Audiologieboek
Home  |   NVA  |   Print deze pagina  |    |     
 Titel: 9.8.4(2). Plaats AC Maatschappelijk Werk in de gezondheidszorg
 Auteur: Tromp, Kapteyn
 Revisie: januari 2010

Inhoud:

9.8.4.1(2). Inleiding

9.8.4.2(2). Medisch maatschappelijk werk, audiologisch maatschappelijk werk en de beroepsopleiding

9.8.4.3(2). Audiologisch maatschappelijk werk t.o.v. de positie in aanpalende instellingen

9.8.4.4(2). De maatschappelijk werker als onderdeel van het multidisciplinaire AC team

9.8.4.5(2). Conclusie

 

9.8.4.1(2). Inleiding

Na de opleiding tot maatschappelijk werker is een werkplek op zeer diverse werkterreinen mogelijk. Een van de sectoren is de gezondheidszorg waarin, binnen het medisch maatschappelijk werk, audiologie één van werkgebieden is. Op het eerste gezicht lijkt daar niets speciaals aan en dus kan men onbevangen starten. Echter, al snel zal gemerkt worden dat er in de audiologie situaties zijn, waaraan in de opleiding geen aandacht is besteed en waarop men niet is voorbereid.


Wat is er dan anders? Dat is het onderwerp van dit hoofdstuk.


Om te bespreken wat er anders is ligt het voor de hand eerst stil te staan bij de plaats van het maatschappelijk werk binnen de audiologie. Daarmee wordt dan ook de positie van de maatschappelijk werker in het team van het Audiologisch Centrum (AC) aan de orde gesteld. Als verschillen met het maatschappelijk werk in andere sectoren van de gezondheidszorg worden drie onderwerpen naar voren gebracht die nader besproken worden:


  • De klachten van patiënten binnen de audiologie zijn niet lichamelijk maar heel sterk communicatief van aard en de beroepsopleiding is niet gericht op de specifieke communicatieproblemen ten gevolge van een auditieve beperking.
  • Het maatschappelijk werk voor auditief beperkten moet interactie hebben met veel aanpalende instanties en steeds de eigen positie en verantwoordelijkheid in relatie tot die instanties onder ogen zien
  • Als onderdeel van een interdisciplinair team moet er een aanpassing aan andere disciplines zijn waarbij steeds de eigen plaats, de mogelijke inbreng en de eigen verantwoordelijkheid overwogen moeten worden

 


9.8.4.2(2). Medisch maatschappelijk werk, audiologisch maatschappelijk werk en de beroepsopleiding

Er is een belangrijk onderscheid tussen de problematiek van mensen met een auditieve beperking en mensen met lichamelijke ziekten. Mensen met een auditieve beperking zijn niet primair bezig met hun lijf. In veel gevallen speelt bij hen een medische behandeling geen grote rol. Hun primaire probleem is een sociaal probleem: het niet goed kunnen horen en daarmee een beperking in de communicatie. Voor een oplossing dáárvan gaan ze naar de KNO-arts of direct naar het Audiologisch Centrum. Als je als maatschappelijk werker bij binnenkomst van zo’n patiënt in de spreekkamer vraagt: ‘Zal ik uw jas even aannemen?’, dan kan het gebeuren dat daar niet op wordt gereageerd. Wordt dan bedacht dat het om een slechthorende gaat, dan is de neiging de vraag luider te herhalen. Dat kan vervolgens tot een verstoorde reactie leiden: ‘U hoeft niet te schreeuwen!’. Immers, veel slechthorenden zijn wel ongevoelig voor zachte geluiden maar tegelijk overgevoelig voor harde geluiden. Bovendien maakt hard praten het verstaan doorgaans niet beter. Geleerd zal moeten worden om, vóór het aanspreken, eerst de aandacht te trekken om oogcontact te krijgen en spraakafzien mogelijk te maken. Dat moet een tweede natuur worden.


Een gesprek met een slechthorende vlot vanwege de beperking ook niet altijd. Belangrijk is langzaam en duidelijk te praten. En dan nóg kan de reactie zijn: ‘Wat zegt u?’. Herhalen met de zelfde woorden kan dan nog niet zoveel verbetering geven; nuttiger is een andere formulering te gebruiken.


Een reactie van de patiënt kan een niet adequate zijn. Het kan zijn dat maar een deel van het gesprokene over is gekomen en dan blijkt uit het antwoord dat men wel de klok heeft horen luiden maar niet begreep waar de klepel hing. Zo’n gesprek schiet niet op; er vallen steeds breuken in. Het voeren van gesprekken met slechthorenden verloopt anders dan met patiënten op b.v. heelkunde of dermatologie. Aan die andere manier van gespreksvoering wordt in de opleiding geen aandacht besteed.


In de opleiding voor maatschappelijk werker is wel veel aandacht voor toepassing van communicatietheorieën en gesprekstechnieken, maar die communicatiemethoden moeten bij een auditieve beperking vaak aangepast worden. Bijvoorbeeld:


  1. In de opleiding wordt onderscheid gemaakt tussen verbale en non-verbale communicatie. Subtiele woordkeus of betekenisvolle intonatie is informatief bedoeld. Ze kunnen een belangrijke betekenis aan de boodschap meegeven. Maar het is heel wel mogelijk dat dit niet opgepikt wordt door een slechthorende, ook al gebruikt die een hoortoestel.
  2. In een gesprek met een slechthorende is spraakafzien een belangrijke informatiebron. Als spreker moet je dus voortdurend de patiënt aankijken om je mondbeeld zichtbaar te laten zijn. Niet het hoofd wegdraaien, niet schrijven tijdens het praten of al pratend even iets pakken. En als maatschappelijk werker zul je er tegen moeten kunnen dat de ander je veelal non-stop indringend aankijkt.
  3. Tijdens een gesprek kun je niet alleen bezig zijn met de inhoud in het gesprek. Je moet ook voortdurend in de gaten houden of wel echt verstaan wordt wat je gezegd hebt, en of de patiënt niet luistermoe wordt.
  4. Zo nodig moeten tijdens het gesprek lichaamshouding, mimiek en handen bewust ingezet worden om een boodschap of vraag duidelijk over te brengen.
  5. En wat te denken van een gesprek met een plots-dove patiënt, die ineens niet meer verbaal te bereiken is. Dan moet er geschreven/getypt worden en met handen en voeten gecommuniceerd worden. Als in zo’n gesprek ook de horende partner aanwezig is, dan wordt het helemaal een ingewikkeld proces van schrijven, praten en ‘tolken’ wat de partner vertelde. Een dove wil toch weten waar het gesprek over gaat; het betreft immers hem of haar.

Ook de toepassing van gesprekstechnieken behoeft aanpassing. Zo is een gesprekstechniek in de cliëntgerichte counseling, het zgn. spiegelen. Daarin wordt iemand op metaniveau voorgehouden wat hij eigenlijk lijkt te zeggen. Het is een reflectie op de gespreksinhoud. Een interventie van een andere orde. Maar zo’n breuk in de gesprekslijn is een overgang die slechthorenden vaak niet kunnen maken. Zij kunnen dan immers woorden of zinsdelen die zij niet goed verstaan hebben, niet logisch invullen vanuit de context van het gesprek. Deze gesprekstechniek, waarbij het ook gaat om timing in het lopende gesprek, kan op die manier niet toegepast worden bij slechthorenden. Geleerd zal moeten worden die op een andere manier te benutten.


Slecht horen is bij uitstek een beperking in de communicatie. Maar het gesprek is nu juist het belangrijkste instrument van een maatschappelijk werker! Tijdens een gesprek met een auditief gehandicapte verloopt de communicatie steeds op twee niveaus:


  1. Met de gangbare communicatieaspecten van een hulpverleningsgesprek,
  2. Met de ‘techniek’ van communicatie met iemand die niet vanzelfsprekend goed kan verstaan; dus onder de conditie van auditieve beperkingen.

Deze manier van communiceren is wezenlijk anders dan wanneer het gaat om een patiënt van een ander medisch specialisme en heeft grote invloed op de beroepsuitoefening van een audiologisch maatschappelijk werker.


Maar, er zijn meer verschillen dan alleen die op het terrein van de communicatie. De problemen zélf van de onderscheiden patiënten groepen zijn andersoortig. In de audiologie gaat het niet primair om de gevolgen van een somatische ziekte of aandoening waarbij een behandeling tot genezing voorop staat, maar om niet-te-genezen auditieve en communicatieve beperkingen. Het gaat er vooral om de hinder van die beperking te verminderen en zo mogelijk geheel te ondervangen. In vergelijking tot andere specialismen in het medisch maatschappelijk werk, is de sociale impact anders. En dat niet alleen, ook de logistiek is anders, evenals de sociale kaart. In de audiologie is het maatschappelijk werk als discipline niet voor niets als vanzelfsprekend geïntegreerd in het team. Dat is een noodzakelijke voorwaarde.


Slechthorenden zijn niet de enige patiënten in een Audiologisch Centrum. Binnen de audiologie heeft zich inmiddels een rijke schakering aan doelgroepen ontwikkelend en er vonden allerlei ontwikkelingen plaats. Aanvankelijk lag het accent op de diagnostiek en begeleiding van jonge slechthorende en dove kinderen en hun ouders. Later kwamen meer de volwassenen in beeld met de emotionele en/of functioneringsproblematiek door een ontstaan of toegenomen gehoorverlies.


Daarnaast zijn er nieuwe technische mogelijkheden en ontwikkelingen in de audiologie, waar de audiologisch maatschappelijk werker gebruik van moet kunnen maken, aan mee doet en op moet kunnen in spelen. Telkens moet beoordeeld worden wat deze vernieuwingen te bieden hebben voor de individuele patiënt die hulp zoekt en wat de impact ervan is.


Enkele ontwikkelingen van de laatste jaren:


  • De neonatale gehoorscreening werd ontwikkeld waardoor slechthorendheid en doofheid bij baby’s al kort na de geboorte ontdekt kan worden, met alle emotionele gevolgen voor de ouders van dien.
  • De Audiologische Centra kregen de spraak-taaldiagnostiek erbij, wat o.m. ouderbegeleiding, thuisobservaties en trajectbegeleiding in dat kader voor de maatschappelijk werker toevoegde.
  • Voor plots- en laatdoven kwam er een speciaal FENAC-protocol, gericht op multidisciplinaire diagnostiek en begeleiding.
  • Voor cochleaire implantatie zit protocollair de maatschappelijk werker in het team voor de psychosociale evaluatie in het selectietraject. Ook hier kan in de revalidatiefase nadere begeleiding noodzakelijk zijn.
  • Voor tinnitus- (oorsuis)patiënten zijn nieuwe mogelijkheden ontwikkeld waarvan het effect echter vaak overschat wordt. Veelal is een psychologische c.q. psychosociale tinnitusbehandeling/begeleiding de meest aangewezen behandelvorm.

Toen in de Audiologische Centra deze laatste patiëntengroep met tinnitusklachten meer in beeld kwam stond het maatschappelijk werk voor een speciale uitdaging. Het is een heel aparte categorie patiënten. Immers, in een Audiologisch Centrum zie je vooral mensen die komen om het geluid beter te horen. Maar de tinnituspatiënten komen juist om hun tinnitus-geluid niet meer te horen. Ze willen dat hinderlijke en zeer vermoeiende, vóórtdurende geluid in hun hoofd/oor kwijt. Ze zijn soms radeloos, kunnen hun dagelijks leven en werk niet meer (normaal) doen, slapen slecht, zijn oververmoeid en kunnen zich niet meer concentreren. Soms verlangen ze naar de definitieve stilte. Dat is dus wel even een heel ander probleemgebied. Het audiologisch maatschappelijk werk stond voor de uitdaging om voor deze nieuwe patiëntengroep een heel nieuwe methodiek voor begeleiding en behandeling te ontwikkelen.


Kortom, de maatschappelijk werker in de audiologie dient dus ontwikkelingen te volgen, niet alleen op het gebied van de eigen discipline, maar ook op audiologisch-technisch en otologisch gebied. Kennisbronnen hiertoe zijn de vergaderingen van de Nederlandse Vereniging voor Audiologie (de NVA) en symposia en congressen waar ontwikkelingen en ideeën worden gepresenteerd op het brede werkterrein. En belangrijk is uiteraard het bijhouden van de vakliteratuur, nascholing en informatie uitwisseling met collega’s. Voor dit laatste en voor bij- en nascholing is de meest op maat toegesneden kennisbron het Landelijke Werkverband van Maatschappelijk werkers in de Audiologie. De inhoud van deze bijeenkomsten zijn helemaal toegesneden op de zorgverlening voor alle patiëntengroepen in het werkgebied van de audiologie, hún specifieke problemen en de speciale kennis en vaardigheden die voor het werken daarmee vereist zijn.


 


9.8.4.3(2). Audiologisch maatschappelijk werk t.o.v. de positie in aanpalende instellingen

De eerste generaties maatschappelijk werkers in Audiologische Centra moesten de vragen en problemen die op hen af kwamen zelf kunnen behandelen of begeleiden. Ze waren pioniers in de begeleiding van slechthorende/dove kinderen. Een belangrijke taak was de hometraining: het begeleiden van de ouders in het omgaan met hun slechthorende/dove kind met en de training met het hoortoestel in de thuissituatie. Samen met het kind werden hoortrainings-spelletjes gedaan, ook als voorbeeld voor de ouders. Later namen de logopedisten, toen de opleiding voor logopedie meer ‘body’ kreeg, de begeleiding met het hoortoestel over. De begeleiding van de ouders bleef bij de maatschappelijk werkers. Hometraining van toen is goed vergelijkbaar met de gezinsbegeleiding nu. De hometraining duurde tot het kind 2½ jaar oud was en verwezen werd naar een school voor dove dan wel slechthorende kinderen.


Naast de hometraining is de begeleiding van het slechthorende kind op het reguliere onderwijs een belangrijk begeleidingsaspect: tijdens schoolbezoeken/schoolcontacten wordt aan de leerkracht uitleg gegeven over de slechthorendheid van dit kind met als doel de school handvatten te geven om een kind met een auditieve beperking op het reguliere onderwijs te houden.


Gaandeweg kwam er ook meer aandacht voor de begeleiding van volwassenen met een auditieve beperking. Verwijsmogelijkheden waren er echter zo goed als niet. Dan stond je er dus alleen voor. Zoals b.v. in de situatie waarin een dove man (met tinnitus) van het dak van het ziekenhuis wilde springen. Er moest snel iets gebeuren. In zo’n situatie ligt het voor de hand de crisisdienst te bellen. Dat gebeurde dus ook, maar na enige uitleg weigerde die te komen. Want wat zouden ze kunnen doen? Met een dove man die wil springen kun je immers niet praten?! Als maatschappelijk werker restte je in zo’n situatie niets anders dan te proberen zelf contact te krijgen met de man. Dat lukte. En uiteindelijk bracht de maatschappelijk werker zelf de man naar de crisisdienst om vervolgens daar als tolk op te treden.


In feite was de hele geestelijke gezondheidszorg ontoegankelijk voor mensen met een auditieve beperking.


Dat moge blijken uit een tweede casus. Een maatschappelijk werker verwees een slechthorende patiënte naar het RIAGG (toenmalige benaming voor de ambulante geestelijke gezondheidszorg). Kort daarop kreeg het Audiologisch Centrum een boos telefoontje van de psychotherapeut bij wie de patiënte terecht was gekomen. Ontstemd vroeg hij of men in het Audiologisch Centrum wel wist wat ze met deze verwijzing gedaan had! De verwijsindicatie was wel goed, maar was daarbij wel doordacht dat het instrument van de psychotherapeut juist het gesprek met de patiënt is. Kortom, of in het AC niet gesnapt werd dat gesprekken voeren met de slechthorende vrouw vrijwel onmogelijk was. Aan tips en suggesties hoe hij wél met de patiënte zou kunnen praten had hij geen behoefte; daar kon hij niet aan beginnen. Hij stuurde de vrouw terug.


De voorbeelden geven aan dat destijds een verwijzing voor gerichte specialistische hulp heel moeilijk was. Inmiddels is dat wel veranderd. Er zijn heel wat spelers in het audiologische veld bijgekomen. Ines Sleeboom, psychiater, heeft binnen haar instelling de psychiatrische afdeling VIA (Visuele Interactie Afdeling) van de grond getild. Regionaal kwamen er in de ambulante geestelijke gezondheidszorg binnen de RIAGG’s afdelingen voor doven en slechthorenden, speciaal algemeen maatschappelijk werk DDS (Dienstverlening Doven en Slechthorenden, inmiddels Geestelijke Gezondheidszorg en Maatschappelijke Dienstverlening, GGDM), de stichtingen voor gezinsbegeleiding voor ernstig slechthorende en dove kinderen, speciale arbeidsbureaus, ‘MEE’, ‘Hooridee’ en meer. Zij bieden een keur aan producten en ontwikkelen nog steeds nieuwe producten voor mensen met een auditieve beperking.


Kortom, de maatschappelijk werker in het Audiologisch Centrum hoeft niet meer alles zelf te kunnen. Sterker nog, er is een sterke onderlinge specialisatie. Voor onze patiënten betekende dat een toename van mogelijkheden voor specialistische hulp. Voor de maatschappelijk werker in een Audiologisch Centrum bracht het verschuivingen in het werk met zich mee.


Maar hoe verhoudt zich dan het werk van de maatschappelijk werker binnen een Audiologisch Centrum tot dat van deze medespelers?


Het Bureau DDS presenteert het eigen maatschappelijk werk met advertenties in het tijdschrift ‘Horen’, het tijdschrift van de Nederlandse Vereniging Voor Slechthorenden. Daarin wordt een lijst van problemen vermeld waar deze instelling hulp bij kan geven. Dat geeft typisch het beeld van algemeen maatschappelijk werk, maar dan wel volledig afgestemd op doven en slechthorenden. De genoemde probleemgebieden bevatten niet verwerkings- en acceptatieproblemen en ook geen begeleiding bij een hoortoestelaanpassing, communicatieve functioneringsproblemen, ouderbegeleiding e.d. Dat blijven dus werkgebieden voor de maatschappelijk werker van de Audiologische Centra.


Hoe die verhouding ligt, wordt duidelijk verwoord door de FENAC, de brancheorganisatie van Audiologische Centra: ‘De Audiologische Centra leggen de verbinding tussen Cure en Care’. Dát is de kern van het verschil. Audiologische Centra zijn gezondheidszorginstellingen, terwijl Bureau DDS (GGDM) een gespecialiseerde vorm van algemeen maatschappelijk werk behelst en dus een welzijnsinstelling is. In Audiologisch Centra is de maatschappelijk werker ingebed in een multidisciplinair team. Algemeen maatschappelijk werk echter is monodisciplinair. Het AC als verbinding tussen cure en care geeft precies het verschil aan in positie, insteek en context.


Ten aanzien van bijvoorbeeld werkproblemen die gerelateerd zijn aan de auditieve beperking ist het verschil ook duidelijk. De gespecialiseerde arbeidsbureaus zijn er voor reïntegratietrajecten, opleidingen en loopbaanbegeleiding. De audiologisch maatschappelijk werker heeft daar ook oog voor, maar focust vooral integraal op de auditieve, communicatieve, emotionele en functioneringsproblemen die voortvloeien uit de door gehoorverlies veroorzaakte werkproblemen.


In bovenstaande situaties liggen de verschillen duidelijk, maar er zijn ook grijsgebieden. Voor tinnituspatiënten bijvoorbeeld wordt door allerlei instellingen inmiddels ook een hulp aangeboden. Vaak zijn dat cursussen of trainingen in groepen, waarvoor een ABWZ-indicatie nodig is. Voor de ene patiënt is een ABWZ-traject nodig, voor de ander niet. Bij de ene patiënt past een groepsaanbod met verschillende behandelonderdelen wel, bij de andere niet. De tinnitus patiënt is vrij om te kiezen bij welke instelling hulp gezocht gaat worden. Maar na de beoordeling van de KNO-arts, is een consult bij een Audiologisch Centrum wel de meest aangewezen weg. Dáár is integraal de kennis aanwezig voor audiologische diagnostiek en zo mogelijk audiologisch-technische behandeling, én die van de psychosociale impact, diagnostiek en behandelingsmogelijkheden. Alleen in een AC kan in die samenhang een handelingsplan worden voorgesteld. Daar is ook de kennis aanwezig voor uitleg over dit voor patiënten vaak zo onbegrijpelijke fenomeen. Veel patiënten zijn met een kortdurende behandeling op een Audiologisch Centrum goed geholpen. Niet zelden is de maatschappelijk werker dan de hoofdbehandelaar.


Voor mensen uit alle patiëntengroepen van het AC kan een gerichte verwijzing naar de GGZ geïndiceerd zijn. In die verhouding fungeert de maatschappelijk werker in het Audiologisch Centrum als 1e lijn en de GGZ (ABWZ gefinancierd) als 2e lijn. Ter vergelijking: een Audiologisch Centrum heeft in het audiologische veld in een bepaald opzicht een poortwachterfunctie. Immers, het is aan de medewerker van het Audiologisch Centrum te bepalen of een aanpassing met een hoortoestel aan de audicien wordt overgelaten en er alleen een eindcontrolebezoek op het AC plaats vindt (de deregulering), of dat het nodig geacht wordt zelf een voorschrift te geven en het aanpassingsproces te begeleiden. In die verhouding staat het AC-maatschappelijk werk tot de GGZ.


Voor verwijzingen kent de audiologisch maatschappelijk werker de speciale sociale kaart van de regio. Per regio kunnen die verschillen. Instellingen als GGMD, MEE, en GGZ-instellingen hebben een gelijk basisaanbod. Maar daarnaast kunnen ze regionaal hun eigen producten ontwikkelen, structureel of incidenteel.


Samenvattend: al deze aanpalende instellingen werken op de zelfde bouwplaats maar wel met verschillende werktuigen.


 


9.8.4.4(2). De maatschappelijk werker als deel van het multidisciplinaire AC team

Op de FENAC-website worden Audiologische Centra neergezet als:
‘Gespecialiseerd in de diagnostiek, advisering en revalidatie op het terrein van het auditief en communicatief functioneren van kinderen en volwassenen’.


Audiologische Centra zijn er voor een veelheid aan doelgroepen, waarvoor inmiddels ook een ruim aanbod van andere instellingen bestaat, zoals in het voorgaande is aangegeven.


Wat is in dat veld het unieke van de Audiologische Centra? Dat is niet het multidisciplinair werken. Er zijn meer instanties die zo werken. Uniek zijn:


  • Het schakel zijn tussen ‘Cure en Care’ (in het voorgaande reeds besproken).
  • De samenstelling van het multidisciplinaire team met deskundigen die specifiek gespecialiseerd zijn op het gebied van auditieve beperkingen en de gevolgen daarvan (naast maatschappelijk werkers o.a. audiologen, psychologen, linguïsten, logopedisten, audiologieassistenten en akoestisch-technici).
  • De mogelijkheid van integrale diagnostiek, een totaal beeld, vanuit audiologisch, logopedisch, psychologisch en psychosociaal perspectief.
  • De mogelijkheid vanuit deze verschillende invalshoeken een breed handelingsplan te formuleren en uit te voeren.
  • De mogelijkheid bij de uitvoering van het handelingsplan meerdere disciplines te betrekken. Dat kan zijn na elkaar, afwisselend of gelijktijdig.

Dat is de kracht van de beschikbaarheid van de gespecialiseerde disciplines binnen de muren van het Audiologisch Centrum.


In die samenwerking betekent maatschappelijk werk als onderdeel van de team activiteiten:


  • Korte lijnen, en de mogelijkheid van onmiddellijke interventie
  • Het spreken van elkaars taal
  • Een lage drempel voor patiënten
  • De mogelijkheid van directe terugkoppeling en direct overleg wanneer meerdere teamleden met een zelfde patiënt werken.

Ten aan zien van elkaars werk is directe facilitering mogelijk. Immers, een audiologisch medewerker kan niet veel met een hoortoestelaanpassing als een patiënt het er wel mee eens is dat hij aangewezen is op een hoortoestel maar tegelijkertijd zich doodschaamt om zich publiekelijk met zo’n ding te vertonen. Zo kan een psychosociale tinnitusbehandeling een duwtje de goede kant op krijgen, als lopende het traject een tinnitusmasker ingezet kan gaan worden.


Audiologisch maatschappelijk werk is een vorm van gespecialiseerd maatschappelijk werk. Van maatschappelijk werkers in een Audiologisch Centrum mag verwacht worden dat zij:


  • Gesprekstechnisch vaardig zijn om met slechthorende/dove mensen goed te kunnen communiceren.
  • Otologische en audiologische kennis hebben voor zover dat nodig is voor hun beroepsuitoefening.
  • Kennis hebben over technische hulpmiddelen.
  • Een brede expertise hebben van de impact van de beperking van al die verschillende patiëntengroepen.
  • Een goede instelling hebben met betrekking tot het multidisciplinair samenwerken
  • Met betrekking tot het multidisciplinair samenwerken de mogelijkheden en de grenzen kennen van de betrokken vakgebieden in een AC.
  • De met een individuele patiënt verkregen informatie en de psychosociale gezichtspunten in het team tot gelding kan doen komen.

 


9.8.4.5(2). Conclusie

Het maatschappelijk werk in de audiologie is een vorm van gespecialiseerd maatschappelijk werk. De beroepsvereniging, de Nederlandse Vereniging voor Maatschappelijk Werkers, kent profielen voor allerlei vormen van maatschappelijk werk. Het profiel ‘Maatschappelijk Werk in een Audiologisch Centrum’ is unaniem geaccordeerd door alle maatschappelijk werkers in de Audiologische Centra. Door de FENAC wordt dit profiel ‘aanbevolen’. Voor accordering moet nog over enkele punten overlegd worden. Dit profiel mag op geen enkel Audiologisch Centrum ontbreken. Nieuwe maatschappelijk werkers en andere medewerkers kunnen zich daarmee snel oriënteren.


 


Literatuur

  1. Rapport Gezondheidsraad - de ‘Commissie Koster’ (1975).
  2. ‘Maatschappelijk werk in een Audiologisch Centrum’, Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers, (2003).
  3. ‘Beroepsprofiel van de maatschappelijk werker’, Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers (2006).
  4. ‘Plotsdovenprotocol’ van de FENAC (Federatie Nederlandse Audiologische Centra) (1996).
  5. ‘Geen goed gehoor; wat nu?’ Informatie over slechthorendheid en doofheid. M.Rodenburg (coördinator) 5e druk (2001).
  6. ‘Hulpverlening aan plots- en laatdoven in breder perspectief’ Verslaglegging van de studiedag op 30.11.2000.
  7. ‘Living with hearing difficulties, the proces of enablement’ D.Stephens and S.E.Kramer, Wiley-Blackwell ISBN 978-0-470-01985-6 ((2009)).

© NVA leerboek 2000-2017 Privacy | Disclaimer | Copyright | Statistieken | Webredactie