op de discriminatie en identificatie van fonemen (klinkers en medeklinkers) van jonge CI kandidaten en tevens op de evaluatie van het CI gebruik.


    De discriminatietest bestaat uit het aanbieden van reeksen van 10 spraakklanken. De klinkers c.q. medeklinkers in deze reeksen verschillen wat betreft slechts één (spraak)kenmerk en bestaan dus b.v. uit een combinatie van /o/’s en /a/’s. De eerste van het tweetal wordt een aantal keren in het begin van de reeks aangeboden en is de adapterende klank. De tweede klank wordt op een willekeurige plaats in de reeks aangeboden en is de afwijkende doelklank (‘odd-stimulus’). Het kind moet, na conditionering op deze vorm van aanbieding, op deze doelklank reageren. Bij zeer jonge kinderen gebeurt dat in de vorm van een oriëntatiereflex. De opstelling is gelijk aan die bij observatie-audiometrie.


    Tijdens de identificatietest moet het kind op basis van het gehoorde een getekende onomatopee aanwijzen, bv bij het horen van een /oe/ het plaatje van een loeiende koe. Bij de keuze van het spraakmateriaal heeft men zich ten doel gesteld de taalafhankelijkheid zoveel mogelijk uit te sluiten. De opstelling voor het afnemen van de identificatietest is dezelfde als bij de discriminatietest.


    De procedures van beide tests zijn beschreven in het artikel van Govaerts et al. (http://www.eargroup.net/wwwuploads/manuscripts/1364982695_publi072.pdf) en de normeringen in het artikel van Daemers et al. (http://www.eargroup.net/wwwuploads/manuscripts/1364982704_publi073.pdf). De discriminatietest is af te nemen bij kinderen vanaf de leeftijd van 10 maanden en de identificatietest bij kinderen van 2 tot 4 jaar.


  3. LIST test
    De LIST test (‘Leuven Intelligibility Sentence Test’) is ontwikkeld door Van Wieringen en medewerkers in 2005, omdat de bestaande Nederlandstalige zinnentesten voor sommige CI-dragers niet bruikbaar bleken. Elke zin wordt gekarakteriseerd door minstens twee kernwoorden, die naar betekenis aan elkaar gerelateerd zijn, zoals ‘Op het feest werd gedanst’. Deze kernwoorden moeten worden nagezegd. Daarbij gelden nauwkeurig beschreven regels. De kortste zin telt 3 syllaben, de langste 19 syllaben. Meer dan de helft van de zinnen telt 7, 8, 9, of 10 syllaben. De spreeksnelheid van de zinnen in de LIST-test is lager dan die van de Plomp-zinnen: 2.5 vs. 4.7 syllaben per seconde.


    Bij de meting in ruis is het ruisniveau 65 dB SPL (continue ruis). Het spectrum van de ruis is hetzelfde als het gemiddelde spectrum van de spraak. Het beginniveau van de spraak is 55 dB SPL. Dit laatste niveau wordt stapsgewijs verhoogd tot de zin correct herhaald wordt. Vervolgens wordt in stappen van 2 dB de signaal-ruis verhouding gevarieerd, naargelang de respons van de luisteraar. De SRT is het gemiddelde van de intensiteit van de laatste 6 aangeboden zinnen + volgende fictieve zin. De test-retest betrouwbaarheid is ongeveer 1 dB. Meer informatie: http://www.ned-ver-audiologie.nl/Downloads/Winter%202006/vanWieringen.pdf

  4. LINT test (‘Leuven Intelligibility Number Test’)
    De LINT test (‘Leuven Intelligibility Number Test’) is eveneens ontwikkeld door van Wieringen en medewerkers in 2005. Het spraakmateriaal bestaat uit de getallen 1 tot en met 100. De test is te gebruiken bij mensen met een laag scholingsniveau of met een lichte geestelijke handicap. Er is nauwelijks leereffect. De test kan ook toegepast worden bij mensen met een CI.



 


8.4.6.4(2). Testbatterijen voor auditieve verwerking (Neijenhuis)

Ook wanneer kinderen een – nagenoeg – normaal gehoor (toonaudiogram) hebben kan er een stoornis of achterstand zijn in de auditieve waarneming. In dat geval wordt het auditieve (spraak)signaal afwijkend of onvoldoende bewerkt en is de verkregen informatie dus onvoldoende bruikbaar. Men spreekt dan van een stoornis in de auditieve verwerking. De auditieve verwerking en de mogelijkheden om dit te testen worden uitvoeriger behandeld in Hfdst.8.3.11. Het onderwerp staat in de belangstelling omdat veel kinderen met leer-, aandachts- en spraak-taalproblemen een probleem hebben in de luistervaardigheid. Met behulp van auditieve verwerkingstests kan bepaald worden of een gestoorde auditieve verwerking hier een rol bij speelt.


 


8.4.6.5(2). Links

  1. http://www.riziv.be/care/nl/other/logopedes/general-information/nomenclature/pdf/test01nl.pdf (overzicht van taaltests)

  2. http://www.simea.nl/vereniging/deelprotocollen/deelprotocol-audiologische-diagnostiek-nwe-versie-2-.pdf

  3. http://www.eargroup.net/index.php?action=fbody&page=publicaties.php

  4. http://www.psych-sci.manchester.ac.uk/mchas/information/eval/speech.ppt (PPT presentatie - Engels)

  5. http://www.kentalissoloapparatuur.nl/?wiki/ATK

  6. http://www.ned-ver-audiologie.nl/Downloads/Winter%202006/vanWieringen.pdf

  7. http://www.nvavg.nl/upload/standaarden/standaard---1995-02-slechthorendheid.pdf

  8. http://hbo-kennisbank.uvt.nl/cgi/hu/show.cgi?fid=16380


Inhoud:

8.4.6.1(3). De GN testbatterij


 

8.4.6.1(3). De GN testbatterij

De GN-testbatterij voor kinderen met grote gehoorverliezen bevat negen verschillende tests, variërend van de meest basale spraaktests zoals een klinker- en woorddiscriminatietest, tot een test gericht op open spraakverstaan. Om adequaat om te gaan met bodem en plafond scores in de GN testbatterij is een procedure ontwikkeld. Een vergelijkbare testbatterij is de IMSPAC test (‘Imitative Test of Phonetic Contrast Perception’), in de VS ontwikkeld door Boothroyd. Voor meer informatie zie Scand Audiol Suppl. Boothroyd 1997;46:17-25.


Literatuur

  1. Bosman AJ. Speech perception by the hearing impaired. Thesis Universiteit van Utrecht, 1989.
  2. Chilla R, Gabriel P, Kozielski P, Bansch D, Kabas M. Der Gottinger Kindersprachverstandnistest. HNO 1976;24:342-346.
  3. Coninx F, Beijk C, Brokx J, Crul T, Mens L, Snik A, Verbakel J. Speech perception abilities in profoundly deaf children with acoustic stimulation. In: Advances in Cochlear Implants. Eds. Hochmair-Desoyer I and Hochmair ES, Wien, 1994:512-515.
  4. Crul TAM. SAP: Spraak-audiometrie met plaatjes. Logopedie en Foniatrie, 1984; 56: 2-6.
  5. Crul TAM. De SAP-R, spraakaudiometrie met plaatjes, gereviseerde versie. Handleiding, 1994; Afdeling KNO, Academisch Ziekenhuis Nijmegen.
  6. Crul TAM, Braks JTM, Snik AFM, Brokx JPL. Bepaling van de woordidentificatiedrempel bij peuters. Stem, Spraak, Taalpathologie 1994:3:161-178.
  7. Daemers K, Yperman M, De Beukelaer C, De Saegher G, De Ceulaer G, Govaerts PJ. Normative data of the ASSE discrimination and identification tests in preverbal children. Cochlear Implants International 2006;7:107-116.
  8. Erber NP, Alencewicz CM. Audiologic evaluation of deaf children. J Speech Hear Disord 1976;41:256-267.
  9. Gompel J van, Vanhulle R. Spraakaudiometrie bij kinderen. Aanpassing van de Gottinger Sprachverstandnistest aan het Nederlands. Tijdschrift voor Logopedie en Audiologie 1979;9(1):43-52.
  10. Govaerts PJ, Daemers K, Yperman M, De Beukelaer C, De Saegher G, De Ceulaer G. Auditory speech sounds evaluation (ASSE): a new test to assess detection, discrimination and identification in hearing impairment. Cochlear Implants International 2006;7:97-106.
  11. Jerger S, Jerger J, Abrams S. Speech audiometry in the young child. Ear and Hearing 1983;4:56-66.
  12. Moore DR. Listening difficulties in children: Bottom-up and top-down contributions. J Comm Dis 2012;45:(2012) 411–418
  13. Palmer AR, Sheppard S, Marshall DH. Prediction of hearing thresholds in children using an automated toy discrimination test. Br J Audiol 1991; 25: 351-356.
  14. Ross M, Lerman J. A picture identification test for hearing impaired children J Speech Hear Res 1970; 13:44-53.
  15. Snik AFM, Marks HC, Crul TAM. Het verstaan in ruis bij moeilijk lerende kinderen met een spraak-taal stoornis. Stem Spraak Taalpathologie 1993;2:86-96.
  16. Versfeld, N.J., Daalder, L., Festen, J.M., Houtgast, T. Method for the selection of sentence materials for efficient measurement of the speech reception threshold. J Acoust Soc Am 2000;107:1671-1684.
  17. Plomp R, Mimpen AM. Speech-reception threshold for sentences as a function of age and noise level. J Acoust Soc Am 1979;66:1333-1342.
  18. Wouters J, Damman W, Bosman AJ. Vlaamse opname van woordenlijsten van spraakaudiometrie. Logopedie 1994;7:28-33.

© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie