Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 9.3.1(2). Het aanpassen van een luchtgeleidingshoortoestel - Betrokkenen en Procedures
 Auteur: Kapteyn
 Revisie: januari 2008

Inhoud:

9.3.1.1(2). Inleiding

9.3.1.2(2). Wie zijn betrokken bij het aanpassen van een luchtgeleidingshoortoestel?

9.3.1.3(2). De proefperiode

9.3.1.4(2). Het evaluatiebezoek bij de voorschrijver

9.3.1.5(2). De aanvraag tot verstrekking


 

9.3.1.1(2). Inleiding

Een hoortoestel heeft als doel om bij een niet goed functionerend gehoor te komen tot een optimaal benutten van de nog bestaande mogelijkheden om geluiden te kunnen horen en het eraan toekennen van de juiste waarde en betekenis. Het gaat dus om het horen van geluiden en verstaan in de ruimste zin van dat woord. Deze doelstelling vereist inzicht in de door de slechthorende ervaren beperking van het kunnen horen, in de werking van het gehoororgaan, in de fysica van geluid en akoestiek, in de diverse aspecten van geluidswaarneming en uiteraard ook in de mogelijkheden die een hoortoestel kan bieden in de desbetreffende situatie. Kortom er zijn veel factoren van invloed op het al of niet succesvol zijn van het aanpassen van een hoortoestel.


  • In dit Hfdst.9.3.1 wordt stil gestaan bij de procedure van het aanpassen en de diverse instanties die daarbij betrokken zijn
  • In Hfdst.9.3.2 wordt ingegaan op de gegevens die van belang zijn in de aanpasprocedure.
  • In Hfdst.9.3.3 volgt een bespreking van de overwegingen die tot een keus van een geschikt toestel leiden.
  • In Hfdst.9.3.4 worden methoden besproken waarmee beoordeeld kan worden of de aanpassing als goed kan worden aangemerkt.
  • In Hfdst.9.3.5 wordt een enquête gepresenteerd waarmee na enige tijd het resultaat van de aanpassing kan worden gemeten.

De aanpassing van een hoortoestel is een proces dat gericht is op het zo goed mogelijk helpen van de desbetreffende persoon met klachten over niet goed horen. Daarbij zijn verschillende instanties betrokken. Het voorschrijven van een hoortoestel impliceert dat de voorschrijver de verantwoordelijkheid op zich neemt voor het gehele proces. Dit houdt ook een bescherming in van de slechthorende tegen de aanpassing van onnodig kostbare of niet effectieve hoortoestellen. Een hoortoestelaanpassing dient dan ook vooraf gegaan te worden door een goede indicatiestelling. Daarvoor is allereerst een otologisch en audiometrisch diagnostisch onderzoek vereist. Daarnaast dient het bereikte resultaat van de aanpassing na een gebruiksperiode deskundig beoordeeld te worden, om na te gaan of het hoogst bereikbare op aanvaardbare wijze is benaderd. Het kan zijn dat met een andere instelling van het toegepaste toestel of meteen ander toestel mogelijk een gunstiger resultaat bereikt kan worden. Ook kan het zijn dat naast het goed gekozen toestel toch nog wel aanvullende hulp gewenst is. Bij dit alles speelt de overweging dat het geselecteerde toestel wel een aantal jaren voor de slechthorende van nut moet zijn, ook als het gehoor mogelijk enigszins slechter wordt in die periode De voorschrijver stuurt dus de aanpassing en evalueert het bereikte resultaat na de periode waarin de slechthorende het gekozen toestel mag uitproberen in zijn dagelijkse leefsituatie, de proefperiode. Als dan het resultaat van de revalidatie als voldoende beoordeeld wordt door de voorschrijver aanvaardt hij of zij in feite de verantwoordelijkheid voor een effectieve hulpverlening voor de periode waarin de hulpmiddelen geacht worden te functioneren, dat is rond 5 jaar. In het selectieproces zijn veel deskundigen betrokken en spelen veel factoren en overwegingen een rol.


Het moge duidelijk zijn dat, om een geschikt hoortoestel te kunnen kiezen voor een niet goed functionerend oor allereerst informatie beschikbaar moet zijn over de relevante eigenschappen van het te ondersteunen oor. Daarnaast moeten er informatie zijn betreffende de leefsituatie en de omstandigheden waarin de beperkingen van het kunnen horen tot problemen leidt. Dan komt de vraag aan de orde wat de relevante eigenschappen zijn die hoortoestellen moeten hebben om met kans op succes toegepast te worden om de beperkingen van het onderhavige gehoor zo goed mogelijk te ondervangen. Bij het bespreken van de hoortoestelaanpassing ligt het voor de hand eerst na te gaan wie daar bij betrokken (kunnen) zijn. In feite is het een activiteit die primair ligt binnen het specialisme van de KNO-arts en die geconcretiseerd dient te worden in overleg en in een goed samenwerkingsverband tussen huisarts, KNO-arts, de hoortoestellenwinkel (dat is de audicien) en eventueel het regionale Audiologisch Centrum.

 


9.3.1.2(2). Wie zijn betrokken bij het aanpassen van een luchtgeleidingshoortoestel?

Het ligt voor de hand de slechthorende als eerste te noemen. Immers om hem of haar draait de hele activiteit. Veelal zijn het echtgenoten, gezins- of familieleden die aansporen aandacht te besteden aan het niet zo goed horen en reageren op geluiden. Zij zouden op de tweede plaats kunnen komen. Wie van de mogelijke hulpverleners als eerste benaderd wordt is afhankelijk van de beperking die ervaren wordt en de klachten die bestaan. In feite gaat het om een zintuig dat niet goed lijkt te functioneren en dan ligt het voor de hand de huisarts als eerste te consulteren. Echter, vaak vraagt de persoon in kwestie zich af of er wel terecht aan zijn of haar gehoor getwijfeld wordt. Immers veel geluiden worden toch nog goed gehoord? In die situatie is het verleidelijk even in een hoortoestellenwinkel binnen te lopen en de audicien te vragen een hoortestje af te nemen. Als dat dan niet goed uitvalt zal vaak het advies gegeven worden toch naar het spreekuur van de huisarts te gaan, waarschijnlijk met het meenemen van het resultaat van de verrichte gehoormeting.


De rol van de huisarts

Uit onderzoek is gebleken dat niet alle huisartsen duidelijk weten wat zij met klachten over slechthorendheid aan moeten. Vaak worden de klachten wat gebagatelliseerd, met name bij ouderen. Hierbij speelt mee dat een aantal jaren geleden de hoorhulpmiddelen nog al eens een teleurstellend resultaat opleverden. In stille situaties ging het nog wel zonder versterking en in gezelschap en rumoeriger situaties leverde het meer hinder dan voordeel. De huisarts kon dus wat sceptisch zijn over het te bereiken effect. De hoortoestellen zijn inmiddels sterk verbeterd. Wanneer de huisarts werkt volgens een gestructureerd handelingsschema, bestaande uit het afnemen van een gerichte anamnese, het verrichten van een eenvoudig audiologisch onderzoek en het stellen van een indicatie voor het gaan proberen van een hoortoestel, blijkt met de inzet van de deskundige audicien vaak een significante verbetering te behalen. Een onderzoek heeft aangetoond dat de motivatie om een hoortoestel te gaan proberen enorm versterkt kan worden als de huisarts met een korte demonstratie laat horen welke verbetering met een eenvoudig geluidversterkend apparaat kan worden bereikt. Een dergelijke stimulerende ondersteuning van de huisarts kan enerzijds de samenwerking met de KNO-arts bevorderen, maar kan anderzijds ook leiden tot een samenwerking tussen huisarts en audicien buiten de KNO-arts om. Deze tweede mogelijkheid kan op het eerste gezicht aantrekkelijk lijken (eenvoudiger en voor de Zorgverzekeraar goedkoper). Op deze wijze wordt echter de specifieke deskundigheid van de KNO-arts niet benut en dat is niet altijd in het belang van de slechthorende.


De rol van de KNO-arts

Als de slechthorende, met de anamnestische gegevens, door de huisarts naar de KNO-arts is verwezen zal een uitdieping van de gegevens met otologisch en audiologisch onderzoek plaats hebben. Daarna kan een handelingsplan opgesteld worden. De eerste vraag is of het gehoor inderdaad zo verminderd is dat er maatregelen getroffen moeten worden. Is dat het geval dan is de vraag waar de oorzaak gesitueerd is. Anders gezegd: kan het gehoor verbeterd worden door een behandeling of operatie of moet de verbetering gezocht worden in een aanpassing van het geluidsaanbod aan het niet goed functionerende oor (of oren). In het laatste geval zal een hoortoestel ter sprake komen.


Wanneer de KNO-arts tot de conclusie komt dat er een indicatie bestaat voor de aanpassing van een hoortoestel kan hiertoe op verschillende wijzen worden overgegaan. De aanpassing kan in de eigen praktijk verricht worden in samenwerking met de audicien. Een tweede mogelijkheid is dat de hoortoestelaanpassing, als onderdeel van de hoorrevalidatie, wordt overgedragen aan een Audiologisch Centrum. Voor jongeren onder de 16 jaar is dit laatste in de regelgeving de aangewezen weg.


Bij de voorlichting over hoortoestellen kan de aanwezigheid van de partner of een familielid van de patiënt kan heel nuttig zijn. De patiënt kan door het wat gespannen zijn en het niet goed horen delen van de informatie missen. Bovendien is het voor het opstellen van het handelingsplan belangrijk informatie te hebben over de situaties waarin het gehoor te kort schiet en de akoestische omstandigheden waarin dat optreedt, alsook over beroep, werksituatie, hobby's en vrijetijdsbesteding en vooral ook bij ouderen de mate waarin gewenste sociale contacten ook gerealiseerd worden. Kortom in welke leefsituatie en met welke intenties zal de geluidsaanpassing toegepast worden en welk resultaat mag verwacht worden.


Op grond van de aldus verkregen informatie zal de KNO arts in samenspraak met de slechthorende tot een beleidsbeslissing komen. Dit kan een proefaanpassing van een hoortoestel zijn. Omdat er heel veel verschillende toestellen zijn moet er een keuze gemaakt worden. De keuze kan gedeeltelijk op de audiometrische gegevens gebaseerd zijn, maar ook de voorkeur van de slechthorende zal mede bepalend zijn. Wanneer de slechthorende nog geen ervaring heeft met een toestel is het verstandig systematisch te werk te gaan. Het is nuttig als de voorschrijver de slechthorende al in een vroeg stadium een hoortoestel laat beluisteren dat, gezien de karakteristieken van het te ondersteunen oor (het toonaudiogram en het spraakaudiogram), een goede aanpassing van het geluid kan bieden. Dan kan het effect van de versterking van het geluid ervaren worden. In feite leveren de op dat moment beschikbare (meet)gegevens betreffende de mate van slechthorendheid en de geschetste leefsituatie echter niet de informatie die voldoende is om te bepalen welke instelling van welk toestel het meest geschikt is. Er zijn namelijk vrij veel verschillende toestellen die allemaal sterk verschillend kunnen worden ingesteld (geprogrammeerd). In dit selectieproces spelen niet alleen de gegevens over het niet goed functionerende oor een rol. Ook de hier boven al genoemde factoren als de leef- en werksituatie waarin het toestel gebruikt zal worden (zoals akoestiek van de ruimten, lawaai, stemmen van de gezinsleden) maar ook de bedienbaarheid van het toestel, de zichtbaarheid en de kwaliteit van het geluid dat het toestel produceert zijn van belang. Afgezien van dit alles blijft het centrale punt de motivatie van de slechthorende om het toestel (of de twee toestellen) te gaan gebruiken. Hoe gunstiger een eerste ervaring is hoe beter het gewenningsproces zal verlopen.


In de Nederlandse voorschrijfprocedure krijgt de slechthorende de gelegenheid om op voorschrift van de voorschrijver en via de hoortoestellen winkel ( de audicien) de geadviseerde hoortoestellen ter enige weken te proberen. Dit noemt men de proefperiode. Om de audicien in staat te stellen in de revalidatie mee te denken is het nuttig dat de voorschrijver het recept voor een omschreven toestel vergezeld te doen gaan van de relevante audiometrische gegevens en de omstandigheden waarin het toestel ondersteuning moet bieden. In goed overleg kunnen dan desgewenst afspraken gemaakt worden over de begeleiding tijdens de proefperiode waarin de slechthorende ervaring opdoet met het voorgeschreven toestel.


De rol van het Audiologisch Centrum

Een Audiologisch Centrum is een instelling voor diagnostiek en revalidatie bij klachten over niet goed horen en de gevolgen daarvan. Deze instelling heeft een team van medewerkers die uit verschillende disciplines afkomstig zijn. In het document waarin de erkenning van een Audiologisch Centrum is vastgelegd staat een minimale bezetting van het team aangegeven: een medicus, een psycholoog of orthopedagoog, een logopedist, een fysicus-audioloog, een maatschappelijk werkende en een technisch ondersteuner.


Het inschakelen van een Audiologisch Centrum is voor bepaalde patiëntengroepen geïndiceerd:


  • Allereerst geldt dit voor kinderen tot de leeftijd van 16 jaar. Deze regel is vastgesteld omdat bij kinderen mede aandacht besteed dient te worden aan de gevolgen die de slechthorendheid kan hebben op zowel de cognitieve als de sociaal-emotionele ontwikkeling. De regel dat de basisvergoeding voor een hoortoestel door de Zorgverzekeraar slechts verstrekt wordt als het hoortoestel is aangepast door een Audiologisch Centrum is hierop gebaseerd.

  • In gevallen van gecompliceerde problemen ten gevolge van slechthorendheid of doofheid dan wel maatschappelijke knelpuntsituaties is het Audiologisch Centrum de aangewezen instantie om ingeschakeld te worden. Dit geldt zeker voor patiënten met een plotselinge doofheid in één of beide oren, wanneer medicamenteuze behandeling geen of slecht gedeeltelijk effect heeft. Ook een verworven éénzijdige doofheid betekent vaak een zeer ernstige handicap voor het dagelijks functioneren, zeker in rumoerige situaties.


Het zondermeer verwijzen naar een Audiologisch Centrum van slechthorenden bij wie geen operatieve of medicamenteuze therapie mogelijk is lijkt echter niet gewenst. Voor een groot deel van het grote en nog groeiende aantal oudere slechthorenden die hoorklachten krijgen is een verwijzing lastig omdat de afstand naar het dichtstbijzijnde centrum toch groot kan zijn en ook kostbaar. In veel regio's verloopt de verwijzing van huisarts naar KNO-arts en zo nodig daarna naar een Audiologisch Centrum in een samenwerkingsverband op soepele wijze en in goede harmonie.


Wat betreft het voorschrijven van een hoortoestel verloopt de procedure binnen een Audiologisch Centrum in grote lijnen overeenkomstig, maar wel uitgebreider en gedetailleerder dan die bij de KNO-arts. Er zijn meer faciliteiten om het gehoorverlies met meer onderzoekmethoden gedetailleerd te meten. In geval van psychosociale problematiek zijn deskundige teamleden beschikbaar voor onderzoek en advies en bemiddeling. Dat geldt voor gezinssituaties bij baby’s en kleuters en ook bij problemen in school- en werksituaties. De geselecteerde hoortoestellen worden via een voorschrift door de audicien verstrekt. Na de proefperiode wordt het bereikte resultaat geëvalueerd met gesprekken en metingen alvorens het besluit tot verstrekken wordt genomen.


De rol van de audicien

Op grond van een aantal overwegingen komt de voorschrijver (KNO-arts of Audiologisch Centrum) tot een voorstel om een hoortoestel te laten proberen. Voor dit toestel wordt een recept of voorschrift uitgeschreven waarmee de slechthorende naar de hoortoestellenwinkel, de audicien, gaat. Bij een verantwoorde aanpassing dient de voorschrijver in het recept aanwijzingen te geven of het om één oor (en welk dan) of om beide oren gaat welk toestel wordt voorgesteld met een aangegeven instelling. Het aangeven van de knelpunten in de geluidscommunicatie is ook gewenst. Daarnaast kunnen eventuele aanwijzingen gegeven worden betreffende het door de audicien te maken oorstukje. Dit oorstukje moet in de eerste plaats het toestel aan het oor verankeren maar heeft ook belangrijke invloed op de geluidsweergave. Het is dus een heel belangrijk onderdeel en kan een grote invloed hebben op het verloop van het aanpassingsproces.


Uit het voorgaande zou afgeleid kunnen worden dat de audicien altijd werkt op grond van een voorschrift van een voorschrijver. Dit was enkele jaren geleden inderdaad het geval maar sinds 1 januari 2003 is dat veranderd. In een breed overleg tussen alle organisaties van belanghebbenden is besproken op welke wijze de verstrekking van hoortoestellen aan efficiëntie zou kunnen winnen. Dat heeft geresulteerd in het besluit dat de audicien twee categorieën slechthorenden zelfstandig, zonder voorschrift van KNO-arts of Audiologisch Centrum een hoortoestel mag aanpassen. Dat betreft slechthorenden ouder dan 16 jaar die al eerder een hoortoestel verstrekt hebben gekregen en bij wie het gehoor niet gewijzigd is.


De tweede categorie betreft de ouderen boven de 70 jaar die in beide oren een zelfde gehoorverlies hebben (een symmetrisch gehoorverlies) dat past bij de leeftijd en dus als ouderdomsslechthorendheid kan worden aangemerkt. Bij slechthorenden die in deze twee categorieën vallen mag de audicien dus na het gehoor te hebben gemeten een hoortoestel aanpassen. Voor beide categorieën geldt echter dat als tijdens het onderzoek blijkt dat het gehoor wel veranderd is of dat er otologische klachten zijn (bijvoorbeeld vocht in de oren, oorsuizen, duizeligheid) wel verwezen moet worden naar een arts alvorens verder gegaan mag worden met de aanpassing.


Als tijdens de aanpassing blijkt dat de cliënt jonger is dan 16 jaar of dat er ernstige communicatie beperkingen zijn (bijvoorbeeld een heel slecht spraakverstaan, een gehoorverlies groter dan 80 dB, of een heel slecht gemotiveerd zijn om iets aan de slechthorendheid te doen) is een verwijzing naar een Audiologisch Centrum voorgeschreven alvorens met de aanpassing verder mag worden gegaan. Als er geen bijzonderheden zijn en de aanpassing tot goed resultaat leidt mag de audicien, na de proefperiode, in overleg met de cliënt, het toestel als verstrekking bij de ziektekostenverzekering aanvragen zoals in het vervolg van dit hoofdstuk wordt besproken.


Deze zogenaamde deregulering van het voorschrijven van hoortoestellen heeft tot een belangrijke uitbreiding van werkzaamheden en bevoegdheden van de audicien geleid. Het zelfstandig mogen aanpassen en als verstrekking aanvragen van hoortoestellen heeft wel implicaties. Immers om zelfstandig te kunnen aanpassen is het een vereiste dat eerst een goede meting van het gehoor wordt uitgevoerd, een activiteit die tot dan toe niet als taak van de audicien maar van de voorschrijver werd beschouw. De instrumentatie en de vaardigheden daarvoor moeten nu dus aanwezig zijn. In de voorgaande periode waren die meestal welaanwezig maar zonder dat het een expliciete vereiste was. Ook voor de eindcontrole na de proefperiode moeten nu voorzieningen aanwezig zijn. Een en ander heeft er toe geleid dat er voor de audiciens een verplichte nascholing is georganiseerd die met een examen is afgesloten.


De zorgverzekeraar

In het geheel van de hoortoestel verstrekking speelt de zorgverzekeraar een invloedrijke rol. Als het resultaat van de aanpassing aan de maatstaven van voorschrijver en cliënt voldoet kan het toestel of de toestellen als verstrekking aangevraagd worden bij de zorgverzekering. Er zijn dan vastgestelde regels om het resultaat te beoordelen dat bereikt wordt met het toepassen van een of twee hoortoestel(len). Het verstaan van met normale sterkte gesproken spraak (55dB SPL) in rustige situaties moet met toepassing van één toestel minstens 20% en met een tweede toestel minstens nog eens 10% extra beter worden. Bij toepassing van twee toestellen kan ook herstel van het richtinghoren tot goede lokalisatie binnen 45 graden geëist worden. Deze meetgegevens moet de audicien bij de aanvraag meesturen.


Als aan deze voorwaarden voldaan is en een vorige verstrekking óf niet óf tenminste vijf jaar geleden heeft plaatsgehad, heeft de slechthorende recht op een basisvergoeding. Maar voor het geven van een extra bijdrage in de aanschafkosten kan elke zorgverzekering eigen gedragsregels stellen. Dat geldt ook voor extra hulpmiddelen.


Een knelpunt blijft de vergoeding bij het aanvragen van twee hoortoestellen. Dit is heel opmerkelijk omdat uit onderzoek gebleken is dat de meest hinderlijke van de vijf factoren waarmee de beperkingen door slechthorendheid zijn te karakteriseren (Hfdst.7.5.2(2), Par.3 en Hfdst 1.1.4(1) juist direct te maken hebben met een niet goed functioneren van het twee-orig zijn. Het gaat dan om verstaan in rumoer en richtinghoren. Het blijkt dat de ene verzekeraar gunstiger beslist dan de andere maar dat kan premieafhankelijk zijn.

 


9.3.1.3(2). De proefperiode

De beoordeling van het effect van het toestel door de slechthorende kan in de eigen leefsituatie plaats vinden. Daarvoor krijgt de slechthorende het geselecteerde toestel (of toestellen) voor een paar weken van de audicien ter beschikking gedurende de zogenaamde proefperiode. Als het niet goed bevalt kan het worden bijgesteld of omgewisseld. Als dat alles niet tot tevredenheid leidt mag het zonder kosten worden teruggegeven. Dit is een vrij unieke situatie in Nederland. Het behoeft geen betoog dat het zakelijk gezien voor de audicien niet een onverdeeld gunstige faciliteit is. Voor de slechthorende is het echter wel buitengewoon waardevol. Dank zij deze periode is het mogelijk om ervaring op te doen in de gebruikssituatie om zo tot een goede beoordeling te komen van de verbeteringen die er door verkregen worden. Het is dus zaak zorgvuldig met deze faciliteit om te gaan.


Hierbij speelt dat de audicien in - financiële - moeilijkheden komt als de proefperiode te lang wordt uitgerekt. Na een periode van enkele weken kan een niet verkocht toestel nog wel aan de fabrikant of de importeur geretourneerd worden, maar na langere tijd niet meer. Wel dient bedacht dat een door de audicien op proef verstrekt toestel niet valt onder de WA-verzekering van de gebruiker en dat het dus verstandig kan zijn het toestel tijdens de proefperiode te verzekeren tegen verlies en diefstal. Bij omruilen van een toestel zal dat waarschijnlijk opnieuw verzekerd moeten worden. Voor het in stand houden van deze mogelijkheid een toestel, zonder verplichting tot aankoop, enige tijd te proberen moet zorgvuldig met de waardevolle proefperiode omgegaan worden.


De audicien gaat aan het begin van de proefperiode met de slechthorende oefenen om het op maat gemaakte oorstukje soepel in het oor aan te brengen. Tevens wordt de bediening van het toestel uitgelegd. Tijdens de proefperiode is de audicien het eerste aanspreekpunt indien er problemen ontstaan rondom het gebruik van het toestel. In dit stadium zijn goede kontakten tussen voorschrijver en audicien(s) heel belangrijk. De audicien kan dan, bij vragen of moeilijkheden ruggespraak hebben met de voorschrijver en een oplossing verzorgen.

 


9.3.1.4(2). Het evaluatiebezoek bij de voorschrijver

De proefperiode wordt afgesloten met een evaluatiegesprek bij de voorschrijver. Op grond van de ervaringen zal de toesteldrager kunnen beoordelen in welke mate het toestel aan de verwachtingen heeft voldaan. De voorschrijver dient zich ervan te vergewissen dat het bereikte resultaat inderdaad het niveau heeft dat op grond van de otologische, audiologische en andere informatie als haalbaar aangemerkt kan worden. Wanneer de slechthorende niet tevreden is hoeft dit niet in te houden dat met een ander toestel een beter resultaat bereikt kan worden. De voorschrijver moet goed luisteren en op grond van kennis en ervaring kiezen uit de volgende mogelijkheden:


  • Een proef met een meer geschikt toestel laten nemen
  • Een realistischer verwachtingspatroon bij de slechthorende tot stand brengen
  • Eventueel andere hulpverleners inschakelen om aanvullende vormen van revalidatie aan te reiken.

Als er essentiële wijzigingen worden doorgevoerd betreffende het in de proefperiode beoordeelde toestel dient, na een vervolgproefperiode, opnieuw een evaluatie door de voorschrijver plaats te vinden. Een vereiste verfijning van de aanpassing kan complex en tijdrovend zijn. Hier spelen de deskundigheid en ervaring van de voorschrijver en de audicien, maar ook de ervaring van de patiënt een grote rol. Wanneer de klachten van de patiënt voortduren en niet goed te plaatsen zijn, verdient het aanbeveling het Audiologisch Centrum in de regio te consulteren. Wanneer de resultaten wel optimaal zijn, maar toch mager, en de geluidscommunicatie moeizaam blijft verlopen, dient overwogen te worden of andere hulpmiddelen of methoden extra hulp en ondersteuning kunnen bieden. Communicatietraining, spraakafzien en/of aanvullende technische hulpmiddelen kunnen goede aanvulling geven op de beperkte herkenning van spraak. Voor aanvullende training en begeleidingsactiviteiten kan eveneens het Audiologisch Centrum benaderd worden.

 


9.3.1.5(2). De aanvraag tot verstrekking

Als de proefperiode of achtereenvolgende proefperioden tot een resultaat geleid heeft waar zowel slechthorende als de audicien als de voorschrijver tevreden over zijn wordt de patiënt geadviseerd over te gaan tot aanschaf van het benutte toestel. De Zorgverzekeraar van de patiënt vraagt dan een verklaring van de voorschrijver dat het toestel het (meest) geschikte is, alvorens een deel van de aanschaf kosten te vergoeden. Met het uitschrijven van deze verklaring neemt de voorschrijver de verantwoordelijkheid voor het bereikte revalidatieresultaat op zich. De voorschrijver dient op de hoogte te zijn van de geldende vergoedingsregels. Deze regels verschillen soms aanzienlijk per regio en zorgverzekeraar. De aanvraag wordt via de audicien ingediend.


Het is goed met de patiënt afspraken te maken over stappen die kunnen worden ondernomen als er na aanschaf toch problemen optreden rondom het gehoor en/of het hoortoestel. Medische zaken horen thuis bij de KNO-arts of de huisarts, technische problemen horen uiteraard in eerste instantie thuis bij de audicien. Het is nuttig dit met de toesteldrager te bespreken want veel slechthorenden durven niet bij herhaling naar de audicien te gaan omdat zij soms het idee krijgen dat zij lastig of dom gevonden worden. De kwaliteitsbewaking van de revalidatie blijft primair de taak van de voorschrijver.


© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie