Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 9.2.7(2). Real Ear Measurements - REM metingen
 Auteur: Houben, van Schoonhoven
 Revisie: mei 2015

Dit hoofdstuk komt twee keer voor in het Leerboek, als Hfdst.9.2.7 bij de beschrijving van de technieken van de luchtgeleidingshoortoestellen en als Hfdst.9.3.4 bij de beschrijving van het aanpassen van luchtgeleidingshoortoestellen. Beide aspecten zijn in het hoofdstuk vertegenwoordigd, maar het hoofdstuk is te kort om het voor die twee aspecten in twee├źn te splitsen. Bovendien is het als een geheel geschreven.


Inhoud:

9.2.7.1(2). Inleiding Real Ear Measurements (REM)

9.2.7.2(2). Afkortingenlijst

9.2.7.3(2). Uitvoering
3a. Kalibratie probe tube
3b. Plaatsing microfoonslangetje
3c. Uitvoering

9.2.7.4(2). Verificatiemetingen

9.2.7.5(2). Individuele variatie bij volwassenen

9.2.7.6(2). Links


 

9.2.7.1(2). Inleiding Real Ear Measurements (REM)

De selectie van een luchtgeleidingshoortoestel vereist de keuze van de benodigde versterking bij verschillende frequenties. Deze informatie is af te leiden uit de voor elk toestel beschikbare technische gegevens. Nadat een hoortoestel is geleverd wordt een versterkingsregel gekozen (zoals bijv. NAL-NL2 of de DSL). Hierbij wordt de gewenste frequentiekarakteristiek berekend op basis van de toonaudiometrische gegevens. De gewenste maximale output wordt verkregen uit de bepaling of schatting van het onaangename luidheidsniveau, al dan niet met behulp van spraakaudiometrie. De daarop volgende vraag is of het toestel ook daadwerkelijk de gewenste versterking levert wanneer het met behulp van een oorstukje op het oor is geplaatst. Concreet is de vraag wat het geluiddrukniveau ter hoogte van het trommelvlies is, al dan niet ten gevolge van de versterking van het hoortoestel.


De akoestische meetgegevens van een hoortoestel, inclusief die van de beschikbare toonbochtjes, worden door de fabrikant verstrekt op basis van metingen met een ‘2cc coupler’, een ‘oorsimulator’ of een ‘oorsimulator in meetpop’ (KEMAR). Van dit drietal worden de 2cc coupler gegevens (IEC-126) gebruikt voor de technische controle van het hoortoestel. Het volume van deze coupler is gekozen op basis van het gegeven dat het volume van de gehoorgang met oorstukje ongeveer 2 cm3 bedraagt. Om de overdracht van het geluid door het hoortoestel in te schatten kan gebruik worden gemaakt van een ‘coupler’ of ‘kunstoor’.


Een betere benadering van de akoestische eigenschappen van het gemiddelde menselijk oor dan in het geval van de 2cc coupler wordt gegeven door de oorsimulator (‘Occluded Ear Simulator’ of OES – IEC-711). De oorsimulator heeft een akoestische impedantie die beter overeenkomt met dat van een gemiddeld oor inclusief gehoorgang. Nog een stap verder is het toevoegen van het buitenoor en de hoofdschaduw. Dit gebeurt in een kunsthoofd zoals KEMAR (‘Knowles Electronical Manikin for Acoustical Research’ - IEC-959), of HATS (‘B&K Head and Torso Simulator). Deze kunsthoofden houden dus ook rekening met de akoestische invloed van de oorschelp, het hoofd, de nek en het bovenlichaam op de overdracht van het geluid. In al deze gevallen gaat het om gemiddelde akoestische eigenschappen.


Het probleem nu met de hiervoor beschreven wijze van hoortoestelselectie en instelling van de versterking op basis van een coupler, kunstoor, of kunsthoofd, is dat de beschikbare karakteristieken van het hoortoestel gebaseerd zijn op standaardmetingen en de uitkomsten van de rekenregels op gemiddelden van vele oren, terwijl de afmetingen van individuele gehoorgangen sterk variëren. Daarbij geldt dat, voor een gelijke hoortoestel output, het volume tussen oorstukje en trommelvlies een grote invloed heeft op het geluid nabij het trommelvlies. Bij een klein volume tussen oorstukje en trommelvlies zal het geluid ter plaatse van het trommelvlies sterker zijn dan bij een groot volume. Vooral hoortoestelaanpassingen bij kinderen zijn gevoelig voor dit individueel volume effect. De afwijkingen tussen verwachte en werkelijke geluidssterktes kunnen oplopen tot 15 dB, afhankelijk van de frequentie. Bij kinderen kan dit volume effect voor een deel worden ondervangen door de versterkingsdoelen te corrigeren voor de leeftijd. Een praktisch nadeel van het gebruik van couplers, kunstoren, en kunsthoofden, is dat de meting van hoortoestellen met een thin tube, een eartip, of een luidspreker in het oor, nog niet gestandaardiseerd is en dat het in de praktijk lastig meten is.


Een alternatieve manier om de versterkingskarakteristiek van een hoortoestel in kaart te brengen is door middel van ‘real ear measurements’ (REM). Deze in situ metingen wordt gebruikt om een hoortoestelaanpassing te controleren. Ook kan het worden gebruikt wanneer er klachten zijn over (te) hard of niet goed klinkend geluid. De metingen zijn verder uitermate geschikt om hoortoestellen aan te passen bij mensen die (nog) niet voldoende betrouwbaar kunnen communiceren over hun hoortoestel. Real ear measurements worden tegenwoordig (2014) standaard uitgevoerd bij hoortoestelcontroles in verscheidene Audiologische Centra en audiciensbedrijven in Nederland.


Dit hoofdstuk beschrijft REM bij volwassenen. REM bij kinderen komt aan bod in een separaat hoofdstuk.

 


9.2.7.2(2). Afkortingenlijst

DSLDesired Senstion Level (rekenregel)
IECInternational Electrotechnical Commission
HITHearing Instrument Test
IGInsertion Gain [dB], zie REIG
REIGReal Ear Insertion Gain [dB] (zie ook IG) REIG is synoniem met IG en is het verschil tussen het geluidniveau ter hoogte van het trommelvlies met ingeschakeld hoortoestel (REAR) en   zonder hoortoestel (REUR). Er geldt REIG = REAR - REUR. Deze relatie kan ook uitgedrukt worden in gain ten opzichte van het geluidniveau ter plaatse van de referentiemicrofoon. Er    geldt dan: REIG = REAG – REUG
ISTSInternational Speech Test Signal
HATSBrüel & Kjær Head and Torso Simulator
KEMARKnowles Electronical Manikin for Acoustical Research
NAL-NL1 of 2 National Acoustics Laboratory Non-Linear 1 of 2 (rekenregel)
OSPL90Output Sound Pressure Level [dB SPL] bij een ingangsignaal van 90 dB SPL
POGOPrescription of Gain and Output (rekenregel)
MPOMaximum Power Output [dB SPL]
REMReal Ear Measurement. In situ geluidmetingen ter plaatse van het trommelvlies, die gebruikt kunnen worden ter evaluatie van hoortoestelaanpassingen
REAGReal Ear Aided Gain [dB]: het verschil tussen het geluidniveau ter hoogte van het trommelvlies met ingeschakeld hoortoestel (REAR) en het geluidniveau ter hoogte van de referentiemicrofoon
REARReal Ear Aided Response [dB SPL]: het geluidniveau ter hoogte van het trommelvlies met ingeschakeld hoortoestel
REOIGReal Ear Occluded Insertion Gain [dB]: het verschil tussen het geluidniveau ter hoogte van het trommelvlies met uitgeschakeld hoortoestel (REOR) en zonder hoortoestel (REUR). Er geldt REOIG = REOR - REUR. Deze relatie kan ook uitgedrukt worden in gain ten opzichte van het geluidniveau ter plaatse van de referentiemicrofoon. Er geldt dan: REOIG = REOG – REUG
REOGReal Ear Occluded Gain [dB]: het verschil tussen het geluidniveau ter hoogte van het trommelvlies met uitgeschakeld hoortoestel (REOR) en het geluidniveau ter hoogte van de referentiemicrofoon
REORReal Ear Occluded Response [dB SPL]: het geluidniveau ter hoogte van het trommelvlies met uitgeschakeld hoortoestel
REUGReal Ear Unaided Gain [dB]: het verschil tussen het geluidniveau ter hoogte van het trommelvlies zonder hoortoestel (REUR) en het geluidniveau ter hoogte van de referentiemicrofoon
REURReal Ear Unaided Response [dB SPL]: het geluidniveau ter hoogte van het trommelvlies zonder hoortoestel
RESRReal Ear Saturation Response [dB SPL]: de REAR bij een inputniveau van 90 dB SPL, ofwel de OSPL90 in situ

 


9.2.7.3(2). Uitvoering

Bij een real ear measurement is een luidspreker nodig waaruit de meetsignalen afgespeeld worden (zie Fig.1). Deze luidspreker wordt normaal recht voor de luisteraar geplaatst of onder een hoek van 45 graden. De meetsignalen zijn over het algemeen spraakruis, roze ruis of tegenwoordig het ISTS.


Fig.1. Positie van de patiënt t.o.v. de luidspreker bij een REM meting.


Tijdens de meting wordt de geluidsdruk in de gehoorgang gemeten zonder of met hoortoestel (Fig.1). Het geluid wordt met een microfoon (de ‘probemicrofoon’) opgevangen via een dun flexibel microfoonslangetje (probe tube) dat in de gehoorgang ligt (zie Fig. 2). Bij verschilmetingen, bijvoorbeeld de REIG, is het belangrijk dat het microfoonslangetje in de gehoorgang in dezelfde positie blijft bij beide metingen. Het gemeten geluidsdrukniveau is frequentie-afhankelijk en wordt dus weergegeven als functie van de frequentie.


Fig.2. Principe van real ear measurements. Links de unaided (zonder hoortoestel) situatie en rechts de aided situatie met een in-het-oor-hoortoestel. POSGG = meetpositie in de gehoorgang; POSHTM = meetpositie ter plaatse van de hoortoestelmicrofoon (bij een achter-het-oor-toestel ligt POSHTM boven de pinna); POSRM = meetpositie ter plaatse van de referentiemicrofoon. Figuur ontleend aan Versfeld 2012, NVA presentatie 2012. 'Evaluatie van de Hoortoestelaanpassing'.


In de terminologie rond real ear measurements komen we de woorden ‘gain’ en ‘response’ veel tegen en die worden in de literatuur niet altijd consequent gebruikt. Response beschrijft een geluidniveau in dB SPL, waar gain een verschilmaat is (in dB) ten opzichte van een ander geluidniveau, bijvoorbeeld ter plaatse van de referentiemicrofoon (POSRM). Response en Gain worden beiden gebruikt in de afkortingen bij real ear measurements.


Fig.3a. REUG met de gehoorgangresonantie (onderste curve) en REAG (bovenste curve).
Fig.3b. Real ear insertion gain (REIG), overeenkomend met het gearceerde gebied in Fig.3a.


Het geluidniveau ter hoogte van POSGG in Fig. 2a (zonder hoortoestel) wordt ook wel de real ear unaided response (REUR, in dB SPL) of open ear response genoemd. Wanneer we dit geluidniveau uitdrukken ten opzichte van het niveau aan de referentiemicrofoon (POSRM), spreken we van de real ear unaided gain (REUG, in dB). De REUG is dus een benadering van de akoestische karakteristiek van het buitenoor van de individuele patiënt en omvat typisch de resonantiepiek bij 3 kHz (zie Fig. 3a). De resonantiefrequentie en de hoogte van de resonantiepiek kunnen per oor, ook bij volwassen patiënten zonder otologische afwijkingen, sterk verschillen (zie Fig.5).


Wanneer er ter hoogte van POSGG (Fig.2) gemeten wordt met een ingeschakeld hoortoestel, spreken we van de real ear aided response (REAR, in dB SPL). De REAR is dus het geluidniveau in de buurt van het trommelvlies van de hoortoestelgebruiker. De REAR relatief t.o.v. het geluidniveau aan de referentiemicrofoon (POSRM) is de real ear aided gain (REAG, in dB), analoog aan de unaided situatie (Fig. 3a).


De real ear insertion gain (REIG of IG) is het verschil tussen de REAR en de REUR. De REIG vertelt dus hoeveel extra geluid er aan het trommelvlies aangeboden wordt als gevolg van het plaatsen van een ingeschakeld hoortoestel (Fig. 3b). De REIG kan op twee manieren berekend worden. Wanneer het geluidniveau aan de referentiemicrofoon bij alle metingen gelijk is, bestaat er geen onderscheid tussen het gebruik van de response (REIG=REAR-REUR) of van de gain (REIG=REAG-REUG). Echter, wanneer de hoofdpositie verandert gedurende de meting, zal het verschil tussen de REAG en REUG een nauwkeuriger resultaat opleveren. Om dit te begrijpen maken we gebruik van de definities van REAG en REUG: REAG= REAR-L(PRM) en REUG=REUR-L(PRM), waarbij L(PRM) het geluidniveau ter plaatse van de referentiemicrofoon voorstelt. Per meting wordt het geluid ter plaatse van het microfoonslangetje (REAR of REUR) simultaan gemeten met het geluid ter plaatse van de referentiemicrofoon (L(PRM)). Hoofdbeweging zal tot gevolg hebben dat L(PRM) verandert. Omdat een hoofdbeweging daardoor bij berekening via de gain invloed heeft op beide termen (de meetmicrofoon en de referentiemicrofoon) zal het effect op REIG kleiner zijn dan bij berekening via de response, waar geen vergelijking met de referentiemicrofoon wordt gedaan. Een hoofdbeweging bij berekening via response heeft daardoor meer invloed omdat de compensatie door de referentiemicrofoon niet plaats vindt.


3a. Kalibratie probe tube

De frequentiekarakteristiek van de probemicrofoon verschilt van die van de referentiemicrofoon, onder meer vanwege het gebruik van het microfoonslangetje. Om hiervoor te corrigeren moet er gekalibreerd worden. Door het uiteinde van het meetslangetje van de probemicrofoon voor de referentiemicrofoon te positioneren en via de luidspreker een kalibratiesignaal aan te bieden, bepaalt men de frequentiekarakteristiek van het meetsysteem (aangenomen dat de karakteristiek van de referentiemicrofoon bekend is), zie Fig.4. De aanbeveling voor de geldigheidsduur van de kalibratie van de probemicrofoon varieert van 1 meting tot 1 week.


Fig.4. Positionering van het meetslangetje t.b.v. REM Kalibratie. Het uiteinde van het microfoonslangetje bevindt zich ter hoogte van de referentiemicrofoon.


3b. Plaatsing van het microfoonslangetje

Om het geluidniveau ter plaatse van het trommelvlies te kunnen bepalen dient het meetslangetje van de probemicrofoon in de gehoorgang te worden geschoven. Het slangetje kan zowel langs de bovenwand van de gehoorgang geplaatst worden als langs de onderwand. In de literatuur wordt de onderwand aanbevolen.


Bij de positionering zijn drie aspecten van groot belang. In de eerste plaats dient het slangetje niet in aanraking te komen met het trommelvlies omdat de cliënt dit als pijnlijk zal ervaren en bovendien is dit geen geschikte locatie voor een goede meting. Het tweede aspect is het optreden van staande golven. Dit kan een gevolg zijn van de (gedeeltelijke) reflectie van de geluidsgolf tegen het trommelvlies. Ter plaatse van het trommelvlies bevindt zich een ‘buik’. Daar is de geluidsdruk maximaal. Terug de gehoorgang in bevindt zich op een afstand van ¼λ (golflengte) een ‘knoop’. Daar is de geluidsdruk minimaal. Nu moet vermeden worden dat het uiteinde van het slangetje zich precies in een ‘knoop’ bevindt voor de relevante frequenties. Knopen kunnen ook ontstaan bij het oorstukje ten gevolge van een impedantiesprong waardoor er radiale golven ontstaan. Zodoende mag het uiteinde van het slangetje niet te dicht bij het oorstukje worden geplaatst.


Bovenstaande aspecten leiden tot de volgende twee adviezen voor de positie van het meetslangetje. Ten eerste wordt in de praktijk een afstand tot het trommelvlies van maximaal 6 mm in acht genomen. Bij relatief lage frequenties, kleiner dan 2 kHz, overschrijden de golflengtes de afmetingen van de gehoorgang en is de geluidsdruk overal hetzelfde. Dan is de positionering van het slangetje niet kritisch. Theoretisch is een REM bij een frequentie van 6 kHz en een afstand van slangetje tot trommelvlies van 6 mm te realiseren met een afwijking van 2 dB. Wanneer men nog hogere frequenties in de REM wil betrekken dient men met het slangetje dichter bij het trommelvlies te plaatsen. Ten tweede wordt een afstand van minimaal 5 mm voorbij het oorstukje of luidspreker (bij een LIHO- of IHO-toestel) aangehouden. Bij diep zittende oorstukjes (of bij korte gehoorgangen zoals bij kinderen) dient in acht te worden genomen dat er niet aan beide adviezen voldaan kan worden. Voorzichtigheid is dus altijd geboden.


De positionering van het microfoonslangetje ten opzichte van het oorstukje kan worden gedaan door correct afstellen van het indicatieringetje voordat het microfoonslangetje wordt ingebracht. Het slangetje wordt in de gehoorgang gebracht tot het indicatieringetje zich ter plaatse van de incisura intertragica (intertragic notch) bevindt. Er zijn verschillende methoden om bovenstaand genoemde adviespositie te bepalen.


De meest eenvoudige methode is om het indicatieringetje af te meten op een vaste afstand ten opzichte van het uiteinde van het slangetje. Deze methode is gebaseerd op de gemiddelde lengte van de gehoorgang en houdt geen rekening met individuele variaties in anatomie en oorstukjes. Voor vrouwen kan een afstand van 28 mm worden aangehouden, voor mannen 30 mm, en voor kinderen 20-25 mm.


Een andere methode is om het plaats van het indicatieringetje af te meten aan de hand van de lengte van het oorstukje. Bij deze methode wordt het uiteinde van het microfoonslangetje op minimaal 5 mm van het oorstukje gelegd. Deze methode houdt dus geen rekening met de knopen die zich in de buurt van het trommelvlies bevinden.


De positionering ten opzichte van het trommelvlies kan worden bepaald door een continue toon van 6 kHz aan te bieden en het microfoonslangetje zo te positioneren dat het gemeten geluidniveau minimaal is. Het uiteinde van het microfoonslangetje bevindt zich dan in een knoop en dus een afstand van ca. 15 mm van het trommelvlies. Daarna wordt het slangetje nog 9 mm verder de gehoorgang ingeschoven teneinde de gewenste afstand tot het trommelvlies van maximaal 6 mm te bereiken.


De British Society of Audiology adviseert een mix van bovenstaande drie methoden: positioneer de marker op 27 mm van het uiteinde van het microfoonslangetje, controleer of deze minstens 5 mm uitsteekt voorbij de rand van het oorstukje en breng het slangetje vervolgens in het oor totdat de marker zich ter hoogte van de tragus bevindt. Vervolgens wordt de REUG gemeten en gecontroleerd of deze bij 6 kHz groter is dan -5 dB. Wanneer dit niet het geval is, is de kans groot dat het uiteinde van het slangetje zich in (de buurt van) een knoop bevindt bij 6 kHz en mag het slangetje iets dieper geplaatst worden.


Een goede positionering van het microfoonslangetje is van belang voor het slagen van de meting. Omdat de REIG-meting een verschilmeting is (namelijk met en zonder hoortoestel), is het niet alleen belangrijk dat het slangetje op de juiste plek in de gehoorgang zit, maar ook dat het niet verschuift na plaatsing van het hoortoestel.


Voordat het hoortoestel geplaatst wordt kan de positie van het microfoonslangetje optisch geëvalueerd worden met behulp van een otoscoop. De otoscoop kan ook van pas komen wanneer er problemen zijn met het plaatsen van het slangetje, bijvoorbeeld als gevolg van cerumen, otitis externa, of een afwijkende vorm van de gehoorgang. In dit geval kan in het oor gekeken worden of er een manier is waarop het microfoonslangetje nog goed te positioneren is. In sommige gevallen zal het echter niet mogelijk zijn om een REM uit te voeren en zal er eerst bijvoorbeeld een oortoilet moeten plaatsvinden.


Bovenstaande adviezen hoeven niet geldig te zijn bij afwijkende anatomieën. Zo is bij een radicaalholte de afstand tussen het microfoonslangetje en het trommelvlies niet goed in te schatten, als er al een trommelvlies aanwezig is. In dergelijke gevallen kan er uitgegaan worden van de methode die gebruik maakt van de gemiddelde gehoorgang (zie eerder deze paragraaf).


3c. Meetsignaal

De nadruk bij het verifiëren van hoortoestellen ligt vaak bij het verbeteren van de communicatie. De versterking van het hoortoestel kan afhangen van de karakteristieken van het ingangssignaal. Bijvoorbeeld zal bij stationaire ruis de ruisonderdrukking geactiveerd worden. Dit leidt tot een onderschatting van de werkelijke versterking van spraak. Meten met zuivere tonen is minder geschikt in verband met de compressieve versterking van hoortoestellen en de fluitonderdrukking. Daarom is het van belang om een meetsignaal te gebruiken met het spectrum en de fluctuaties van spraak. Tegenwoordig wordt als meetsignaal meestal het ISTS gebruikt.


Tijdens de uitvoering van de metingen is het nodig dat het geluidaanbod aan het uitwendige oor gelijk blijft.Dit gebeurt door buiten het oor een sturende referentiemicrofoon te plaatsen. In Fig. 1 is de referentiemicrofoon weergegeven  direct onder de oorschelp. Het door de referentiemicrofoon opgevangen geluid wordt gebruikt om het niveau van het luidsprekersignaal bij te regelen. Veranderingen in ingangsniveau als gevolg van bewegingen van het hoofd worden op deze wijze gecorrigeerd. De bijregeling wordt vaak gedaan met behulp van een kalibratiesignaal dat voor iedere stimulus wordt afgespeeld. In dat geval verandert tijdens de meting het uitgestuurde niveau niet, maar mogelijk wel tussen de metingen. Deze methode wordt ook wel de 'modified pressure method with stored equalization' genoemd (ANSI S3.46). Een alternatieve methode is om het geluid tijdens het afspelen te analyseren en het niveau real time aan te passen. Het voordeel van deze methode is dat het effect van beperkte hoofdbewegingen tijdens de meting gecompenseerd wordt.

 


9.2.7.4(2). Verificatiemetingen

Real ear measurements worden tegenwoordig veelal standaard uitgevoerd bij de controle van een hoortoestel.

Deze metingen geven een objectief beeld van de versterkingskarakteristiek en/of de output van het hoortoestel.

De versterking (of output) kan vervolgens getoetst worden aan de doelversterking (of doel output) zoals bepaald met behulp van de rekenregels.

De meest gebruikte rekenregels zijn de NAL-NL2 (en de voorganger: de NAL-NL1) en de DSL i/o v5. De NAL rekenregel is gebaseerd op de REIG en de DSL rekenregel op de REAR. Zie voor een uitgebreide beschrijving paragraaf 9.1.3.4.


In het algemeen wordt begonnen met meten op 65 dB SPL. Dit is tenslotte het niveau dat overeenkomt met het gemiddelde spraakniveau. Naast het meten op 65 dB SPL dient ook bij een lager (50 dB SPL) en hoger niveau (80 dB SPL) gemeten te worden, zodat de compressiekarakteristiek van het hoortoestel geverifieerd kan worden. Dit is van belang om inzicht te krijgen op de reactie van het hoortoestel op het input dynamisch bereik (zachte spraak tot hoge spraakniveaus).


Bij een lineair ingesteld hoortoestel zullen de REIG curves bij 50, 65, en 80 dB SPL over elkaar vallen. Bij compressieversterking zal de versterking bij hogere niveaus (bijv. 80 dB SPL) kleiner zijn dan bij lagere niveaus (bijv. 65 of 50 dB SPL).


Verder kan de output bij een hoog geluidniveau gemeten worden als onderdeel van de REM. Hiervoor wordt de term Real Ear Saturated Response (RESR) gebruikt. In feite is dit niets anders dan de REAR bij een inputsignaal van 90 dB SPL. Een nadeel ten opzichte van de OSPL90 (dit is de corresponderende meting in een 2 cc coupler) is dat de luisteraar blootgesteld wordt aan hoge geluidniveaus (evenals de tester zelf).


Wanneer het toestel snel gaat fluiten of wanneer er vermoedens zijn dat vanwege de oorstukjes (of open aanpassing) de benodigde versterking niet gehaald wordt, kunnen de afsluitende karakteristieken van het oorstukje in kaart gebracht worden. Om het effect van het oorstukje te meten, kunnen de REAR, de REAG en de REIG ook gemeten worden met het hoortoestel in situ, maar uitgeschakeld. In dat geval hebben we het over de REOR, de REOG en de REOIG. De 'O' staat voor 'occluded' oftewel 'afgesloten'. De REOR vertelt ons dus wat het geluidniveau bij het trommelvlies is na plaatsing van het oorstukje en de REOG laat zien wat het verschil is tussen de REOR en het geluidniveau ter plaatse van de referentiemicrofoon. De REOIG vertelt ons wat de verandering in geluidniveau is ter plaatse van het trommelvlies ten gevolge van het plaatsen van het oorstukje.


Wanneer het om een open aanpassing gaat zal de REOIG nul zijn bij alle frequenties; m.a.w. een open aanpassing sluit akoestisch gezien niet af en daarom is de REOG gelijk aan de REUG. Aan het andere uiterste zit het goed op maat gemaakte, diepe oorstukje zonder venting waarbij ook onder de 500 Hz verzwakking plaatsvindt. Deze verzwakking kan oplopen tot ca. 30 dB bij 4kHz.

 


9.2.7.5(2). Individuele variatie bij volwassenen

De grootte van de uitwendige gehoorgang beïnvloedt in sterke mate de REUG. In Fif.5 is te zien dat de REUG sterk verschilt tussen volwassenen zonder otologische problemen. Vandaar dat bij meting van de REIG de REUG altijd individueel moeten worden gemeten. Bij een kleine gehoorgang, zoals voor jonge kinderen, ligt de gehoorgangresonantie bij een hogere frequentie dan bij een volwassene. Een voorbeeld van dit verschil is te zien in de REUG Fig.6.


Fig.5. De REUG gemeten bij 8 verschillende volwassenen. figuur ontleend aan Mueller, Probe Microphone Measurement (1992).


Fig.6. Voorbeeld van een open-oor responsie (REUG) bij een jong kind en bij een volwassene. Figuur ontleend aan Kevin Munro (2000).


 


9.2.7.6(2). Links

http://www.dhi-online.de/DhiNeu/Harten/doku/8-1.htm - website van het Deutsches Horgerate Institut (http://www.dhi-online.de - veel informatie)


Literatuur

  1. British Society of Audiology and British Academy of Audiology, Guidance on the use of real ear measurements to verify the fitting of digital signal processing hearing aids (2007).
  2. Dillon H. Hearing Aids (Chapter 4). Boomerang Press, Sydney – Thieme, Nw York, 2012.
  3. Mueller, Probe Microphone Measurement (1992)).
  4. Munro K. Fitting of amplification in infants. Presentation during ‘Communication 2000’, Nottingham 2000.
  5. Valente, M. Audiology Treatment (2000).

© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie