Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 9.2.1(2). Luchtgeleidingshoortoestellen - Opbouw en typen
 Auteur: Kapteyn, Lamoré
 Revisie: maart 2015

Inhoud:

9.2.1.1(2). Inleiding

9.2.1.2(2). De basiselementen van een luchtgeleidingshoortoestel

9.2.1.3(2). Typen luchtgeleidingshoortoestellen

9.2.1.4(2). Links


 

9.2.1.1(2). Inleiding

Een hoortoestel is te omschrijven als een technisch hulpmiddel dat voor een niet goed functionerend oor het geluid zodanig aanpast dat de resterende mogelijkheden voor geluidsperceptie van dat oor optimaal benut worden. In het verre verleden was er de geluidshoorn waarmee geluid over een groot oppervlak werd opgevangen om dan te worden geconcentreerd op een kleine uitgang die in de gehoorgang werd geplaatst. Dit principe is op allerlei manieren en soms heel creatief vorm gegeven. Heden ten dage hebben de ontwikkelingen op het gebied van de elektronica en de signaalbewering ervoor gezorgd dat er zeer ingenieuze hoortoestellen beschikbaar zijn. Ook aan de vormgeving wordt veel zorg besteed.


Hoortoestellen zijn er in verschillende ‘soorten en maten’. In verreweg de meeste hoortoestellen wordt het aangepaste geluid via de gehoorgang aangeboden. Deze ‘luchtgeleidingshoortoestellen’ zijn:


  • Het bijna niet meer toegepaste ‘kasttoestel’
  • De ‘oorhanger’ die achter de oorschelp gedragen wordt: het ‘achter-het-oor’ toestel (AHO)
  • Het kleine toestel dat in de oorschelp en de gehoorgang geplaatst wordt, het ‘in-het-oor’ toestel (IHO)
  • De geminiaturiseerde IHO die helemaal in de gehoorgang geplaatst kan worden, het ‘Complete In ear-Canal’ toestel (CIC)
  • De luidspreker in het oor aanpassing (LIHO-aanpassing); hierbij bevindt het luidsprekertje zich niet meer in het toestel, maar is het m.b.v. een dopje in de gehoorgang geplaatst. Het luidsprekertje is via een dun elektrisch draadje verbonden met het hoortoestel

Daarnaast is er een aantal typen hoortoestellen waarmee het geluid als trilling op de schedel wordt aangeboden. Deze heten ‘beengeleidingshoortoestellen’. In het voorliggende hoofdstuk worden alleen de luchtgeleidingshoortoestellen besproken. De beengeleidingshoortoestellen (‘Bone Conduction Devices’) en middenoorimplantaten komen aan de orde in Hfdst. 9.4.1. In de volgende paragraaf wordt een overzicht gegeven van de verschillende onderdelen waaruit een luchtgeleidingshoortoestel bestaat.


 


9.2.1.2(2). De basiselementen van een luchtgeleidingshoortoestel

Alle hoortoestellen hebben dezelfde opbouw, zoals weergegeven in Fig.1. De basiselementen zijn een microfoon, een versterker en een element dat geluid produceert. Als zodanig verschilt het principe van een hoortoestel niet veel van dat van een geluidsinstallatie.

Fig.1. Het principe van een hoortoestel, met als de drie basiselementen de microfoon, de versterker en het telefoontje (trilplaatje).


Het aanwezige geluid wordt opgevangen met een microfoon en omgezet in een elektrisch signaal. Vervolgens wordt dit elektrische geluidssignaal versterkt. De versterker bevat meestal een regelmogelijkheid voor zowel de versterking als het maximale uitgangsniveau en vrijwel altijd ook een toonregeling. De in de versterker bewerkte versie van het oorspronkelijke elektrische geluidssignaal wordt tenslotte - bij de luchtgeleidingshoortoestellen - d.m.v. een klein luidsprekertje (het telefoontje) weer als geluid aangeboden aan het te ondersteunen oor. Het telefoontje is gefixeerd in de gehoorgang, AHO met een passend oorstukje en bij de IHO met een passend schaaltje in de gehoorgang. In het beengeleidingshoortoestel is de weergever niet een telefoontje maar een trilplaatje dat op het hoofd geplaatst wordt (de beengeleider). De drie basiselementen microfoon, versterker en telefoontje hebben elk invloed op de bewerking van het geluidsignaal. Ook het oorstukje speelt een belangrijke rol.


Omdat het geluidssignaal bewerkt en versterkt wordt, moet er een energiebron in het toestel aanwezig zijn. Dat is het batterijtje. Achtereenvolgens worden besproken de werking en de eigenschappen van:


  1. Microfoons
  2. Versterkers
  3. Telefoons
  4. Batterijen
  5. Oorstukjes

  1. Microfoons

    De microfoon is het onderdeel van het hoortoestel dat het geluid opvangt en omzet in een elektrisch signaal dat verder bewerkt kan worden. Aan een microfoon worden hoge eisen gesteld. Te noemen zijn:


    • Grote gevoeligheid om alle aanwezige geluiden goed op te vangen.
    • Gevoeligheid die over een breed frequentiegebied gelijk is zodat een goede onvervormde weergave van het opgevangen geluid mogelijk is
    • Laag niveau van de eigen ruis zodat dit met het ingangssignaal niet zodanig mee versterkt wordt dat het hinderlijk hoorbaar wordt.
    • Kleine omvang, met name voor een minihoortoestel
    • Geringe gevoeligheid voor mechanische trillingen zodat dergelijke trillingen niet verstorend werken
    • Bij voorkeur een geringe gevoeligheid voor transpiratievocht

    In de loop der jaren zijn er verschillende soorten microfoons toegepast:


    Elektrodynamische microfoons

    De werking van een elektrodynamische microfoon is gebaseerd op ‘elektromagnetische inductie’. Wanneer men een klein spoeltje laat bewegen in een vaststaand permanent magnetisch veld ontstaat in de draad van het spoeltje, als gevolg van inductie, een met de beweging meevariërende elektrische stroom. Wanneer dat spoeltje, zoals in Fig.2, verbonden is met het membraan van een microfoon, is de verandering van dat stroompje een elektrische weergave van het geluid dat door microfoon opgevangen wordt. In Fig.2 is het membraan via een constructie (‘drijfpin’) verbonden met het vrij beweegbare uiteinde van de armatuur.

    Fig.2. Voorbeeld van een dynamische microfoon. Figuur ontleend aan Harvey Dillon, 2012.


    Dynamische microfoons hebben als voordelen dat ze vrij robuust zijn (‘tegen een stootje kunnen’) en hoge geluidsdrukken kunnen weergeven. Nadelen zijn een niet vlakke frequentiekarakteristiek en een onvoldoende goede weergave van de hogere frequenties.


    Condensatormicrofoons

    Een condensatormicrofoon is in feite een condensator waarbij één van de twee platen het - dunne en beweegbare - membraan van de microfoon is. Het bevindt zich vlak bij de andere - geaarde - plaat (het huis). Op het geïsoleerde membraan wordt een hoge elektrische gelijkspanning gezet. Als het membraan in trilling komt door een geluidssignaal zal de afstand van het membraan tot het geaarde huis variëren. Dit veroorzaakt een ladingsverplaatsing en dus een variërende kleine elektrische stroom. Een condensatormicrofoon heeft een prachtige vlakke, ver naar de hoge frequenties doorlopende frequentie karakteristiek en ook een laag niveau van eigen ruis. De noodzaak van de aanwezigheid van een uitwendige spanningsbron voor het opwekken van de vereiste polarisatiespanning is een beperkende factor bij gebruik in hoortoestellen.


    Piëzo-elektrische microfoons

    Piëzo-elektrische kristallen hebben als eigenschap dat bij vervorming een verschil in oppervlaktespanning ontstaat tussen de onder- en bovenzijde van het kristal. In een piëzoelektrische microfoon is een schijfje van dat speciale materiaal via een drijfpin verbonden met het membraan van de microfoon. Deze variaties in spanning ten gevolge van een aangeboden geluidstrilling leveren een elektrische weergave van het geluidssignaal. Een nadeel van deze microfoon is de kwetsbaarheid van het materiaal. Een variant van dit type microfoon is de kortstondig toegepaste keramische microfoon geweest


    Elektreetmicrofoons

    Een elektreetmicrofoon (Fig.3) is feitelijk een condensatormicrofoon waarbij een permanente lading is aangebracht. Een externe (gelijk)spanningsbron is dus niet nodig. Er is een beweegbaar membraan (diafragma) gesitueerd op kleine afstand van een dunne elektreetlaag die weer op een vaste onderlaag van teflon is aangebracht. De elektreetlaag met de permanente elektrische lading en het daartegenover gelegen membraan vormen een condensator. Een geluidstrilling brengt het membraan in trilling en varieert daarmee de afstand tot de elektreetlaag. Dit leidt tot een variatie van de capaciteit van de condensator en daarmee tot een elektrisch (wissel)stroompje.


    Tegenwoordig worden in hoortoestellen vrijwel uitsluitend elektreetmicrofoons toegepast omdat deze klein uitgevoerd kunnen worden, een grote gevoeligheid hebben met lage eigen ruis en een tot 6 kHz vrijwel rechte frequentie karakteristiek.


    Fig.3. Voorbeeld van een elektreetmicrofoon. Figuur ontleend aan Harvey Dillon, 2012.


    Richtinggevoelige microfoons

    Een belangrijk onderdeel bij de keuze van een hoortoestel is de microfoon. Het kan voordelen hebben richtinggevoelige microfoons toe te passen. Met richtinggevoelige microfoons worden geluiden die recht van voren komen sterker weergegeven dan geluiden die van opzij of van achteren komen. Dit is gunstig bij het verstaan van een bepaalde spreker in een situatie met veel omgevingsrumoer.


    De richtinggevoeligheid wordt op eenvoudige wijze bewerkstelligd in een type microfoon met zowel een toegang voor geluid via een voordeur als via een achterdeur, zoals geschetst in Fig.4. Deze van twee kanten komende geluidstrillingen werken elkaar tegen wanneer ze van opzij komen. In dat geval wordt het gevoelige membraan in dezelfde mate naar voren als naar achteren gedrukt en wordt de trilling verzwakt. De trillingen die via de voorzijde opgevangen worden sterker weergegeven dan die via de achterkant, omdat de laatste door een propje van dempend materiaal in de achteringang worden vertraagd en verzwakt.


    Fig.4. Principe van de traditionele richtinggevoelige microfoon.


    Een betere richtinggevoeligheid is te verkrijgen door twee microfoons in het toestel toe te passen. Er zijn uitvoeringen, meestal in een brilmontuur uitvoering, met een nog groter aantal microfoons, een zogenaamde array-microfoon. Met intelligente elektronica wordt het verschil in aankomsttijd van een geluid in de opvolgende microfoons benut om de gewenste richtinggevoeligheid te verkrijgen.


    Richtinggevoeligheid is frequentieafhankelijk omdat de golflengtes bij lagere frequenties langer zijn en de faseverschillen over kleine afstanden tussen microfooningangen dus kleiner zijn. De richtinggevoeligheid wordt uitgedrukt in de ‘Directional-Index’ (DI). Dit is de verhouding van gevoeligheid recht vooruit t.o.v. de gemiddelde gevoeligheid rondom. Omdat de richtinggevoeligheid frequentie afhankelijk is zal ook de DI dat zijn. Bij de vermelding van deze kwaliteit van de microfoon zal dus de frequentie vermeld moeten worden waarvoor deze specificatie geldt. Hierbij dient wel bedacht te worden dat in een testsituatie in het laboratorium de microfoon recht vooruit de grootste gevoeligheid heeft. Dit is aan het hoofd niet meer het geval. Doordat de geluidsgolven reflecteren tegen het hoofd draait de optimale gevoeligheid iets naar buiten (opzij). Wanneer men dus recht naar voren naar een spreker kijkt is dat niet de optimale richting om de spreker te verstaan. Voordeel is wel dat een spreker opzij beter verstaan kan worden.


    Om de verstaanbaarheid van spraak in rumoer te kunnen voorspellen zijn verschillende meet- en rekenmethoden ontwikkeld. De ‘Articulatie Index’ (AI) is een getal dat een waarde kan hebben tussen 0 en 1. Een waarde AI=1 betekent een ongestoorde overdracht van spraak. Bij AI=0 wordt geen spraakinformatie overgedragen (zie Hfdst.9.2.4(2), Par.7). Ter bepaling van de AI in een bepaalde situatie wordt een spraaksignaal ter plaatse van de luisteraar met een microfoon opgevangen. Dat signaal wordt in frequentiebanden geanalyseerd. Per band wordt bepaald hoe sterk de bijdrage van het signaal is ten opzichte van het stoorlawaai. (meting van de signaal-ruis verhouding, S/N). De S/N’s van de verschillende frequentiebanden krijgen een waardering (gewichtsfactor) al naar hun frequentiegebied belangrijker is voor een goed verstaan van spraak. In de standaard procedure gaat het om 20 banden maar dat kan minder zijn bijvoorbeeld 15 banden van 1/3 octaaf. Soms wordt gemeten met 5 banden van 1 octaaf. De richtinggevoeligheid van een microfoon komt tot uitdrukking in de getallenserie die wordt toegekend aan de desbetreffende microfoon bij geluidsaanbod recht van voren. Zoals al in het voorgaande aangegeven is de richtinggevoeligheid recht naar voren groter dan die uit andere richtingen en bovendien is er ook nog de frequentieafhankelijk. Er is dus een standaardisering van meetmethode nodig om de gegevens van een microfoon met die van andere te kunnen vergelijken. Een beperking van deze Articulation Index methode is dat geen rekening wordt gehouden met de galm in de luistersituatie waarin de gebruiker het hoortoestel toepast.


    Toepassing van richtinggevoelige microfoons heeft als nadeel dat de oriëntatie in de omgeving waarin men zich bevindt bemoeilijkt wordt. Immers het minder of zelfs niet horen van geluiden die van opzij of van achteren komen kan bijvoorbeeld in een verkeerssituatie gevaarlijk zijn en tijdens een familiereünie hinderlijk. Het is dus nuttig als de richtinggevoelige faciliteit, al naar gelang de luistersituatie, aan- en uitgeschakeld kan worden.


  2. Versterkers
    Afhankelijk van de mate van ongevoeligheid van het te ondersteunen oor zal het geluid meer of minder versterkt moeten worden. Omdat verwacht mag worden dat een hoortoestel een aantal jaren gebruikt wordt, dient er ook nog een zekere reservecapaciteit zijn. Immers in die periode kunnen de onderdelen van het toestel iets minder goed gaan functioneren door slijtage of verdroging maar ook kan de gevoeligheid van het oor iets verminderen. Een reserve in versterkingsmogelijkheid van ca 20 dB is daarom gewenst.


    Er zijn verschillende soorten versterkers die worden toegepast, afhankelijk van de eisen die aan het hoortoestel worden gesteld. In Hfdst.9.2.2(2) worden vier verschillende typen besproken, resp. de klasse A, de klasse B, de klasse AB en de digitale klasse D eindversterker. Het is mogelijk versterkers steeds verder te verkleinen dank zij de toepassing van chips. Eventuele eigen ruis van de versterker zal het uitgangssignaal minder sterk beïnvloeden dan de ruis van de microfoon omdat de laatste met het geluidssignaal mee versterkt wordt.


    Een toonaudiogram is meestal niet vlak. Dat betekent dat in een aangepast hoortoestel de versterking bij de verschillende frequenties meestal verschillende waarden moet hebben. Dit wordt bereikt met een ‘toonregeling’, een faciliteit om de versterking van bv. de hogere frequenties anders in te stellen dan die voor de lagere en andersom. In oudere analoge toestellen kon dat met een schroevendraaiertje en een regelbare weerstand. In de huidige digitale toestellen wordt gebruik gemaakt van hoortoestelspecifieke software en een PC.


    In de elektronica van (moderne) hoortoestelversterkers zijn vaak speciale voorzieningen opgenomen om niet alleen de versterking maar ook andere bewerkingen per frequentieband mogelijk te maken. Men spreekt dan van meerbands- of meerkanaalstoestellen. Zo kan door terugkoppeling van een bepaalde frequentieband van het uitgangssignaal naar de ingang van de versterker het rondfluitprobleem (‘feedback’) worden aangepakt. Ook kan, als het toonaudiogram daar aanwijzingen voor geeft, extra versterking worden gegeven in de hoge dan wel in de lage frequentiebanden.


    Niet alleen de versterking maar ook het toelaatbare maximale uitgangsniveau kan per frequentieband verschillend zijn, conform het verloop van de gemeten curve voor onaangename luidheid (het UCL niveau). De snelle en altijd direct functionerende begrenzingsmethode is de ‘Peak Clipping’ (PC). Een wat intelligentere begrenzing van de output is de uitgangscompressie (AGC-o). Deze heeft wel een in- en uitregeltijd zodat ter bescherming tegen een eerste geluidspiek Peak Clipping toegevoegd moet worden. Bij een kleine hoorspan is het nuttig de compressie al bij de ingang van het hoortoestel te doen plaatsvinden (AGC-i).


    De eigenschappen en de vele mogelijkheden van meerkanaalstoestellen, zoals de toonregelingen en de begrenzingsmethoden, worden in de verschillende hoofdstukken van Onderdeel 9.1 van Rubriek 9.


    Belangrijk voor de geluidsweergave zijn de in- en uitregeltijden van een compressieregeling. Deze meer technische aspecten van een compressie regeling worden besproken in de verschillende hoofdstukken van Onderdeel 9.2 van Rubriek 9.


  3. Telefoons

    Van een telefoon wordt verwacht dat het een (versterkt) elektrische signaal omzet in een geluidstrilling. Bij een groot gehoorverlies moet deze trilling heel krachtig zijn. Verder moet voor het beluisteren van muziek de weergave van vooral de lage tonen goed zijn. De afmetingen van de telefoon mogen dus niet te klein zijn.


    Tenslotte moet het onderdeel wel in een hoortoestel passen dat bij voorkeur zo klein mogelijk is. In verband met deze tegenstrijdige eisen wordt in de praktijk veelal een elektromagnetische telefoon toegepast. De werking daarvan is gebaseerd op hetzelfde principe als de hiervoor besproken dynamische microfoon, maar dan omgekeerd. De veranderende elektrische stroom die door het spoeltje induceert in het (permanente) magneetje een veranderend magnetisch veld en daarmee een (elektromagnetische) kracht om het spoeltje te verplaatsen. Doordat aan het spoeltje een kleine conus bevestigd is krijgen de luchtdeeltjes een bewegingspatroon opgedrongen. Op deze wijze worden variaties in de elektrische stroom in het spoeltje omgezet in geluidsgolven.


    De frequentiekarakteristiek is niet zo mooi, maar het uitgangsvermogen kan wel groot zijn. De nieuwe digitale technieken hebben de mogelijkheid aangereikt de telefoonfunctie te integreren in een versterker van klasse D (zie Hfdst 9.2.2, Par.6). Dan echter is het maximaal uitgangsvermogen niet zo groot.


  4. Batterijen

    De energiebron van de versterker is de batterij. Er wordt gewerkt met een spanning van 1,3 V. Als een hoog geluidsniveau tot 135 dB voor wat langere tijd bereikt moet worden vanuit een zo lage voedingsspanning kan dat problemen geven. In feite wordt de elektrische voedingsspanning geleverd door een chemisch proces dat een eindige snelheid en dus een beperkte capaciteit heeft. Toen de kwikzilver batterijen om milieu redenen werden vervangen door de zink-lucht batterij was dit voor gebruikers van krachtige oorhangers een onaangename zaak. Het stroomleverend chemische proces verliep trager en dat veroorzaakte een beperking van het maximale uitgangssignaal, alsof er een uitgangsbegrenzing werd toegepast. Dank zij de ontwikkelingen op elektronisch gebied is dit nu geen wezenlijk probleem meer. Door efficiëntere schakelingen kan nu met kleinere batterijtjes gewerkt worden. Dat komt de tendens naar kleinere hoortoestellen ten goede. Blijft evenwel dat een toestel met een klein batterijtje beperkt zal zijn in het maximaal af te geven geluidsniveau.


  5. Oorstukjes (oorschaaltjes)

    Het bewerkte geluidssignaal moet tenslotte vanuit het hoortoestel aan het oor worden aangeboden. In verreweg de meeste gevallen zal dit gebeuren door de geluidstrilling aan het trommelvlies aan te bieden. Dit betekent dat het oorspronkelijke ingangssignaal veelal versterkt in de gehoorgang aanwezig is. De microfoon van het achter-het-oor hoortoestel (AHO) is daar niet ver van verwijderd en voor de in-het-oor toestellen (IHO’s) geldt dat in nog sterkere mate. Wanneer het geluid als gevolg van een niet goed afsluitend oorstukje naar buiten komt zal het door de microfoon opgevangen worden en opnieuw versterkt etc. Het rondlopende geluid veroorzaakt een fluittoon (rondlopen, genereren, rondfluiten). Bij een goed afsluitend oorstukje blijft het versterkte geluid in de gehoorgang en treedt het probleem niet op.


    Een tweede functie van het oorstukje is de bevestiging van het hoortoestel aan het hoofd. Het toestel mag niet bij een plotselinge beweging van het hoofd afvliegen.


    Een derde functie is de mogelijkheid om de geluidsweergave van het hoortoestel te beïnvloeden. De eigenschappen en de vorm van een oorstukje hebben namelijk invloed op de geluidsoverdracht vanuit het toestel naar het trommelvlies. Dit, en andere aspecten van oorstukjes worden uitvoeriger besproken in Hfdst.9.2.3.


 


9.2.1.3(2). Typen luchtgeleidingshoortoestellen

In de voorliggende paragraaf zijn de hoortoestellen die het geluid via luchttrillingen aan het oor aanbieden besproken. Hier zijn vier typen te onderscheiden.


  1. Kasttoestellen
  2. Achter-het-oor toestellen (AHO’s, oorhangers), met als specifieke uitvoeringen de afzonderlijk te bespreken de CROS en de Bi-CROS oorhangers
  3. In-het-oor toestellen (IHO’s)
  4. Geminiaturiseerde IHO’s die helemaal in de gehoorgang geplaatst kunnen worden, de ‘Complete In ear-Canal’ toestellen (CIC’s)
  5. Luidspreker in het oor toestellen (LIHO's) bestaande uit een AHO (b) die via een kabeltje een luidsprekertje in de gehoorgang aanstuurt; dit luidsprekertje bevindt zich in een 'dome' (f).

Van deze vijf typen zijn er weer verschillende uitvoeringen, afkomstig van verschillende fabrikanten op de markt. In Fig.5 zijn deze vijf typen (de IHO in twee uitvoeringen) afgebeeld.


Fig.5. Verschillende typen hoortoestellen, achtereenvolgens:
(a) - kasttoestel
(b) - AHO of oorhanger
(c) - IHO (uitvoering als ‘concha-toestel’)
(d) - IHO (uitvoering als ‘kanaaltoestel’)
(e) - CIC
(f) - LIHO (daarvan alleen het slangetje met de 'dome' waarin zich het luidsprekertje bevind).
De afbeeldingen zijn alleen bedoeld als illustratie, niet als productinformatie.


  1. Kasttoestellen

    Omstreeks 1950 verschenen op de Nederlandse markt de eerste hoortoestellen die betrekkelijk onzichtbaar onder de kleding gedragen konden worden. De versterking werd verzorgd door kleine radiobuisjes die gevoed werden door vrij grote batterijen. Al kort daarna werd de transistor ontwikkeld en konden deze toestellen vooral lichter en ook kleiner worden. Doordat er nog geen subtiele schakelingen ontwikkeld waren leverden deze toestellen een met een volumeregelaar instelbare versterking. Daarnaast was er een instelbare faciliteit voor Peak Clipping.


    Omdat antibiotica nog maar een beperkt aantal jaren beschikbaar waren en er nog geen gehoorverbeterende operaties met de microscoop verricht werden, was de behoefte toen vooral gericht op het ondervangen van de beperkingen ten gevolge van geleidingsverliezen. Het kasttoestel had één of twee (binaurale aanpassing) ‘losse’ telefoontjes die met snoertjes aan het toestel verbonden waren. De telefoontjes werden geklemd in de oorstukjes die enigszins uit de gehoorgang staken. Een kasttoestel werd meestal onder de kleding gedragen.


    Dit opzichtige hulpmiddel leverde wel versterkt geluid maar van zeer beperkte kwaliteit. De beperking in de mogelijkheden tot spraakcommunicatie werden wel duidelijk zichtbaar gemaakt maar niet doeltreffend ondervangen. Een gesprek met de gebruiker nodigde uit tot stemverheffing en dan nog bleef dat veelal steken in misverstanden. Het was dan ook niet ongebruikelijk om iemand met zo’n toestel tijdens een receptie of een feestje te mijden. Hier ligt wellicht de oorsprong van de weerstand tegen het gebruik van een hoortoestel.


    Met de verdere ontwikkeling van de elektronica zijn de kasttoestellen kleiner en kwalitatief beter geworden. Er kan een grote versterking mee behaald worden, mede doordat de microfoon en telefoon vrij ver van elkaar gedragen worden. Dit beperkt de rondfluit problemen als het oorstuk tenminste voldoende goed past. Het feit dat de microfoon zich niet in de buurt van het oor bevindt heeft wel tot gevolg dat er geen goede geluidslokalisatie kan zijn. Bij het dragen van het toestel onder de kleding veroorzaakt het geschuif daarvan over de microfoon het zogenaamde kledinggeruis dat veelal als zeer hinderlijk wordt ervaren. Het snoertje blijkt in de praktijk een kwetsbaar onderdeel dat wegens draadbreuk en aantasting door transpiratievocht vaak vervangen moet worden. Blijft ten slotte nog de onprettige zichtbaarheid van het grote telefoontje op het oorstuk in de oorschelp. Tegenwoordig zijn er nauwelijks nog kasttoestellen te verkrijgen terwijl dat in bijzondere situaties wel gewenst kan zijn, zoals bij slechthorenden met een heel slechte handmotoriek.


    Zoals gezegd, wordt het kasttoestel op het oor aangesloten met een oorstukje dat het telefoontje in de gehoorgang vasthoudt. Het oorstukje is ook bij de hierna te bespreken oorhanger een heel belangrijk onderdeel. Zie daarvoor Hfdst.9.2.3(2).


  2. Achter-het-oor toestellen (AHO’s) of oorhangers

    Rond 1960 kwamen de eerste oorhangers op de Nederlandse markt. Ze waren toen nogal reparatiegevoelig. Bovendien waren er nog geen afdrukpasta’s om goed passende oorafdrukjes te maken, want het gebruikte materiaal droogde te sterk in. Dit veroorzaakte fluitproblemen. Deze werden soms ook veroorzaakt doordat de trillingen van de elektromagnetische telefoon werden opgepikt door de eveneens elektromagnetische microfoon. Om dit tegen te gaan werd de microfoon aan de achterzijde onder in de oorhanger geplaatst, waardoor de geluidsinformatie van achteren soms beter werd gehoord dan die van voren. Door de verbetering van de elektronica en de ontwikkeling van eerst de keramische en later de elektreetmicrofoons, die veel minder gevoelig zijn voor mechanische overdracht van trillingen, werden deze ongunstige aspecten ondervangen.


    De analoge oorhangers kregen daarna steeds verfijndere signaalbewerkende schakelingen. De grootte kon gereduceerd worden en de microfoon kwam op een gunstige plaats voor richtinginformatie. Mede daardoor won de tweezijdige aanpassing snel terrein. De digitalisering gaf vervolgens extra mogelijkheden om subtiele signaalbewerkingen in een aantal afzonderlijke frequentiekanalen door te voeren. Daarmee is het mogelijk geworden de gewenste frequentiekarakteristiek in te stellen en de geïndiceerde begrenzing per frequentiekanaal te realiseren. Dank zij de mogelijkheden via de elektronische schakelingen het rondzingen te onderdrukken kan gewerkt worden met oorstukjes die niet hermetisch hoeven af te sluiten om toch een vrij grote versterking te leveren (tot ca. 55 dB). De onaangename verschijnselen van het occlusie effect en het nare gevoel van een afgesloten gehoorgang worden daarmee ondervangen.


    Doordat de AHO betrekkelijk groot is kunnen een groter telefoontje en een groter batterijtje geplaatst worden, zodat een vrij groot onvervormd maximaal uitgangssignaal kan worden afgegeven. Bovendien kan een luisterspoeltje in het toestel geplaatst worden zodat gebruik van een ringleiding faciliteit dan tot de mogelijkheden behoort. Ook het bedienen van instelmogelijkheden van de AHO levert voor de gebruiker weinig problemen op.


    Bij slechthorenden met één doof of bijna doof oor kan een speciale uitvoering van een AHO toegepast worden. Achter het dove oor wordt dan een AHO geplaatst die in feite alleen een microfoonfunctie verzorgt. Het signaal wordt meestal per snoertje maar soms draadloos naar een AHO achter het andere oor overgebracht. Hier wordt het signaal versterkt en met een open blijvende gehoorgang als geluid aan het trommelvlies aangeboden. Dit wordt dan dus bijgemengd bij het geluid dat dit betere oor normaal opvangt. Zie de linker afbeelding in Fig.6. Op deze wijze wordt dus ook geluid opgevangen van de dove zijde. Echter door de vermenging van de twee geluidssignalen bij het ‘goede’ oor zal het richtinghoren niet of niet goed tot stand komen. Deze vorm van geluidaanpassing wordt ‘Contra-Lateral Rooting of Signals’ (CROS) genoemd.


    Hierbij is er vanuit gegaan dat het betere oor niet of nauwelijks versterking nodig heeft om het geluid op een normale manier waar te nemen. Als dat oor echter ook minder goed functioneert en versterking nodig heeft kan een modificatie van de CROS aanpassing toegepast worden. Het toestel op het betere oor krijgt dan twee microfoons, aan elke kant van het hoofd één. We spreken dan van een Bi-CROS aanpassing (Fig.4, rechter afbeelding).


    Fig.6. Het principe van de CROS- en de Bi-CROS aanmeting op het betere linker oor


    Het principe van de CROS-aanpassing kan ook toegepast worden bij personen die beiderzijds heel ernstig slechthorend zijn. Door de vereiste grote versterking hebben bij een normale aanpassing de AHO’s al snel neiging om te gaan rondfluiten. Dit geldt vooral als er ook nog in het oorstukje een kanaatje nodig is voor ventilatie van de gehoorgang. In die situatie kunnen twee CROS-aanpassingen toegepast worden (‘Power-CROS’ of ‘KRIS-KROS’). Het hoofd bevindt zich dan voor elk van de toestellen tussen de microfoon en de telefoon. Dit zal de neiging tot rondfluiten sterk verminderen maar het geluid dat van links komt wordt in het rechteroor gehoord. Het richtinghoren is dus gespiegeld. In de praktijk blijkt dit na een korte gewenningsperiode geen echte problemen te veroorzaken.


    Een tussenvorm van een AHO en een IHO is het zogenaamde LIHO toestelletje (‘Luidspreker In Het Oor’). Het heeft de eigenschappen van de oorhanger maar door toepassing van een luidsprekertje (telefoontje) in een vrijwel onzichtbaar parapluvorming oorstukje (‘ear-tip’) gaat de uitvoering op een In Het Oor toestelletje lijken. De verbinding van het hoortoestel naar het telefoontje verloopt via een vrijwel onzichtbaar dunne draadverbinding. Er zijn inmiddels diverse fabrikanten die deze uitvoering op de markt brengen


  3. In-het-oor toestellen (IHO’s)

    Doordat de onderdelen van de oorhanger steeds kleiner kunnen worden ontstaat de mogelijkheid het hoortoestel in de oorschelp te plaatsen. De eerste uitvoeringen staken nog wel wat naar buiten maar geleidelijk reduceerden ze van oorschelp vullend (concha-toestellen) naar vormen die vrijwel geheel in de gehoorgang pasten (IHO’s) tot vormen die echt helemaal in de gehoorgang geschoven worden (‘Complete In the Canal’ toestellen - CIC’s) ook wel paratympane toestellen genoemd). Een gunstige eigenschap van de IHO’s ten opzichte van de AHO’s is dat de microfoon in de oorschelp en mogelijk zelfs in de gehoorgang geplaatst is. Voor het cosmetisch aspect is dat gunstig, maar ook kan het richtinghoren sterk verbeterd worden. Dit nodigt uit tot waar mogelijk een tweezijdige aanpassing. Voor het cosmetisch aspect is dat gunstig. Een nadeel van deze miniaturisering is dat er gewerkt moet worden met kleine onderdelen. Dat betreft vooral de batterij en de telefoon. Dit zal het maximaal af te geven geluidsniveau beperken en ook de geluidskwaliteit ongunstig kunnen beïnvloeden.


    Daar staat wel tegenover dat de plaatsing van de telefoon dicht bij het trommelvlies een directere geluidsoverdracht bewerkstelligt met name van de hoge frequenties. Zij worden niet meer benadeeld door de verzwakkende werking van het geluidskanaal tussen telefoon naar trommelvlies. Een ongunstig aspect is dat er geen plaats zal zijn voor gemakkelijk bereikbare instelmogelijkheden zoals een volumeregelaar of keuzeschakelaar en ook niet voor een luisterspoeltje om gebruik te kunnen maken van een ringleiding. Kortom, het bedienen inclusief het in- en uit de gehoorgang doen van het toestel is niet zo gemakkelijk en vereist een goede handmotoriek.


    Het plaatsen van het telefoontje in de gehoorgang betekent wel dat het vrij agressieve oorsmeer (cerumen) de geluidsopening kan verstoppen en ook het telefoontje aantasten. Bovendien kunnen, omdat de afstand tot de microfoon gering is, fluitproblemen optreden wanneer het schaaltje de gehoorgang niet goed afsluit. Het wel goed afsluiten kan weer oorzaak zijn van het occlusie effect waardoor de eigen stem dof en hinderlijk in de afgesloten gehoorgang klinkt. Omdat het IHO toestel veel kleiner is dan de AHO zullen geavanceerde schakelingen om het geluid optimaal aan de wens van de gebruiker aan te passen mogelijk in iets mindere mate beschikbaar zijn. Echter ook hier opent de verdere miniaturisering perspectieven. Als het CIC toestel heel diep in de gehoorgang kan worden geschoven en afsluit in het benige deel is het occlusie effect nagenoeg afwezig. Het richtinghoren wordt nog meer gefaciliteerd en storing van luchtverplaatsing door wind wordt ook nog verder gereduceerd. Echter het in- en uitdoen en bedienen van het toestel wordt lastiger.


    Kortom, er zijn, als een keus gemaakt moet worden tussen de verschillende uitvoeringen van luchtgeleidingshoortoestellen, voor- en nadelen aan te geven.


 


9.2.1.4(2). Links

Nog in te vullen


Literatuur

  1. Dillon H. ‘Hearing aids’ Thieme, New York Stuttgart, 2012.

© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie