Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 9.8.2(2). Werken met groepen
 Auteur: Agaath Dondorp
 Revisie: januari 2010

(Maatschappelijk werkende, tot 2008 werkzaam in het Audiologisch Centrum van het VU Medisch Centrum , Amsterdam).


Inhoud:

9.8.2.1(2). Inleiding

9.8.2.2(2). De voorbereiding

9.8.2.3(2). De uitvoering

9.8.2.4(2). De evaluatie

9.8.2.5(2). Bijlage 1: Stellingen en vragen voor groepsdiscussies

9.8.2.6(2). Bijlage 2: Extra stellingen en vragen

 

9.8.2.1(2). Inleiding

Het werken met groepen is in de hulpverlening één van de methoden bij het oplossen van ervaren problemen. Ten opzichte van de individuele begeleiding heeft groepswerk meerwaarde. Die bestaat uit de gezamenlijkheid, het leren van elkaar, het gevoel er niet alleen voor te staan en lotgenotencontact. Het is een misverstand om te denken dat groepswerk alleen bestaat uit het samenroepen van een aantal mensen met hetzelfde probleem.


Kennis over groepsprocessen is noodzakelijk om de meerwaarde ervan ten volle tot uiting te laten komen. Goede communicatie is één van de belangrijkste instrumenten in groepswerk. Daarom is additionele kennis over slechthorendheid noodzakelijk wanneer het gaat om begeleiding van mensen met een gehoorverlies.


Er zijn drie onderdelen te onderscheiden:


  1. De voorbereiding
  2. De uitvoering
  3. De evaluatie

 


9.8.2.2(2). De voorbereiding

Vaak wordt te lichtvaardig over de voorbereiding gedacht en beknibbelt men op dit element. Echter, een goede voorbereiding is essentieel. Het vergroot de kans aanzienlijk dat het gestelde doel bereikt wordt en het voorkomt teleurstelling bij zowel de leiding als de deelnemers. Het is noodzakelijk dat de initiatiefnemers met elkaar nadenken en afspraken maken over alle stappen die gezet moeten worden. Hieronder worden die uitgebreid beschreven.


Te zetten stappen


Doel
Allereerst moet voor zowel de leiding als de deelnemers duidelijk zijn wat het doel van de groep is. Dat is de richtlijn voor iedereen die aan het groepsproces deelneemt. Het doel is mede bepalend voor het type groep dat gestart zal worden. Gaat het bijvoorbeeld om een ‘leergroep’, een ‘praatgroep’ of een ‘zelfhulpgroep’?


Leiding
Idealiter bestaat de leiding van een groep uit twee personen. De ene zorgt ervoor dat alle geplande onderwerpen aan de orde komen en de andere persoon houdt het groepsproces in de gaten. Op die manier kan het beste nagegaan worden of iedereen alles volgt (vooral belangrijk als de groep uit slechthorenden bestaat), of tijdens de discussie alle deelnemers aan bod komen en of men zich aan de tijd houdt. De groepsleiders moeten elkaar goed kennen en goed op elkaar ingespeeld zijn om aan een half woord genoeg te hebben.


De rol van de leidinggevende kan wisselen gedurende de bijeenkomst. Het is overigens belangrijk om te beseffen dat de professie en ervaring van de groepsleiders mede bepalend zijn voor het leerproces en het resultaat. Een logopedist legt andere accenten dan bijvoorbeeld een maatschappelijk werker en bekijkt het probleem vanuit een andere invalshoek. Een groep die geleid wordt door vrijwilligers zal weer een andere uitkomst hebben. Hiermee wordt niet gezegd dat de ene combinatie beter is dan de andere, maar het is belangrijk om van tevoren te bepalen welke personen als leiding passen bij het doel van de groep.


Locatie
In wat voor ruimte komen de deelnemers bijeen? Met name voor slechthorenden geldt dat de ruimte akoestisch gunstig moet zijn: geen omgevingslawaai of hinderlijke galm. Verder is het nodig dat de groepsleden elkaar en de leiding kunnen zien. Een ronde tafel of tafels in U-vorm is daarom aan te bevelen.


Voorzieningen
In een situatie waarin veel personen door elkaar praten hebben slechthorenden moeite met het verstaan. Het is dan ook belangrijk dat er in elk geval tijdens de bijeenkomst een ringleiding c.q. vergaderset beschikbaar is. Daarnaast is een overheadprojector of flap-over handig om informatie op de schrijven. Uiteraard kan het ook met een power point presentatie maar dat al heel snel minder interactief. Informatie over de groep moet zoveel mogelijk van te voren op papier staan, zo ook het programma per keer. Omdat namen door slechthorenden vaak moeilijk verstaan worden, zijn naambordjes handig. Ook kan er een lijst met namen gemaakt worden. Eén van de twee leiders zou kunnen opschrijven als iets niet gehoord is.


Aantal
Hoe groter de groep, hoe moeilijker de interactie tussen de personen zal zijn. Voor slechthorenden geldt daarnaast nog dat het verstaan in een grotere groep erg lastig is. Het is dus belangrijk om de groep niet te groot te laten worden. Het meest voor de hand liggend is een aantal tussen de 8 en 12 personen, afhankelijk van het doel van de groep. In een leergroep zal bijvoorbeeld onderling minder gesproken worden dan in een praatgroep. Is de leider zelf slechthorend dan is een kleinere groep (niet meer dan 8 personen) aan te bevelen.


Tijdstip en duur
Een groepsbijeenkomst duurt al gauw 1 à 2 uur. Voor slechthorenden is dit erg lang. Het is dus verstandig om een langere pauze in te lassen, om ‘hoorrust’ te geven. Wat het tijdstip betreft: het liefst niet te laat in de middag, omdat de energie dan vaak al verbruikt is. Het aantal bijeenkomsten kan verschillend zijn, afhankelijk van het groepsdoel en het type groep. Meestal ligt dat tussen 6 en 12 keer.


Soorten groepen
Zodra het doel van de groep bepaald is, kan besloten worden welk soort groep het meest geschikt is om het gekozen doel te bereiken. De volgende drie soorten groepen zijn mogelijk:


1. Gesloten groep
In een gesloten groep is er een duidelijk begin en eind. De deelnemers committeren zich daaraan en komen naar alle bijeenkomsten.


2. Open groep
In een open groep ligt het aantal deelnemers niet vast. Er kunnen gemakkelijk personen aanschuiven en het is geen bezwaar als er mensen uitvallen.


3. Estafette groep
Een estafettegroep is een tussenvariant. Tijdens alle bijeenkomsten is er dezelfde leiding (een vaste kern), terwijl de deelnemers tussentijds op vaste momenten kunnen uitstappen en instappen. Er is dan sprake van een cyclisch programma en doorstroom. Uiteraard gebeurt dat wel in overleg met de leiding. Het voordeel van zo’n groep is dat de kennis en ervaring mede door groepsleden wordt doorgegeven. Op die manier wordt duidelijk hoe mensen een groeiproces doormaken.


Samenstelling van een groep
Afhankelijk van het doel, moet er van te voren nagedacht zijn over de selectiecriteria van de deelnemers. De volgende items zijn van belang:


Leeftijd
Iedere leeftijdsfase kent een eigen belevingswereld. Het is daarom van belang dat er niet te veel verschil zit in de leeftijd van de deelnemers.


Vrouwen/mannen
Het gedrag van mannen en vrouwen in groepen verschilt. Vrouwen hebben veelal behoefte aan het uitwisselen van ervaringen, terwijl mannen vaak meer resultaat gericht zijn. In een praatgroep of zelfhulpgroep heeft een min of meer gelijke verdeling van mannen en vrouwen de voorkeur, omdat beide partijen dan voldoende aan bod kunnen komen.


Gehoor
Er is een verschil in beleving van het slechthorend zijn tussen mensen die doof/ slechthorend zijn geboren en mensen die op latere leeftijd slechthorend/doof zijn geworden. Het is belangrijk om hiermee rekening te houden. Tevens is het relevant om te weten of mensen nét slechthorend/doof geworden zijn of al langer slecht horen. In het eerste geval bevinden de mensen zich veelal nog in de verwerkingsfase. In het tweede geval hebben de betrokkenen vaak al een manier gevonden om met hun gehoorverlies om te gaan en hebben zij daar een evenwicht in gevonden.


 


9.8.2.3(2). De uitvoering

Intake
Na de uitgebreide voorbereidingen zoals hierboven beschreven, kan overgegaan worden tot de daadwerkelijk uitvoering. Allereerst is dan een uitgebreide intake onontbeerlijk. Bij voorkeur doet één van de twee leiders de intake zodat hij of zij de groepsleden kent vóórdat de groep start. Dit is belangrijk voor een goede samenstelling. Daarnaast kan men dan veel beter inspelen op wat er tijdens de bijeenkomst gebeurt.


Groepsfasen en groepsdynamica
In elke groep is een soort grondpatroon waar te nemen. Dat wordt groepsdynamica genoemd. Het is een groeiproces. In een groepsproces zijn vijf fasen te onderscheiden:


  • Fase 1 - Het voorstadium.
    Dit is de fase van de voorbereidingen, het kenbaar maken dat er een groep gestart zal worden, het versturen van uitnodigingen en de intake.


  • Fase 2 - Groepsvorming.
    Dit is de eerste ontmoeting van de individuen met de andere groepsleden en de leiding. Het is de fase van de kat uit de boom kijken, van verwachtingen, vragen, onzekerheden en angsten. In deze fase is de groep erg ‘leader-centered’. De rolpatronen beginnen zich te ontwikkelen.


  • Fase 3 - Integratie, desintegratie, conflict en herintegratie.
    Dit kan een moeilijke fase zijn. De rollen zijn wat verdeeld, iedereen heeft zijn plekje gevonden en tegelijkertijd kan de animo om in de groep te investeren afnemen. Mensen kunnen afhaken, omdat de groep niet biedt wat zij verwachtten. Het zondebokmechanisme kan optreden net als negatief gedrag. In deze fase is merkbaar of de groep goed is samengesteld.


  • Fase 4 - Fase van bestaan en voortbestaan
    Deze fase van bestaan en voortbestaan is het tijdstip waarop de groep zijn draai gevonden heeft. De groepscultuur wordt zichtbaar. Iedere groep heeft namelijk een eigen “groepscultuur”. Die wordt gekenmerkt door wat wel/niet in de groep thuishoort, bijvoorbeeld privé-aangelegenheden of moppen vertellen (de groepsnorm) en wat wel/niet aanvaardbaar is (acceptatie bijvoorbeeld of er wel/niet gehuild mag worden). Nu is het moment om te oogsten wat eerder gezaaid is. In deze fase durven de deelnemers ook hun emoties te tonen. Men wil ervaringen delen en men voelt zich vertrouwd en veilig.


  • Fase 5 - Afsluiting.
    De afsluiting vindt tijdens de laatste bijeenkomst plaats. Het is belangrijk om dit al tijdens eerdere bijeenkomsten te melden, zodat men zich hierop kan instellen. Juist als men zich prettig en veilig voelt en men het gevoel heeft veel aan de groep te hebben, kan het als moeilijk ervaren worden om te moeten stoppen. Vaak worden er uitwegen gezocht om verder te gaan. Veelgehoorde opmerkingen zijn dan: ’We zijn nog niet klaar.’, ‘Kunnen we nog een extra bijeenkomst hebben?’, ‘Is er een terugkomdag?’


    Dit is ook de fase dat mensen met elkaar afspraken maken of een zelfhulpgroepje opzetten. Het afscheid zelf kan op verschillende manieren plaatsvinden, zowel inhoudelijk als feestelijk. Een evaluatie door middel van bijvoorbeeld een enquête of een praatrondje is aan te bevelen. Het is voor de deelnemers goed hun zegje te doen en waardering of kritiek uit te spreken. Voor de leiding is het goed om te horen of er aanpassingen in een volgende groep nodig zijn.



Therapeutische factoren in een groep
In een groep worden andere dingen ervaren dan in een individueel hulpverleningscontact. De ‘therapeutische factoren’ in een groep zijn:


  • Het groepsgevoel (wij is meer dan ik)
  • Leren van elkaar, elkaar informatie geven
  • Iets voor een ander betekenen
  • Katharsis (het hart kunnen luchten)
  • Voorbeeldgedrag van anderen hebben
  • Zelfinzicht vergroten (spiegelen)
  • Hoop geven (zij kunnen het, dus ik ook)

Valkuilen
Conflicten in de groep kunnen desastreus zijn. Het kan gaan om één persoon die zich tegen de rest keert of tegen de leiding. Ook is het mogelijk dat er twee subgroepen ontstaan die afwisselend de aandacht vragen, eisen stellen en elkaar afkraken. Dit kan het groepsproces negatief beïnvloeden. Het is verstandig om dit direct aan te pakken. Een duo-leiding is in een conflictsituatie buitengewoon belangrijk.


Bij slechthorendheid kan het problemen hebben met het verstaan van spraak ertoe leiden dat er een groepslid uitvalt of extra aandacht opeist. Verder kunnen in een groep uitersten aanwezig zijn. Dat is een aandachtspunt voor de leiding. Voorbeelden zijn:


  • Praters versus zwijgers
  • Emotionelen versus rationelen
  • Betweters versus onzekeren
  • Afwachtenden versus dominant aanwezigen

Een zwijger kan het bijvoorbeeld erg benauwd krijgen als er plotseling een persoonlijke vraag gesteld wordt: ‘Wat vind jij daar nu van?’ Een prater die afgeremd moet worden, kan zich afgewezen voelen. Het is dus noodzakelijk dat de leider oog heeft voor zulke extremen. Eventueel kan iemand van te voren of na afloop attent gemaakt worden op zijn of haar gedrag.


Uitleg geven in de groep over het gehoorverlies is belangrijk. Het is voor de groep namelijk niet zichtbaar of iemand goed reageert op vragen omdat hij of zij niet zo slechthorend is, dan wel heel goed kan liplezen of aan een half woord genoeg heeft en heel goed compenseren kan. Bij het kennismakingsrondje zou dit aan de orde kunnen komen. Het kan ook als oefening gebruikt worden om ieder groepslid iets te laten vertellen over zijn of haar gehoorverlies.


Goede communicatie in de groep


Leiding in interactie met de groep
Zoals al vaker vermeld is goede communicatie in de groep belangrijk. Hieronder een aantal tips:


  • Probeer de communicatie niet alleen via de leider te laten verlopen, maar vooral via elkaar.
  • luister als leider goed naar hoe iets gezegd wordt en vermeld dat zo nodig naar de slechthorende groepsleden (voorbeeld: ‘Ik hoor dat je het erg boos zegt’)
  • Spreek af dat in de ik-vorm verteld wordt in de groep.
  • let op projecties en rationalisaties. Dit kan het groepsgesprek volkomen stilleggen.

Leiding als persoon
Van de leiding wordt veel verwacht! Hij of zij moet het groepsproces bewaken, maar ook ter plekke reageren op allerlei uiteenlopende situaties. De leiding kan kansen geven, uitlokken tot reageren, maar ook remmen. Het is belangrijk dat de leiding zich dat realiseert.


Ieder groepslid en iedere leiding brengt de eigen persoonlijkheid mee, eigen kennis en eigen ervaring. Hier mag ruimte voor zijn.


De basishouding van de leider is belangrijk. De juiste houding wordt gekenmerkt door acceptatie van de ander, empathie en objectiviteit. waardoor hij of zij in staat is te ondersteunen en te bemoedigen. In elk geval is het essentieel dat bij elke deelnemer het gevoel van eigenwaarde en veiligheid versterkt wordt.
Het is de taak van de leider om te verhelderen en samen te vatten. Met name in een groep  slechthorenden moet daar tijd voor zijn. Uiteraard is het noodzakelijk dat een groepsleider vaardig is in de communicatie, ook in de niet-verbale communicatie, en in staat is een verandering van gedrag op gang te brengen.
Andere taken zijn: orde scheppen, coördineren, tijd bewaken en zorgen dat het gestelde doel van de groep bereikt wordt. In alle gevallen moet voor iedereen duidelijk zijn wat de rollen zijn van de twee leiders.


 


9.8.2.4(2). De evaluatie

Het vergt tijd voordat een groep positieve winst oplevert. Het is daarom van belang dat de leiders samen per keer evalueren hoe het groepsproces verliep, met aandacht voor de fase daarin, de individuele personen, de wisselwerking tussen de groepsleden en de interactie tussen de leiding en de deelnemers. Verbeterpunten worden meteen opgeschreven en de volgende keer benut.


Aan het eind volgt de eindevaluatie met de deelnemers. Dit kan een gespreksonderwerp in de laatste bijeenkomst zijn en eventueel aangevuld worden met een individueel gesprek (als b.v. een groepslid vaak problemen veroorzaakte) of met een evaluatieformulier. Voordeel van een evaluatieformulier is dat de vragen dezelfde zijn en alle facetten van de groep aan de orde kunnen komen.  Dit helpt de leiding bij de organisatie van een volgende groep. Het kan bovendien gebruikt worden voor b.v. een onderzoek naar de meerwaarde van groepen. Daarnaast kan de leiding de evaluaties van de groepsbijeenkomsten samenvatten in een eindverslag voor de instelling.


 


9.8.2.5(2). Bijlage 1

Stellingen en vragen voor groepsdiscussies


  • Ik vind achtergrondmuziek in een café niet vervelend. Mensen gaan dan juist duidelijker spreken.

  • Ik luister graag naar de achtergrondmuziek als ik toch niets kan verstaan.

  • Alleen IK heb last van het geroezemoes in de kantine en ga dus liever niet mee lunchen.

  • Dat ik via een intercom niet goed kan verstaan, vind ik niet erg. Omdat veel meer mensen daar last van hebben, valt het niet op.

  • Een extra spiegel/bordje SH op mijn fiets geeft mij het gevoel erg gehandicapt te zijn.

  • Om goed voorbereid naar een informatiebijeenkomst te gaan zoek ik alvast informatie op via internet of in de bibliotheek.

  • Ik vind het prettig als ik weet dat iemand slechthorend is. Maar dan wil ik ook weten hoe ik het beste met deze persoon kan praten.

  • Ik vraag liever om herhaling dan dat ik moet zeggen dat ik slechthorend ben.

  • Als ik met mijn slechthorende man in een situatie ben waarin ook IK niet goed kan verstaan, zeg ik dat direct tegen hem.

  • Ik vind het niet prettig als iemand met veel mimiek en ondersteunende gebaren spreekt.

  • Mijn hand achter het oor doen is hinderlijk door het fluiten van het hoortoestel.

  • Een bril is geaccepteerd in onze maatschappij. Maar een bril is niet hetzelfde als een hoortoestel. Een bril is vaak een oplossing, een hoortoestel een hulpmiddel.

  • Ik vind het moeilijker om te zeggen dat ik slechthorend ben tegen iemand met wie ik belangrijk contact onderhoud/ga onderhouden, dan tegen zomaar iemand.

  • Mijn man en ik zijn beiden slechthorend. Toch maken wij ook nog fouten die het verstaan belemmeren.

  • Als een goedhorende aan mij vraagt of ik slechthorend ben, voel ik me gekwetst.

  • Als goedhorende vind ik de achtergrondmuziek tegenwoordig geen ACHTERGROND muziek meer.

  • Juist in achtergrondlawaai werkt de strategie hand achter het oor heel goed. Als ik tegen iemand zeg dat ik niet goed kan horen, word ik altijd vreemd aangekeken.

  • Ik loop niet met mijn slechthorendheid te koop.

  • Bij een vergadering bied ik altijd aan te notuleren, dan heb ik alles op papier.

  • Door mijn leeftijd denken de mensen eerder dat ik dement ben dan slechthorend.

  • Ik meld mijn slechthorendheid wel, maar ik vertik het om het te herhalen.

  • Als mijn partner mij niet heeft verstaan, herhaal ik wat ik heb gezegd in andere bewoordingen.

  • Ik voel me uitgelachen als er mensen in mijn nabijheid staan te lachen.

  • Van praten word ik minder moe dan van luisteren.

  • Als ik praat zorg ik dat ik niets voor mijn mond heb om het geluid niet te belemmeren.

  • Kaarslicht vind ik gezellig en is geen belemmering voor het verstaan. Ik kan toch niet liplezen.

  • Soms is de sfeer belangrijker dan de boodschap en is kaarslicht belangrijk. Gebaren leiden alleen maar af.

  • Ik vraag vaak of mijn gesprekspartner in korte zinnen wil praten. Dat kan ik makkelijker volgen.

  • In het verkeer draag ik mijn hoortoestel niet, omdat ik dan beter kan richtinghoren. In het café vraag ik altijd een nota, zodat ik kan lezen hoeveel ik moet betalen.

  • Ik heb altijd groot geld bij me om mee te betalen. Ik wacht dan af hoeveel ik terug krijg.

  • Als goedhorende partner stimuleerde ik mijn vrouw altijd meteen te zeggen dat ze slechthorend is. Nu ik zelf slechter ben gaan horen, ervaar ik hoe moeilijk het is. Ik kijk vaak eerst de kat uit de boom.

  • Op de schouder geklopt worden is prettig om te weten dat iemand iets wil zeggen. Maar toch vind ik het vervelend, omdat ik er altijd zo van schrik.


 


9.8.2.6(2). Bijlage 2

Extra stellingen en vragen (antwoorden motiveren)


1. Is achtergrondmuziek in een café vervelend?
      a. Nee, de mensen gaan dan juist duidelijker praten
      b. Nee, ik kan dat toch niet verstaan
      c. Ja, want de ander gaat harder en daardoor ook onduidelijker praten
      d. Ja, want het hindert bij het verstaan van wat de ander zegt


2. Als een goedhorende aan mij vraagt of ik slechthorend ben
      a. voel ik mij gekwetst / gefrustreerd
      b. voel ik mij begrepen
      c. voel ik mij gecorrigeerd
      d. voel ik mij geaccepteerd


3. Ik tracht te voorkomen om te moeten zeggen dat ik slechthorend ben,
      a. en doe liever of ik het wel verstaan heb
      b. en vraag liever om herhaling
      c. en knik wat en begin over iets anders
      d. en verontschuldig mij en loop weg


4. Bij het betalen in een winkel zonder kassa display
      a. heb ik altijd groot geld bij me
      b. gebruik ik altijd mijn pinpas
      c. vraag ik het bedrag op te schrijven
      d. vraag ik altijd eerst een nota


5. Bij een intiem feestje
      a. wil ik graag kaarslicht met luide muziek dan voel ik mij er bij horen en mis ik niets
      b. wil ik graag kaarslicht met zachte muziek want sfeer is belangrijker dan praten
      c. wil ik geen kaarslicht en geen muziek om de conversatie te kunnen volgen
      d. wil ik geen kaarslicht, wel zachte muziek om de sfeer en om te converseren


 

(Deze bijdrage staat als hoofdstuk 6 in de handleiding bij het videoprogramma ‘HOREN EN GEHOORD WORDEN, HOE KAN HET BETER’ van het VU medisch centrum)


 


© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie